← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.2 Rolnummer: F.07.0027.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2008-04-16 Raadplegingen: 733 - laatst gezien 2026-07-03 09:38 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080320.2 Fiche 1 Een van de voorwaarden voor de pauliaanse vordering is dat de schuldvordering van de schuldeiser bestaat op het ogenblik dat de aangevochten handeling wordt gesteld; het is daartoe voldoende dat de grondslag van de schuldvordering bestaat op het ogenblik van de aangevochten handeling, zonder dat is vereist dat die schuldvordering op dat ogenblik opeisbaar is, vaststaand is of door de rechter erkend

(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: PAULIAANSE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Actio pauliana Vrije woorden: Schuldeiser - Schuldvordering - Tijdstip - Ontstaan - Vaststelling - Vereisten Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1167, eerste lid Fiche 2 De grondslag van de hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van de ontdoken belasting als wettelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling van daders of medeplichtigen van fiscale misdrijven, berust in het plegen van deze misdrijven, zodat het tijdstip waarop ze werden gepleegd in aanmerking dient te worden genomen voor de beoordeling van de anterioriteitsvereiste gesteld voor de door het bestuur ingestelde pauliaanse vordering
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Actio pauliana Vrije woorden: Fiscale misdrijven - Daders of medeplichtigen - Strafrechtelijke veroordeling - Burgerrechtelijk gevolg - Betaling van de ontdoken belasting - Hoofdelijke gehoudenheid - Grondslag - Pauliaanse vordering - Anterioriteitsvereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 458 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1167, eerste lid Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 20 maart 2008, AR F.07.0027.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: PAULIAANSE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Actio pauliana Vrije woorden: Schuldeiser - Schuldvordering - Tijdstip - Ontstaan - Vaststelling - Vereisten Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Actio pauliana Vrije woorden: Fiscale misdrijven - Daders of medeplichtigen - Strafrechtelijke veroordeling - Burgerrechtelijk gevolg - Betaling van de ontdoken belasting - Hoofdelijke gehoudenheid - Grondslag - Pauliaanse vordering - Anterioriteitsvereiste Annotaties Publicaties: Fiscoloog - Alexandre MISSAL; Cassatie over anterioriteitsvoorwaarde. - 2008, 3-5 Fisc.Act. - Luc DE GREEF; Actio pauliana: hoofdelijk gehoudene is al schuldenaar van ontdoken belasting van misdrijf, niet vanaf de veroordeling. - 2008, 10-11 Tekst van de beslissing Nr. F.07.0027.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen te Mechelen, Vennootschappen 4, met kantoor te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24, bus 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  1. O.J., en,
  2. P.M.,
  3. V.D.W.R.,
  4. O.I., verweerders, derde en vierde verweerders vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, Advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 juni 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 458 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 20 december 1996; - de artikelen 1134, 1135 en 1167 van het Burgerlijk Wetboek; Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis (lees: arrest) verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter dat de pauliaanse vordering van de eiser ongegrond verklaarde omdat aan één van de vier vereisten gesteld voor deze vordering niet was voldaan: "- De eerste rechter heeft terecht beslist dat de anterioriteitsvoorwaarde niet was vervuld. - De pauliaanse vordering veronderstelt immers het bestaan van een relatie schuldeiser-schuldenaar en de anterioriteitsvereiste betekent dat de hoedanigheid van schuldeiser moet bestaan op het ogenblik dat de gewraakte handeling word gesteld; - In onderhavig geschil moest (de eiser) derhalve ten tijde van de aangevochten verkoop van 26 juli 1993 jegens (de eerste verweerder) de hoedanigheid van schuldeiser hebben. (De eiser) was op 26 juli 1993 weliswaar een schuldeiser niet echter van (de eerste verweerder) maar wel van de BVBA BPC ten name van wie de (supplementaire) aanslagen in de vennootschapsbelasting werden gevestigd. (De eerste verweerder) bediende/feitelijk zaakvoerder van deze vennootschap, is slechts schuldenaar geworden van (de eiser) door en ingevolge zijn strafrechtelijke veroordeling die krachtens de wetartikel 458 WIB
