← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080318.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080318.1 Rolnummer: P.07.1823.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2008-04-22 Raadplegingen: 211 - laatst gezien 2026-07-03 05:05 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Wanneer voor het Hof de vraag rijst of artikel 479 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in zoverre het de raadsheer in sociale zaken niet begrijpt onder de magistraten en ambtsdragers welke, voor de misdaden en wanbedrijven door hen gepleegd buiten hun ambt, slechts op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep kunnen worden gedagvaard voor het hof van beroep, terwijl de raadsheer in sociale zaken toch overeenkomstig artikel 103 Gerechtelijk Wetboek deel uitmaakt van het arbeidshof en overeenkomstig artikel 104 Gerechtelijk Wetboek samen met een raadsheer in het arbeidshof mede kennisneemt van zaken die tot de bevoegdheid van dit hof behoren, en voor hem dezelfde waarborgen als voor de raadsheer in het arbeidshof verantwoord kunnen lijken, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof

(1).
(1)Zie Cass., 14 okt. 1975, A.C., 1976, nr. 203; DE CODT, J., "De vervolging van magistraten" in X.(ed.), Statuut en deontologie van de magistraat, Brugge, Die Keure, 2000, p. 154, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Toepassingsgebied - Ratione personae - Raadsheer in sociale zaken - Artikel 479, Wetboek van Strafvordering - Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 Grondwet Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Voorrecht van rechtsmacht - Toepassingsgebied - Ratione personae - Raadsheer in sociale zaken - Artikel 479, Wetboek van Strafvordering - Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 Grondwet Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vraag - Voorrecht van rechtsmacht - Toepassingsgebied - Ratione personae - Raadsheer in sociale zaken - Artikel 479, Wetboek van Strafvordering - Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 Grondwet Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 Tekst van de beslissing Nr. P.07.1823.N J P E J, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Joris A. Vercraeye en mr. Mounir Souidi, advocaten bij de balie te Antwerpen, tegen M B, burgerlijke partij, verweerder, met als raadslieden mr. Christian Van Buggenhout en mr. Hans Van Bavel, advocaten bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De eiser heeft met anderen terechtgestaan voor de Correctionele Rechtbank te Antwerpen. De eiser werd daarbij vervolgd voor mededaderschap aan A. valsheid in geschrifte en gebruik, B. misbruik van vertrouwen en C. oplichting. De eiser heeft opgeworpen dat de rechtbank, omwille van zijn hoedanigheid van raadsheer in sociale zaken niet bevoegd was om van de strafvordering tegen hem wegens buiten zijn ambt gepleegde misdaden en wanbedrijven kennis te nemen. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard tussenvonnis van 10 mei 2006 heeft de correctionele rechtbank zich evenwel bevoegd verklaard en ook gezegd dat er geen grond was tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Bij eindvonnis van 21 juni 2006 veroordeelde de correctionele rechtbank de eiser voor de hem ten laste gelegde misdrijven tot een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar, met uitstel gedurende 5 jaar voor 2 jaar van die straf, en tot een geldboete van 24.789,35 euro, met uitstel voor 3 jaar, of 3 maanden. Verder sprak de rechtbank tegen de eiser de verbeurdverklaring uit van wederrechtelijke vermogensvoordelen van respectievelijk 1.655.753,14 euro en van 29.747,22 euro. Op burgerlijk gebied werd de eiser veroordeeld om aan de burgerlijke partij 531.862,40 euro te betalen en werden de verbeurdverklaarde sommen de burgerlijke partij toegewezen tot beloop van dit bedrag. Het meer gevorderde werd afgewezen. De eiser kwam van beide vonnissen in hoger beroep. Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kwamen op hun beurt in hoger beroep van het eindvonnis. Bij het thans bestreden bij voorraad uitvoerbaar verklaard arrest verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen de hogere beroepen regelmatig naar vorm en termijn, zegt dat er geen grond is tot het stellen van een prejudiciële vraag, bevestigt het vonnis van 10 mei 2006 met betrekking tot de bevoegdheidsexceptie en beveelt de heropening van het debat. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel wijst in zijn aanhef de artikelen 479, 480 en 481 Wetboek van Strafvordering en artikel 149 Grondwet aan als geschonden. In zijn uiteenzetting blijkt het middel echter in werkelijkheid schending te bedoelen van artikel 479 Wetboek van Strafvordering en van de artikelen 10 en 11 Grondwet: het regime van artikel 479 Wetboek van Strafvordering dient ook toegepast te worden op de raadsheer in sociale zaken.
  4. Het middel verzoekt in dit verband het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden de artikelen 479, 480 en 481 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10, 11, 12 en 13 Grondwet samengelezen met de artikelen 6.1 EVRM en 14 IVBPR, in de mate dat uit dit artikel zou volgen dat raadsheren in sociale zaken die ervan worden beschuldigd buiten het ambt een misdrijf te hebben gepleegd niet worden vervolgd conform de procedure van voorrecht van rechtsmacht, terwijl de magistraten en ambtsdragers zoals vermeld in artikel 479 Wetboek van Strafvordering in voorkomend geval wel conform deze procedure worden vervolgd."
  5. Artikel 479 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Grondwettelijk Hof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een provinciegouverneur, ervan beschuldigd worden buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, laat de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld."
  6. Deze bepaling wijst zeer uitdrukkelijk enkel de magistraten en andere openbare gezagdragers aan die het beoogt. Raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof moet worden begrepen in de betekenis die voortvloeit uit artikel 152 Grondwet en de artikelen 103 en 104 Gerechtelijk Wetboek. De raadsheer in sociale zaken is geen raadsheer in het arbeidshof.
  7. Artikel 12 Grondwet waarborgt de vrijheid van de persoon en stelt onder meer dat niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Artikel 13 Grondwet bepaalt dat niemand tegen zijn wil kan worden afgetrokken van de rechter die de wet bepaalt. Het middel maakt niet duidelijk hoe deze artikelen zouden kunnen geschonden zijn wanneer de wetsbepalingen betreffende het voorrecht van rechtsmacht worden uitgelegd zoals de eiser doet. Het middel is in zoverre bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  8. De verweerder werpt op dat daar de artikelen 479, 480, en 481 Wetboek van Strafvordering hier niet toepasselijk zijn, er ook geen grond is tot het stellen van een prejudiciële vraag. De opgeworpen vraag betreft evenwel de toepasselijkheid van de aangewezen wettelijke bepalingen en houdt verband met de gegrondheid van het cassatieberoep. Er is grond tot het stellen van de vraag. Dictum Het Hof, Houdt de verdere uitspraak aan totdat het Grondwettelijk Hof uitspraak zal hebben gedaan over de prejudiciële vraag: "Schendt artikel 479 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zoverre het de raadsheer in sociale zaken niet begrijpt onder de magistraten en ambtsdragers welke voor de misdaden en wanbedrijven door hen gepleegd buiten hun ambt, slechts op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep kunnen worden gedagvaard voor het hof van beroep, terwijl de raadsheer in sociale zaken toch overeenkomstig artikel 103 Gerechtelijk Wetboek deel uitmaakt van het arbeidshof en overeenkomstig artikel 104 Gerechtelijk Wetboek samen met een raadsheer in het arbeidshof mede kennisneemt van zaken die tot de bevoegdheid van dit hof behoren, en voor hem dezelfde waarborgen als voor de raadsheer in het arbeidshof verantwoord kunnen lijken?" Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 18 maart 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080318.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090602.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.