← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080331.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080331.4 Rolnummer: C.07.0102.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-16 Raadplegingen: 519 - laatst gezien 2026-07-03 04:57 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080331.4 Fiche 1 Een middel dat schending aanvoert van een wetsartikel dat werd opgeheven, maar nadien terug van kracht wordt, verwijst naar de inmiddels opnieuw van kracht zijnde bepaling

(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Vereiste vermeldingen UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Opgeheven wetsbepaling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Fiche 2 De akte deling tussen onverdeelde eigenaars is declaratief van aard en niet eigendomsoverdragend, zodat de appelrechters die voor het bepalen van de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, de datum van de akte deling in aanmerking nemen, hun beslissing niet naar recht verantwoorden
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Planschade - Schadevergoeding - Berekening - Verwervingswaarde - Akte deling Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-10-1996 - Art. 35 oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 577-2, § 8 en 883 Fiche 3 De rente verschuldigd wegens het uitblijven van planschadevergoeding, is ten vroegste verschuldigd vanaf het ontstaan van dit recht op schadevergoeding overeenkomstig artikel 35, derde lid van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Planschade - Recht op schadevergoeding - Verschuldigde rente - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-10-1996 - Art. 35 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0102.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, wiens kabinet gevestigd is te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  1. A.R.,
  2. G.J.,
  3. A.M.,
  4. B.M., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 106, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 juni 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 7 maart 2008 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
  5. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 35 van het gecoördineerd Decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening; - de artikelen 544, 577 bis, §§ 1, 2, 3, 4, 5 en 8, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij wet van 30 juni 1994, 577-2, §1, 2, 3, 4, 5 en 8, 815 en 883 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Bij het eindarrest van 27 juni 2006 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen, het tussenarrest van 27 februari 2001 verder uitwerkend, het door eiser ingestelde hoger beroep "in de hierna bepaalde mate ongegrond" en het door de verweerders ingestelde (impliciet) incidenteel beroep eveneens gegrond, in zoverre het bestreden vonnis de vergoedende intresten slechts vanaf 24 februari 1983 heeft toegekend, verklaart de door verweerders tegen de eiser ingestelde vordering deels gegrond, veroordeelt de eiser om aan de eerste en tweede verweerders de som van 30.824,50 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 30 september 1977, en de gerechtelijke intresten te betalen, en aan de derde en vierde verweerders de som van 44.222,98 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 30 september 1977 en de gerechtelijke intresten en slaat de kosten in hoger beroep tussen partijen om en wijst het anders of meergevorderde als ongegrond af. Dit arrest is gestoeld op volgende overwegingen: "2.2.
  6. De waardevermindering die voor de planschadevergoeding in aanmerking komt, dient te worden geraamd als het verschil tussen de waarde van dat goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding, verhoogd met de lasten en de kosten, vóór de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan en de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op scha¬devergoeding na de inwerkingtreding van dat ruimtelijk uitvoeringsplan. Als waarde van het goed op het ogenblik van verwerving wordt in aanmerking genomen, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigendom van het goed, of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving. De waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving wordt geactualiseerd door ze te vermenigvuldigen met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de kalendermaand voorafgaand aan die waarin de schadevergoeding is vastgesteld en het zo bekomen getal te delen door het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het jaar van verwerving door de vergoedingsgerechtigde, in voorkomend geval, omgerekend op dezelfde basis als eerstgenoemd indexcijfer. De aldus bekomen waarde wordt verhoogd met de kosten van verwerving en met de uitgaven die door de vergoedingsgerechtigde zijn gedragen met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan. Het hof (van beroep) heeft in het tussenarrest reeds definitief geoordeeld dat de waarde die het goed had op het ogenblik van de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest, in casu het stedenbouwkundig attest nummer 1 van 24 februari 1983, als restwaarde dient te worden aangenomen. 2.2.