(1992)- tot gevolg heeft dat hij hoofdelijk gehouden is tot betaling van de ontdoken belastingen. De titel op grond waarvan (de eiser) schuldeiser is geworden van (de eerste verweerder) is voormelde wet en de wet verwijst naar het ogenblik van de strafrechtelijke veroordeling als tijdstip waarop de strafrechtelijk veroordeelde schuldenaar wordt van de belastingen in kwestie; het strafrechtelijk vonnis is immers constitutief. Dat de belastingschuld van de vennootschap reeds bestond voor de realisatie van de verkoop is wel juist maar geeft enkel aan dat (de eiser) een schuldvordering bezat op de vennootschap, niet op (de eerste verweerder). Als hoofdelijk gehouden schuldenaar kan hij weliswaar aangesproken worden op grond van de uitvoerbaar verklaarde kohieren bestaande tegen de vennootschap doch het is slechts deze hoofdelijke gehoudenheid die een door de wet aan zijn veroordeling verbonden sanctie is, die hem de hoedanigheid van schuldenaar jegens (de eiser) geeft. - Zonder deze strafrechtelijke veroordeling met de eraan verbonden sanctie ontstond tussen (de eerste verweerder) en (de eiser) geen relatie schuldenaar-schuldeiser; in die zin stelt (de eiser) onterecht dat het tijdstip der strafrechtelijke veroordeling zonder belang is en dat de ‘hoofdelijke gehoudenheid is ontstaan door de gepleegde fraude' terwijl deze gehoudenheid net het gevolg is van een strafrechtelijke veroordeling zoals blijkt uit de duidelijke termen van artikel 458 WIB
(1992)dat bepaalt: - ‘personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 werden veroordeeld, zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting'. - De schuldvordering van (de eiser) jegens (de eerste verweerder)is slechts ontstaan na en door de veroordeling van 14 oktober 1994 en is dus posterieur aan de gewraakte handeling. Wat de uitzondering op de anterioriteitsvereiste betreft, oordeelde de eerste rechter terecht dat niet was bewezen dat (de eerste verweerder) bij de verkoop van de onroerende goederen - het betrof de sedert generaties lange ouderlijke woning van de familie O. - gehandeld heeft met een uitgesproken frauduleus inzicht jegens de fiscus nu uit het strafdossier is gebleken dat hij ook wilde tegemoet komen aan de wens van zijn dochter (de vierde verweerder), deze woning aan te kopen". Grieven
  1. Overeenkomstig artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek kunnen schuldeisers in hun eigen naam opkomen tegen de handelingen die hun schuldenaar heeft verricht met bedrieglijke benadeling van hun rechten. Een pauliaanse vordering kan slechts worden ingesteld door een schuldeiser wiens schuldvordering ontstaan is voor de bestreden handeling. Het is niet vereist dat het bedrag van deze schuldvordering op het tijdstip van de bestreden handeling reeds is bepaald of dat de schuldvordering toen reeds werd vastgesteld in een rechterlijke beslissing. Het volstaat dat het principe van de schuld of de oorzaak van de gehoudenheid van de schuldenaar vaststaat op het ogenblik dat de nadelige handeling door de schuldenaar wordt gesteld, ook al is er op dat ogenblik nog geen sprake van een opeisbare schuldvordering en zelfs al kan de aard van deze schuld nadien nog een verandering ondergaan.
  2. Overeenkomstig artikel 458 WIB
(1992)zijn personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 WIB
(1992)werden veroordeeld, hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting. De hoofdelijke gehoudenheid die voortvloeit uit de toepassing van artikel 458 WIB
(1992)vindt zijn oorzaak in de strafbare feiten die werden gepleegd en niet in de strafrechtelijke veroordeling zelf die uit hoofde van deze feiten krachtens de wet wordt uitgesproken welke veroordeling, slechts een declaratief karakter heeft. De hoofdelijkheid die krachtens artikel 458 WIB
(1992)wordt uitgesproken als gevolg van een strafrechtelijke veroordeling wegens belastingfraude vindt m.a.w. zijn rechtstreekse grondslag in de feiten van belastingontduiking. In zoverre het beginsel van de hoofdelijke gehoudenheid voor de ontdoken belastingen moet worden vastgeknoopt aan het ogenblik waarop de strafbare feiten werden gepleegd, verwerft eiser vanaf dat tijdstip de hoedanigheid van schuldeiser jegens de dader of medeplichtige die zich schuldig hebben gemaakt aan de fraude.
