id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008
Art. 26
, vierde lid Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Orde van architecten - Nationale raad - Hoger beroep Wettelijke bepalingen:
Art. 26, vierde lid Fiche 4 Niet de Orde van architecten maar wel de raden zijn de rechtsprekende organen
(1); hun werking is zodanig geregeld dat zij met de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid kunnen oordelen; de omstandigheid dat de nationale raad van de Orde hoger beroep kan instellen tegen de beslissingen van de provinciale raden in tuchtzaken doet hieraan geen afbreuk.
(1)Cass., 5 juni 1992, AR 7635, A.C. 1991-1992, nr. 522; Cass., 13 maart 2008, AR D.07.0002.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10, infra, nr. ... Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Orde van architecten - Rechtsprekende organen - Begrip - Werking - Nationale raad - Hoger beroep Wettelijke bepalingen:
Art. 26, vierde lid Tekst van de beslissing Nr.
D.06.0016.N G.G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE VAN ARCHITECTEN, publiekrechtelijk rechtspersoon, vertegenwoordigd door haar Nationale Raad, met zetel te 1000 Brussel, Livornostraat 160, bus 2, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 22 september 2006 gewezen door de Raad van Beroep van de Orde van Architecten met het Nederlands als voertaal. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift vijf middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, maakt het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep. Ten gevolge van de devolutieve werking mag de appelrechter de zaak aan zich houden na te hebben vastgesteld dat de eerste beslissing moet worden vernietigd. De devolutieve kracht heeft niet tot gevolg dat er geen volwaardige dubbele aanleg bestaat of dat de rechtszoekende een aanleg verliest. De onwettigheden die werden begaan door de eerste rechter of die verband houden met de regelmatigheid van de in eerste aanleg gevoerde procedure kunnen worden ongedaan gemaakt door de beslissing op het hoger beroep. Hieruit volgt niet dat de procedure in eerste aanleg niet heeft bestaan.
- Het onderdeel berust volkomen op de verkeerde juridische onderstelling dat de devolutieve kracht van het hoger beroep een volwaardige dubbele aanleg belet in de hypothese dat het eerste rechtscollege niet organiek onpartijdig is en de appelrechters om die reden zijn beslissing vernietigen en voor het overige zelf uitspraak doen over het geschil. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel is volledig gebaseerd op de onderstelling dat de rechtspleging in eerste aanleg strijdig is met het EVRM doordat de rechtskundig bijzitter op grond van artikel 26 van de wet van 26 juni 1963 een recht heeft hoger beroep in te stellen.
- De eiser voert in het middel schending aan van artikel 26 van de wet van 26 juni 1963, zonder enige precisering en inzonderheid zonder vermelding dat de aangewezen wetsbepaling die was welke gold vóór de wijziging van die wet bij wet van 7 juli
- In de laatste geldende versie geldt de rechtstoestand die de eiser omschrijft niet meer. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 26, vierde lid, van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, mag de nationale raad hoger beroep instellen tegen elke beslissing van de raad van de Orde in tuchtzaken. De nationale raad die hoger beroep heeft ingesteld is net als elke appellant partij in het geding in hoger beroep, ongeacht de regelmatigheid of ontvankelijkheid van zijn hoger beroep.
- De loutere omstandigheid dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, heeft niet tot gevolg dat de nationale raad als appellant niet zou mogen verschijnen, worden gehoord en concluderen.
- In zoverre het onderdeel berust op de verkeerde juridische veronderstelling dat de nationale raad geen recht heeft om te verschijnen, noch om een conclusie neer te leggen, noch om op enige andere wijze te worden gehoord indien zijn hoger beroep niet ontvankelijk is, faalt het naar recht.
- Door zijn beslissing dat het hoger beroep van de nationale raad niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid, diende de Raad van Beroep van de Orde van Architecten niet meer te antwoorden en niet meer verder in te gaan op het verweer van de eiser dat de nationale raad geen belang had bij zijn hoger beroep en op de daaruit afgeleide vraag de conclusies van de nationale raad te weren uit de debatten, vermits dit verweer niet meer terzake dienend was. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek kan het niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het arrest oordeelt dat "gelet op het feit dat de Raad (van Beroep) hiervoor sub 2 het hoger beroep van de Nationale Orde ten deze niet toelaatbaar heeft verklaard, in onderhavige zaak althans, ook deze argumentatie (over de mogelijkheid die de wetgever aan de Nationale Orden heeft gegeven om hoger beroep in te stellen tegen de beslissingen van de provinciale raden) irrelevant (is)".