  7. De aankoop van de gronden in 1963 heeft niet als basis gediend voor de heffing van de registratie- en successierechten voor de volle eigendom van de gronden. Zoals blijkt uit de verkoopakte van 13 maart 1963 werden (de verweerders) slechts eigenaar van één derde van de betrokken percelen. De verkoopakte stelde immers dat de kopers een recht verworven op het goed ‘kopende ieder voor één/derde paart'. Als verwervingswaarde dient derhalve te worden weerhouden de waarde van de percelen als bouwgrond op datum van de akte van deling verleden voor notaris W.M., met standplaats te ..., op 14 april 1975, als gevolg waarvan (de verweerders) uiteindelijk de volle eigendom dit is de eigendom over de volledige betrokken percelen verwierven. Gezien de akte van deling enkel aanleiding heeft gegeven tot de heffing van registratierechten op een deel van de overdracht van de kwestieuze percelen, dient de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de verwerving in acht te worden genomen. Voor het bepalen van de waarde als bouwgrond heeft de gerechtskundige hierbij terecht een onderscheid gemaakt tussen twee zones, hetzij een eerste zone tussen de rooilijn en de +/- 50m lijn en de daarachterliggende zone. Hij heeft hierbij rekening gehouden met de relevante vergelijkings- en/of aflei¬dingspunten uit de periode 1975-1977 (blz. 6 van het deskundigenverslag), de ligging, de uitrusting, de vorm en de bereikbaarheid. Op grond van deze gegevens dienen de gronden in de eerste woonzone te worden geraamd op een bedrag van 11,16 euro (450 BEF)/m2 in de eerste woonzone en van 4,96 euro (200 BEF/m2 in de tweede woonzone. De aan de eerste en tweede (verweerders) toekomende planschadevergoeding dient derhalve als volgt te worden geraamd: - 1766m2 x 11,16 euro (450 BEF) /m2 = 19.700,10 euro (794.700 BEF) - 2104m2 x 4,96 euro (200 BEF) /m2 = 10.431,36 euro (420.800 BEF) - totaal = 30.131,46 euro (1.215.500 BEF) Deze vergoeding dient evenwel beperkt te worden tot een oppervlakte van 2504m2, nu volgens het gewestplan van Turnhout, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 30 september 1977, een oppervlakte van 1306m2 nog steeds in woonzone gelegen is. De datum van het negatief stedenbouwkundig attest van 24 februari 1983 dient als uitgangspunt te worden genomen bij de berekening van de planschade. Het indexcijfer der consumptieprijzen voor de kalendermaand voorafgaand aan deze datum was januari 1983 en bedroeg 238,45 (basis 1971). Het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het jaar van verwerving door de vergoedingsgerechtigden bedroeg 143,31 (indexcijfer januari 1975: 136,59; indexcijfer december 1975: 150,03) en niet 109,84 zoals foutief weerhouden door de gerechtsdeskundige. De geactualiseerde waarde van de eigendom van de eerste en tweede (verweerders) bedraagt alsdan in 1975: 30.131,46 euro (1.215.500 BEF) x 238,45 : 143,31 = 50.135,00 euro (2.022.441 BEF). Dit bedrag dient te worden verhoogd met de kosten van verwerving (registratierechten, ereloon, notaris, meetkosten, enz.), waarvan moet worden aangenomen dat zij daadwerkelijk werden gemaakt doch die, bij gebrek aan voorhanden zijnde objectief controleerbare gegevens, kunnen geraamd worden op 16 pct., d.i. 8.021,60 euro. De planschadevergoeding dient dan uiteindelijk te worden bepaald op tachtig percent van het totaal bedrag van 58.156,60 euro, hetzij 46.525,28 euro, herleid tot de oppervlakte, die na het gewestplan van Turnhout in natuurgebied gelegen is, hetzij x 2564: 3870 = 30.824,50 euro. 2.2.