  1. In casu had de strafbare belastingfraude betrekking op feiten gepleegd in de periode van 7 februari 1988 tot en met 4 maart 1993 (hierover bestond tussen partijen geen betwisting) zodat de hoofdelijke gehoudenheid van de eerste verweerder voor de belastingschuld van de vennootschap teruggaat tot die periode. In zoverre de schuldvordering van de eiser aldus dateerde van voor de litigieuze notariële verkoop op 26 juli 1994 (het arrest stelt vast dat de belastingschuld van de vennootschap reeds bestond voor de realisatie van de verkoop: p. 6, voorlaatste alinea) beschikte eiser derhalve over een "anterieure" schuldvordering waarop hij zich kon beroepen in het kader van zijn pauliaanse vordering tegen de bedrieglijke verkoop.
  2. Het bestreden arrest oordeelde evenwel dat de eerste verweerder slechts schuldenaar geworden is van de eiser door en ingevolge zijn strafrechtelijke veroordeling die krachtens de wet (artikel 458 WIB
(1992)) tot gevolg had dat hij hoofdelijk gehouden is tot betaling van de ontdoken belastingen. Dit strafrechtelijk vonnis van 14 oktober 1994 was volgens het hof van beroep "constitutief" voor het ontstaan van de schuld en vormde de "titel" op grond waarvan de eerste verweerder als schuldenaar kon worden beschouwd van de ontdoken belasting. Voor deze strafrechtelijke veroordeling met de eraan verbonden sanctie was er volgens het arrest geen relatie schuldenaar-schuldeiser tot stand gekomen tussen de eerste verweerder en de eiser. 5. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, heeft aangenomen dat de schuldvordering van de eiser jegens de eerste verweerder slechts is ontstaan na en door zijn strafrechtelijke veroordeling van 14 oktober 1994 en bijgevolg niet wettig de pauliaanse vordering van de eiser ongegrond heeft kunnen verklaren op grond dat zijn schuldvordering niet anterieur was aan de gewraakte notariële verkoop van 26 juli 1993 (schending van de artikelen 458 WIB
(1992)en 1134, 1135 en 1167 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 458 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 (WIB
(1992)), voor zijn wijziging bij koninklijk besluit van 20 december 1996; - de artikelen 6, 1131, 1132, 1133, 1134, 1135, 1350, 1° en 1167 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit", waarvan de artikelen 6, 1131, 1132, 1133, 1350, 1° en 1167 van het Burgerlijk Wetboek, een toepassing uitmaken. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter dat de pauliaanse vordering van de eiser ongegrond verklaarde. Wat de uitzondering op de anterioriteitsvereiste betreft, oordeelde het bestreden arrest dat "de eerste rechter terecht (oordeelde) dat niet was bewezen dat (de eerste verweerder) bij de verkoop van de onroerende goederen - het betrof de sedert generaties lange ouderlijke woning van de familie O. - gehandeld heeft met een uitgesproken frauduleus inzicht jegens de fiscus nu uit het strafdossier is gebleken dat hij ook wilde tegemoet komen aan de wens van zijn dochter (...) deze woning aan te kopen". Grieven
  1. Overeenkomstig artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek kunnen schuldeisers in hun eigen naam opkomen tegen de handelingen die hun schuldenaar heeft verricht met bedrieglijke benadeling van hun rechten. Een pauliaanse vordering kan slechts worden ingesteld door een schuldeiser wiens schuldvordering ontstaan is voor de bestreden handeling. De regel dat de schuldvordering moet bestaan op het ogenblik van de gewraakte handeling, kan uitzonderlijke achterwege blijven, met name wanneer de bestreden handeling werd gesteld met de bedoeling om toekomstig voorzienbare schuldeisers te benadelen. Deze uitzondering is gestoeld op het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit" volgens hetwelk aan een overeenkomst, die ertoe strekt om de wet op bedrieglijke wijze te ontduiken, geen gevolgen kunnen worden verbonden. Eerste onderdeel Er is bedrog in de zin van artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek wanneer de schuldenaar wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat hij door de betwiste handeling zich insolvabel maakte of zijn insolvabiliteit vergrootte en daardoor zijn schuldeiser nadeel berokkende. Deze bedrogvereiste houdt niet in dat aan de betwiste handeling een "uitgesproken frauduleus inzicht" ten grondslag moet liggen, bedrog zonder meer volstaat. Het bestreden arrest stelde vast dat de uitzondering op de anterioriteitsvoorwaarde te dezen geen toepassing kon vinden omdat niet was bewezen dat de eerste verweerder met een "uitgesproken" frauduleus inzicht jegens de eiser heeft gehandeld. Hieruit volgt dat het bestreden arrest het wettelijk begrip "bedrog", bedoeld in artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek, heeft miskend door aan deze notie een voorwaarde toe te voegen