- De bestreden beslissing verwerpt en beantwoordt aldus het in het onderdeel bedoelde verweer. Inzoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet mist het feitelijke grondslag.
- Het onderdeel voert verder ten onrechte aan dat de Orde van architecten in tuchtprocedures optreedt als rechter en partij. Krachtens de wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten zijn immers niet de Orde van architecten maar wel de Raden de rechtsprekende organen.
- De wetgever heeft uitdrukkelijk gewild dat bepaalde organen van de Orde van architecten een bevoegdheid zouden hebben van jurisdictionele aard en heeft, met uitzondering van de mogelijkheid voor de rechtskundig bijzitter om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de raad waarvan hij deel uitmaakt, de werking van die organen zodanig geregeld dat zij met de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid kunnen oordelen. De omstandigheid dat de nationale raad van de Orde hoger beroep kan instellen tegen de beslissingen van de provinciale raden in tuchtzaken doet hieraan geen afbreuk. Het onderdeel dat aanvoert dat de door artikel 6.
- EVRM voor een rechterlijke instantie vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid zich ertegen verzet dat tuchtprocedures in hoger beroep gevoerd worden voor een raad van beroep waarbij de nationale raad van de Orde van architecten partij is, faalt naar recht. Derde middel Eerste onderdeel
- De eiser voerde in zijn conclusies enerzijds aan dat de beslissing van de raad van de Orde van 1 december 2003 zonder rechtsgevolg moest blijven en voerde anderzijds aan dat de beslissing van 26 januari 2004 een nieuwe beslissing vormde, die met miskenning van het beginsel non bis in idem volgde op de beslissing van 1 december
- De raad van beroep behoefde niet te antwoorden op deze tegenstrijdige aanvoeringen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt de raad van beroep niet dat het verweer dat de eiser inzake de uitputting van rechtsmacht voerde, niet relevant was. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van de bestreden beslissing en mist mitsdien feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt de raad van beroep niet dat het verweer van de eiser dat er reeds op 1 december 1993 (lees: 2003) een eindbeslissing werd genomen over de tuchtrechtelijke vervolging irrelevant is ingevolge de vernietiging van de beslissing van 26 januari
- Evenmin oordeelt de raad van beroep dat er een beslissing over de grond van de zaak is genomen tijdens de vergadering van 1 december
- Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van de bestreden beslissing en mist mitsdien feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel gaat er volledig van uit dat voor het geldig instellen van de rechtspleging, vereist is dat er een regelmatige beslissing van de tuchtraad om tot dagvaarding over te gaan, voorhanden is. Het middel wijst geen wettelijke bepaling als geschonden aan die vereist dat voor de geldigheid van de rechtspleging er een beslissing van de tuchtraad tot dagvaarding moet voorhanden zijn. Het middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Vijfde middel
- De bestreden beslissing oordeelt dat "deze tenlastelegging prima facie mogelijk onduidelijk (lijkt), maar (dat) het onderzoeksdossier (...) dermate precies en correct (is), want op welbepaalde dossiers ‘projecten' toegespitst, dat de architect zonder enige twijfel en ondubbelzinnig kan uitmaken t.a.v. welke feiten hij zich dient te verdedigen, met betrekking tot welke projecten hij precies verdacht (en vervolgd) wordt en waardoor hij de eer en de waardigheid van het beroep in het gedrang zou hebben kunnen gebracht".
- De bestreden beslissing geeft aldus te kennen dat de tenlastelegging betrekking heeft op projecten van de nv Diependaal en niet uitsluitend op projecten waarvoor de nv Diependaal optrad als bouwheer. Anders dan het middel aanvoert, oordeelt de bestreden beslissing niet dat de tenlastelegging onduidelijk werd geformuleerd en enkel verwijst naar projecten waarvoor de nv Diependaal als bouwheer optrad. Het middel berust op een onjuiste lezing van de beslissing en mist mitsdien feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 580,83 euro jegens de eisende partij en op de som van 236,27 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Didier Batselé, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 13 maart 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160610.6 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231213.2F.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div