  8. De aan de derde en vierde (verweerders) toekomende planschadevergoeding dient op grond van dezelfde beginselen als volgt te worden geraamd : - 1079m2 x 11,16 euro (450 BEF)/m2 = 12.036, 47 euro (485.550 BEF) - 3349m2 x 4,96 euro (200 BEF)/m2 = 16.603, 91 euro (669.800 BEF) - totaal = 28.640,38 euro (1.155.350 BEF) De geactualiseede waarde van de eigendom van de derde en vierde (verweerders) bedraagt in 1975: 28.640,38 euro (1.155.350 BEF) x 238,45 : 143,31 = 47.654,03 euro (1.922.359 BEF). Dit bedrag dient te worden verhoogd met de kosten van verwerving (registratierechten, ereloon, notaris, meetkosten, enz..), waarvan moet worden aangenomen dat zij daadwerkelijk werden gemaakt doch die, bij gebrek aan voorhanden zijnde objectief controleerbare gegevens, kunnen geraamd worden op 16 pct., d. i. 7.624,65 euro. De planschadevergoeding dient dan uiteindelijk te worden bepaald op tachtig percent van het totaal bedrag van 55.278,72 euro, hetzij 44.222,98 euro". Grief Luidens artikel 35, tweede lid, van het gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening dient de waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, vóór de inwerkingtreding van het plan en anderdeels de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van dat plan. Eerste onderdeel Blijkens het tweede lid van voornoemd artikel 35 wordt als waarde van het goed op het ogenblik van verwerving in aanmerking genomen, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van registratie- of suc¬cessierechten over de volle eigendom van het goed, of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving. Het begrip "volle eigendom" van het goed, waarvan sprake in voornoemde bepaling, verwijst naar het begrip eigendom, zoals bedoeld in artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, zijnde het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken. Voornoemd artikel verwijst m.a.w. naar de waarde van het onroerend goed bepaald in functie van alle componenten die het eigendomsrecht over een onroerend goed samenstellen, zijnde het recht om van een goed het genot te hebben, er de vruchten van te plukken en erover te beschikken. Anders dan het hof van beroep aanneemt veronderstelt deze bepaling geenszins dat degene die aanspraak maakt op de planschadevergoeding het volledige goed in eigendom zou hebben verworven, noch dat er ter bepaling van de verwervingswaarde van dat goed slechts rekening zou kunnen gehouden worden met het bedrag dat diende ter heffing van de registratierechten betaald op het tijdstip waarop de eiser in planschadevergoeding de eigendom over het volledige goed verwierf. Is de betrokkene slechts mede-eigenaar van het goed, dan zal hij slechts aanspraak kunnen maken op een fractie van de planschadevergoeding, bepaald in overeenstemming met zijn aandeel in het onroerend goed. Heeft de eiser in planschadevergoeding de eigendom van het volledige goed op verschillende tijdstippen verworven, dan zal desgevallend ter bepaling van de waarde van het goed rekening moeten worden gehouden met de bedragen die naar aanleiding van de opeenvolgende verwervingen van de overeenstemmende delen in het onroerend goed als grondslag voor de heffing van het registratierecht hebben gediend. De omstandigheid dat de registratierechten, betaald naar aanleiding van een bepaalde akte, slechts zouden slaan op "een deel van de overdracht van de goederen", waarvoor een planschadevergoeding wordt gevorderd, verhindert dan ook geenszins dat het bedrag dat als grondslag voor de heffing van die registratierechten heeft gediend, zoals voorgeschreven door het decreet, in aanmerking wordt genomen ter bepaling van de waarde van het overeenstemmende deel van die onroerende goederen, waarop die rechten werden geheven en waarvoor er planschadevergoeding wordt gevorderd, ook al betreft het niet het volledige goed. Evenmin verhindert de omstandigheid dat de eiser in planschadevergoeding eerst op een later tijdstip de eigendom over het volledige goed heeft verworven, dat er rekening wordt gehouden met het bedrag dat eerder reeds naar aanleiding van de verwerving van de eigendom van een deel van het kwestieuze perceel gediend heeft tot heffing van registratierechten op dat deel van het onroerend goed. Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest enerzijds dat verweerders in 1963 de gronden aankochten, "ieder voor één/derde paart", waaruit volgde dat de verweerders gezamenlijk op dat ogenblik eigenaar werden van twee derden van de betrokken percelen, anderzijds dat verweerders de eigendom over de volledige betrokken percelen verwierven ingevolge de akte van deling, verleden voor notaris W.M. op 14 april 1975, reden waarom het hof van beroep aanneemt dat de waarde van de percelen als bouwgrond op laatstgenoemd tijdstip moet worden weerhouden. Uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen blijkt aldus zeer duidelijk dat verweerders reeds in 1963 ten dele eigenaar van de goederen werden en dat er in 1975 alleszins op een deel van de verworven goederen rechten werden betaald. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat het bedrag dat gediend heeft ter bepaling van de heffing van de registratierechten slechts in aanmerking komt ter bepaling van de verwervingswaarde van het onroerend goed op het ogenblik waarop de eiser in planschadevergoeding de volledige eigendom over dat goed heeft verworven, en dit ongeacht de omstandigheid dat deze persoon voordien reeds een deel in mede-eigendom bezat, en aldus oordeelt dat het begrip "volle eigendom" van het goed in artikel 35, tweede lid, van het decreet ruimtelijke ordening verwijst naar de goederen waarvan de eiser volledig eigenaar is, doet het uitspraak in miskenning van het begrip "volle eigendom", zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, van het gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening (schending van artikelen 35, tweede lid, van het gecoördineerd Decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening en voor zoveel als nodig 544 van het Burgerlijk Wetboek). Bovendien vermocht het hof van beroep aldus niet wettig te beslissen dat het bedrag dat tot heffing van registratierechten heeft gediend enkel kan worden weerhouden wanneer blijkt dat dit recht werd geheven op de waarde van het volledige goed (schending van artikel 35, tweede lid, van het gecoördineerd Decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening en voor zoveel als nodig 544 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Onverdeeldheid verwijst naar het naast elkaar bestaan, in dezelfde zaak, van rechten van dezelfde aard die toebehoren aan verschillende personen, zij het ten belope van een bepaalde breukdeel, zoals volgt uit artikelen 577-2, §§1,2, 3, 4 en 5, evenals 577 bis, §§ 1, 2, 3, 4 en 5, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij wet van 30 juni 1994, van het Burgerlijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek kan weliswaar niemand genoodzaakt worden in onverdeeldheid te blijven; de verdeling kan te allen tijde worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling of overeenkomst. De verdeling bestaat meer bepaald in een bewerking, waarbij de onverdeelde rechten van elke deelgenoot op de volledige actieve massa worden omgevormd in een privatief recht op de hem toebedeelde goederen. Blijkens artikel 577-2, §8, van het Burgerlijk Wetboek (voorheen artikel 577 bis, §8) is de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen aan regels, die bepaald zijn in de titel Erfenissen. Uit artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat in geval van verdeling iedere mede-eigenaar wordt geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die hem werden toebedeeld bij de akte van deling en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad. De verdeling is declaratief van aard. Anders gezegd, de verdeling heeft geen eigendomsoverdragend, doch een eigendomsaanwijzend karakter. Bovendien maakt zij met terugwerkende kracht een einde aan de onverdeeldheid bestaande tussen de verschillende mede-eigenaars met betrekking tot de rechten die zij in de kwestieuze goederen bezaten. Besluit Waar een akte van deling, te dezen de akte van 14 april 1975, uit kracht van wet inhoudt dat de vroegere mede-eigenaars met terugwerkende kracht, dit is vanaf het tijdstip waarop de onverdeeldheid is ontstaan, geacht worden de exclusieve en privatieve eigendom van de hen toebedeelde goederen te hebben bezeten, kon het hof van beroep, dat zelf vaststelt dat de verweerders destijds als kopers in de bij deze akte verdeelde onroerende goederen onverdeelde rechten hadden verworven, met name bij akte van 13 maart 1963, "ieder voor één/derde paart", en dat de akte van deling van 14 april 1975 enkel aanleiding gaf tot de heffing van registratierechten op een deel van de overdracht, niet wettig beslissen dat de verweerders de kwestieuze percelen, althans in hun totaliteit, eerst op 14 april 1975 hadden verworven, aldus uitspraak doende in miskenning van de rechten die zij als mede-eigenaar reeds voorheen bezaten (schending van de artikelen 544, 577 bis, §§ 1, 2, 3, 4 en 5, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij wet van 30 juni 1994 en 577-2, §§1, 2, 3, 4 en 5, van het Burgerlijk Wetboek) en van de declaratieve werking van de akte van verdeling (schending van artikelen 577 bis, §§ 8, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij wet van 30 juni 1994, 577-2, §8, 815 en 883 van het Burgerlijk Wetboek) en kon het derhalve ook niet wettig beslissen dat met betrekking tot de totaliteit van de goederen als verwervingswaarde de waarde van de goederen op het ogenblik van de akte van deling van 14 april 1975 in acht diende te worden