die deze bepaling niet bevat (schending van de artikelen 6, 1131, 1132, 1133, 1134, 1135, 1350, 1° en 1167 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel "frans omnia corrumpit"). Tweede onderdeel Met de aangevochten overweging van het bestreden arrest geven de appelrechters te kennen dat aan de litigieuze verkoop van de woning twee beweegredenen ten grondslag lagen, enerzijds, een frauduleus inzicht bij de eerste verweerder, om zich te ontrekken aan de aanspraken van de fiscus, anderzijds, "ook" de wil om tegemoet te komen aan de wens van zijn dochter om de woning te kopen, met als gevolg dat de "sedert generaties lange ouderlijke woning van de familie O." binnen de familie bleef. Precies omdat ook familiale overwegingen de litigieuze verkoop konden rechtvaardigen, oordeelde het bestreden arrest dat niet was voldaan aan de voorwaarden om toepassing te maken van de uitzondering op de anterioriteitsvoorwaarde nu het bestaan van een uitgesproken frauduleus inzicht bij de eerste verweerder niet was bewezen. De wil om ook tegemoet te komen aan de wensen van de dochter om de woning te kopen, kunnen de frauduleuze beweegredenen van de eerste verweerder jegens eiser nochtans niet zomaar teniet doen. Hoewel deze frauduleuze inzichten, omwille van die familiale overwegingen, volgens het arrest niet "uitgesproken" waren, nam het bestreden arrest zodoende niettemin, impliciet maar zeker, aan dat ook frauduleuze inzichten bij de eerste verweerder voorhanden waren. Voor de uitoefening van een pauliaanse vordering is niet vereist dat het bedrog of bedrieglijk inzicht exclusief aan de grondslag ligt van de betwiste handeling. Het volstaat dat het pauliaans bedrog één van de beweegredenen was van de bekritiseerde handeling. Door te oordelen dat de uitzondering op de anterioriteitsvereiste niet kan worden toegepast omdat niet was bewezen dat eerste verweerder met een uitgesproken frauduleus inzicht jegens de eiser heeft gehandeld in zoverre uit het strafdossier is gebleken dat "hij ook wilde tegemoet komen aan de wens van zijn dochter (...) deze woning aan te kopen", heeft het bestreden arrest derhalve ten onrechte als voorwaarde voor het inwilligen van een pauliaanse vordering voorop gesteld dat geen andere inzichten dan bedrog aan de bedrieglijke handelingen mogen ten grondslag liggen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing op die gronden niet naar recht heeft verantwoord en, spijts de impliciete maar zekere vaststelling dat er ook (niet-uitgesproken) frauduleuze inzichten aanwezig waren bij de eerste verweerder, de pauliaanse vordering van de eiser niet wettig heeft kunnen afwijzen (schending van de artikelen 6, 1131, 1132, 1133, 1134, 1135, 1350, 1°, en 1167 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit"). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Krachtens artikel 1167, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, kunnen de schuldeisers in eigen naam opkomen tegen de handelingen die hun schuldenaar verricht heeft met bedrieglijke benadeling van hun rechten.
  3. Een van de voorwaarden voor deze vordering is dat de schuldvordering van de schuldeiser bestaat op het ogenblik dat de aangevochten handeling wordt gesteld. Het is daartoe voldoende dat de grondslag van de schuldvordering bestaat op het ogenblik van de aangevochten handeling, zonder dat is vereist dat die schuldvor¬dering op dat ogenblik opeisbaar is, vaststaand is of door de rechter erkend.
  4. Personen die als daders of medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)werden veroordeeld, zijn op grond van artikel 458 van hetzelfde wetboek, hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting.
  1. Hoewel deze hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van de ontdoken belasting het wettelijke gevolg is van de strafrechtelijke veroordeling van de dader of medeplichtige, berust de grondslag van de gehoudenheid in het plegen van de hiervoor bedoelde fiscale misdrijven die tot de strafrechtelijke veroordeling hebben geleid.
  2. De appelrechters oordelen dat de schuldvordering van de eiser jegens de eerste verweerder slechts is ontstaan ten gevolge van de strafrechtelijke veroordeling van de eerste verweerder op 14 oktober 1994 en dus op een later tijdstip dan waarop de gewraakte handeling werd gesteld, zonder het tijdstip van de fiscale inbreuken in aanmerking te nemen.
  3. De appelrechters verantwoorden hun beslissing aldus niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing hieromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 20 maart 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080320.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151217.5 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151217.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.