genomen (schending van artikel 35, tweede lid, van het gecoördineerd Decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening). Derde onderdeel Uit artikel 35, tweede lid, van het gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening volgt dat de waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt dient te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, vóór de inwerkingtreding van het plan en anderdeels de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van dat plan. De planschadevergoeding wordt aldus bepaald door de waarde te bepalen op het ogenblik van verwerving en op het ogenblik van het ontstaan van het recht van vergoeding, met dien verstande dat laatstgenoemd bedrag, de restwaarde genoemd, in mindering op eerstgenoemd bedrag dient te wor¬den gebracht. Te dezen stelt het hof van beroep op pagina 15 van het bestreden arrest uitdrukkelijk vast dat het in zijn tussenarrest reeds definitief geoordeeld heeft dat de waarde die het goed had op het ogenblik van de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest, in casu het stedenbouwkundig attest nummer 1 van 24 februari 1983, als restwaarde dient te worden aangenomen. Indien het hof van beroep vervolgens de waarde van het goed bepaalt op datum van verwerving, met name in 1975, en dat bedrag actualiseert volgens de formule bepaald in het decreet, na het te hebben verhoogd met de kosten van verwerving, en ten slotte hiervan slechts 80 pct. weerhoudt, volgt uit de gedane vaststellingen van het bestreden arrest weliswaar niet dat er ook rekening werd gehouden met de restwaarde van het goed op datum van het ontstaan van het recht. Besluit Het hof van beroep dat de vergoeding waarop verweerders aanspraak maakten bepaalt op respectievelijk 30.824,50 euro en 44.222,98 euro, zonder dat de restwaarde in mindering werd gebracht op de verwervingswaarde verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 35, tweede lid, van het gecoördineerd Decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening).
  9. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 37, eerste en derde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende orga¬nisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw; - artikel 35 van het gecoördineerd Decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 19 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Bij het bestreden eindarrest van 27 juni 2006 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen, het tussenarrest van 27 februari 2001 verder uitwerkend, het door de eiser ingestelde hoger beroep "in de hierna bepaalde mate ongegrond" en het door de verweerders ingestelde (impliciet) incidenteel beroep eveneens gegrond, in zoverre het bestreden vonnis de vergoedende intresten slechts vanaf 24 februari 1983 heeft toegekend, en veroordeelt de eiser om aan de eerste en tweede verweerders de som van 30.824,50 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 30 september 1977, en de gerechtelijke intresten te betalen, en aan de derde en vierde verweerders de som van 44.222,98 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 30 september 1977 en de gerechtelijke intresten. Deze beslissing is gestoeld op volgende overwegingen: "Het Gewestplan Turnhout, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 30 september 1977, is het schadeverwekkend feit, vanaf wanneer vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet dienen te worden toegekend. Het bestreden vonnis dient dan ook te worden gewijzigd in zoverre het de vergoedende intresten slechts vanaf 24 februari 1983 toekent en (de verweerders) deze intresten in hun syntheseconclusie na expertise neergelegd op 30 januari 2006 (vorderen) vanaf 30 september
  10. Het (impliciet) incidenteel beroep dient in deze mate te worden toegewezen. De compensatoire intrest strekt tot vergoeding van de schade die de benadeelde lijdt ten gevolge van de vertraging waarmee de aansprakelijke derde de schade heeft vergoed. In zoverre die vertraging te wijten is aan de schuld of de nalatigheid van de benadeelde, heeft deze niet het recht de vergoeding ervan te vorderen, ook al heeft de aansprakelijke derde ten gevolge van die vertraging geen schade geleden (...). Uit het enkel feit dat een procedure meer dan 20 jaar aansleept kan niet worden afgeleid noch besloten dat de oorspronkelijke eisende partijen een fout hebben begaan of nalatig zijn geweest bij het in staat stellen van de zaak. (De eiser) blijft in gebreke in concreto een fout of nalatigheid in hoofde van (de verweerders) te bewijzen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de rentevoet van de vergoedende intresten en/of de duur ervan in de tijd te beperken". Grief Vergoedende intresten zijn intresten die ertoe strekken de schade, volgend uit de vertraging in de uitkering van de schadevergoeding, te vergoeden. Deze intresten kunnen dan ook in geen geval worden toegekend voor periodes die aan het ontstaan van de schade voorafgaan. Bovendien kan er slechts sprake zijn van vertraging in de uitkering van de schadevergoeding voor zover het recht op vergoeding reeds is ontstaan. Overeenkomstig artikel 37, eerste lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, thans artikel 35, eerste lid, van het Decreet op de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, is schadevergoeding verschuldigd wanneer het bouw- of verkavelingsverbod, volgend uit een plan van aanleg dat bindende kracht heeft gekregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding. Uit artikel 37, derde lid, van voornoemde wet, thans artikel 35, vierde lid, van voornoemd decreet, volgt dat het recht op planschadevergoeding ontstaat, ofwel bij overdracht van het goed, ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest. Uit deze bepalingen volgt dat, zelfs zo de minderwaarde vaststaat op datum van de inwerkingtreding van een bindend plan van aanleg, het recht op vergoeding wegens planschade als dusdanig slechts ontstaat nadat één van voornoemde gebeurtenissen zich met betrekking tot het perceel, waarop het bouwverbod slaat, heeft verwezenlijkt. Het is slechts vanaf dat ogenblik dat de overheid, in casu het Vlaams Gewest, gehouden zal zijn tot betaling van een vergoeding. De intresten, verschuldigd wegens het uitblijven van vergoeding, kunnen dan ook ten vroegste verschuldigd zijn vanaf het ogenblik waarop dat recht is ontstaan. Te dezen blijkt uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen dat het recht op vergoeding eerst op 24 februari 1983, datum van afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest, is ontstaan. Het Vlaams Gewest kon dan ook ten vroegste vanaf voornoemd tijdstip tot betaling van een vergoeding worden aangesproken. Bovendien werd in het tussenarrest van 27 februari 2001, zoals overigens door het bestreden arrest zelf herhaald sub.
  11. Retroacten, expliciet de vordering, gestoeld op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, verjaard verklaard, derwijze dat het hof van beroep niet meer vermocht verweerders op die basis vergoedende intresten toe te kennen zonder aldus andermaal uitspraak te doen over een rechtspunt waarover het reeds zijn rechtsmacht had uitgeput. Besluit Waar het hof van beroep in het bestreden arrest op de vergoeding, toegekend ingevolge het bouwverbod, rustend op de aan verweerders toebehorende percelen, vergoedende intresten toekent vanaf 30 september 1977, zijnde de datum waarop het gewestplan Turnhout, waaruit het bouwverbod volgde, werd goedgekeurd bij koninklijk besluit van 30 september 1977, daar waar het negatief stedenbouwkundig attest eerst werd afgeleverd op 24 februari 1983 en het recht op vergoeding derhalve eerst op dat tijdstip is ontstaan, verantwoordt het zijn beslissing desbetreffend niet naar recht (schending van de artikelen 37, eerste en derde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, en 35, eerste en vierde lid, van het gecoördineerd Decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, en voor zoveel als nodig 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Waar het bovendien ter zake toepassing blijkt te maken van artikel 1383 van het Burgerlijk Wetboek, daar waar de vordering gestoeld op die bepaling, bij het tussenarrest van 27 februari 2001 reeds op definitieve wijze werd afgewezen, doet het hof van beroep uitspraak over een rechtspunt waarover het zijn rechtsmacht bij voormeld tussenarrest reeds had uitgeput (schending van de artikelen 19 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel
  12. De verweerders werpen op dat het middel niet-ontvankelijk is omdat het artikel 35 van het gecoördineerde decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening als geschonden aanwijst, terwijl dit artikel werd opgeheven bij artikel 171, eerste lid, van het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en vervolgens op impliciete wijze opnieuw van kracht werd ingevolge artikel 38 van het decreet van 26 april 2000 houdende wijziging van het voormeld decreet van 18 mei 1999 en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  13. Een middel dat schending aanvoert van een wetsartikel dat werd opgeheven, maar nadien terug van kracht wordt, verwijst naar de inmiddels opnieuw van kracht zijnde bepaling. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Middel zelf Tweede onderdeel
  14. Krachtens artikel 35, tweede lid, van het gecoördineerd decreet van 22 oktober 1996, dient, inzake planschadevergoeding, de waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, voor de inwerkingtreding van het plan en anderdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Enkel de waardevermindering voortvloeiend uit dat plan kan in aanmerking komen voor schadevergoeding.
  15. Krachtens artikel 577-2, §8, van het Burgerlijk Wetboek, is de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen aan de regels die bepaald zijn in de titel Erfenissen. Krachtens artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek, wordt iedere mede-erfgenaam geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling ten deel zijn gevallen, en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad.
  16. Uit de samenlezing van de voormelde artikelen volgt dat de akte deling tussen onverdeelde eigenaars declaratief van aard is en niet eigendoms-overdragend.
  17. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerders eigenaars zijn van 2 percelen grond gelegen te Essen-Wildert aan de Schaapsbaan, en dat zij hiervoor een planschadevergoeding vorderen waarvan de omvang ter discussie staat. De appelrechters stellen vast dat de partijen uiteenlopende standpunten hebben omtrent de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, hetzij de aankoopakte van 13 maart 1965 omtrent twee derden van de onverdeelde eigendom, hetzij de akte deling van 14 april
  18. Zij oordelen: - de aankoop van de gronden in 1963 heeft niet als basis gediend voor de heffing van de registratie- en successierechten voor de volle eigendom van de gronden; zoals blijkt uit de verkoopakte van 13 maart 1963 werden de verweerders slechts eigenaar van één derde van de betrokken percelen. De verkoopakte stelde immers dat de kopers een recht (hebben) verworven op het goed "kopende ieder voor één/derde paart"; - als verwervingswaarde dient derhalve te worden weerhouden de waarde van de percelen als bouwgrond op datum van de akte van deling verleden voor notaris W.M. (...) op 14 april 1975, als gevolg waarvan de verweerders uiteindelijk de "volle eigendom d.i. de eigendom over de volledige betrokken percelen" verwierven; - gezien de akte van deling enkel aanleiding heeft gegeven tot de heffing van registratierechten op een deel van de overdracht van de kwestieuze percelen, dient de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de verwerving in acht te worden genomen.
  19. Door aldus voor de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving de datum van de akte deling in aanmerking te nemen, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede middel
  20. Krachtens artikel 35 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, is al naar het geval schadevergoeding verschuldigd door het Vlaamse Gewest, de vereniging van gemeenten of de gemeente, wanneer het bouw- of verkavelingsverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding. Krachtens het derde lid van voormeld artikel, ontstaat het recht op schadevergoeding ofwel bij de overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.
  21. Hieruit volgt dat de rente verschuldigd wegens het uitblijven van de vergoeding ten vroegste verschuldigd is vanaf het ontstaan van voormeld recht op schadevergoeding, onder meer bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.
  22. De appelrechters stellen vast dat het toepasselijke gewestplan vastgesteld werd bij koninklijk besluit van 30 september 1977 en dat op 24 februari 1983 een negatief stedenbouwkundig attest werd afge¬leverd aan de verweerders. Zij oordelen: - het beroepen vonnis dient hervormd in zoverre het de vergoedende interesten slechts vanaf 24 februari 1983 toekent; - de verweerders vorderen de interesten na expertise vanaf 30 september 1977; - dit impliciet incidenteel beroep dient te worden ingewilligd.
  23. Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Overige grieven
  24. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over het bedrag van de planschadevergoeding, de intrest en de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigd arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 31 maart 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080331.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080331.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180104.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.