id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008
Art. 1
Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 Fiche 2 Het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening dient beschouwd te worden als een "wet betreffende de bescherming van het leefmilieu" in de zin van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 nu uit het doel van die wet om niet alleen de aantasting van de natuur te voorkomen, maar ook een leefbare omgeving te verzekeren aan de bevolking, volgt dat een goede ordening van de ruimte deel uitmaakt van het te beschermen leefmilieu in de zin van die wet
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Algemeen (leefmilieu) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvorderingen Vrije woorden: Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening - Wet betreffende de bescherming van het leefmilieu - Definitie Wettelijke bepalingen:
Art. 1
Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 Fiche 3 De rechter die oordeelt dat de voorzitter als stakingsrechter in milieuzaken slechts kan optreden teneinde maatregelen te nemen ter preventie van de uitvoering of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu en de mogelijkheid van afbraak van de in strijd met de bouwvergunning opgetrokken panden zonder meer uitsluit, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht nu artikel 1, tweede lid van de wet van 12 januari 1993 niet verhindert dat de rechter zou bevelen dat uitgevoerde werken ongedaan worden gemaakt als een dergelijk bevel nodig is om verdere schade aan het leefmilieu te voorkomen
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: MILIEURECHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Algemeen (leefmilieu) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvorderingen Vrije woorden: Bescherming van het leefmilieu - Stakingsvordering - Bevoegdheid van de stakingsrechter - Afbraak van onvergunde bouwwerken - Toepassing Wettelijke bepalingen:
Art. 1Fiches 4 - 6 Concl.
adv.-gen. MORTIER, Cass., 31 maart 2008, AR C.07.0157.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: MILIEURECHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Algemeen (leefmilieu) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvorderingen Vrije woorden: Wet betreffende de bescherming van het leefmilieu - Te beschermen leefmilieu - Goede ruimtelijke ordening Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Algemeen (leefmilieu) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvorderingen Vrije woorden: Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening - Wet betreffende de bescherming van het leefmilieu - Definitie Thesaurus CAS: MILIEURECHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Algemeen (leefmilieu) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvorderingen Vrije woorden: Bescherming van het leefmilieu - Stakingsvordering - Bevoegdheid van de stakingsrechter - Afbraak van onvergunde bouwwerken - Toepassing Annotaties Publicaties: N.J.W. - Luc LAVRYSEN; Goede ruimtelijke ordening draagt bij tot bescherming van het leefmilieu. - 2008, 443-448 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0157.N GEMEENTE ZOERSEL, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, gevestigd te 2980 Zoersel, Kasteeldreef 55, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- V.C.,
- S.M., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 november 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 7 maart 2008 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 584, eerste lid, 587, eerste lid, 5°, 587, tweede lid, 602, eerste lid, 2°, 1039, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1 en 3 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu (hierna "wet van 12 januari 1993"); - de artikelen 4, 99, §1, eerste lid, 146, eerste lid, 149, §1, 151 en 160, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna "Stedenbouwdecreet 1999"), genoemd artikel 149, §1, in zijn versies van toepassing zowel vóór als na de wijziging bij decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft; - het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerders gegrond en het incidenteel hoger beroep van de eiseres ongegrond, hervormt het bestreden vonnis, verklaart de vordering van de eiseres tegen de verweerders ongegrond, en verwijst de eiseres in de kosten van beide aanleggen, op volgende gronden: "
- De oorspronkelijke vordering gaat uit van (de eiseres) en strekt ertoe (de verweerders) te veroordelen tot het herstel in de oorspronkelijk staat, binnen de zes maanden, aan het adres van (de verweerders): op perceel sectie I nr 362a door: - afbraak van de betonnen verharding; - verwijdering van het aangevoerde steenpuin; - herstel van het landbouwkarakter door heraanvoer van zwarte grond; - afbraak van de zonder toelating opgerichte garage (5,2 x 11, 6m) en bergplaats voor hooi en stro (29,7 x 12m); - afbraak van een aanvankelijk als bergplaats omschreven gebouw bij een bestaande paardenfokkerij (25 x 40m), maar laatst omschreven als een hangar (50 x 31, 3m); op perceel sectie I nr 363h door: - afbraak van de uitbreiding van de voorziene stal naar 11 x 6m in plaats van 11 x 4m en van een U-vormig gebouw van 10,5 x 11 m; op perceel sectie I nr 3631 door: - afbraak van twee gebouwen voorzien van 10,9 en 3,5m x 8m; en dit tegen verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 euro per begonnen dag dat bovengenoemde inrichtingen en werken niet geheel zijn afgebroken en het puin en het afbreekmateriaal niet geheel is verwijderd van de percelen; en (de verweerders) op te leggen de controle door (de eiseres) te dulden, zonodig met bijstand van de arm der wet en een gerechtsdeurwaarder.
- De eerste rechter verklaart de vordering ontvankelijk en grotendeels gegrond zoals gevorderd met uitzondering van het recht op controle. De eerste rechter oordeelde dat (de eiseres) bepaalde voorwaarden stipuleerde waaraan door (de verweerders) geen gevolg werd gegeven, dat (de eiseres) steeds op haar standpunt gebleven is en er geen machtsmisbruik noch enige schending van het gelijkheidsbeginsel door (de verweerders) aangetoond wordt.
- Het hoger beroep strekt tot de vernietiging van deze beschikking. (De verweerders) laten als grieven gelden: - het huidig gedoogbeleid van de regering is gericht op regularisatie; - het machtsmisbruik van (de eiseres) door op 3 januari 2000 aan te kondigen dat een wijziging in de bestemming naar een dierenkliniek wel mogelijk is; - het gelijkheidsbeginsel daar wel een vergunning verleend werd voor een gelijkaardige dierenkliniek te Mol; - de dwangsom is buiten alle proportie. (De eiseres) streeft de bevestiging na van de bestreden beschikking en stelt inci¬denteel beroep in wat betreft het dulden door (de verweerders) van een controle op hun perceel, alles op kosten van (de verweerders) te vergoeden mits eenvoudige betekening van de facturen van alle uitgestelde kosten via de gerechtsdeurwaarder. Beoordeling
- Aan de hand van de uiteenzetting der partijen en de neergelegde stukken overweegt het (hof van beroep) als volgt: (De eiseres) steunt haar vordering initieel op de wet van 12 januari 1993 en, voor zover nodig, op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Overeenkomstig de wet van 12 januari 1993 (B.S. 19 februari 1993) betreffende een Vorderingsrecht inzake bescherming van het Leefmilieu (verder: Wet Vorderingsrecht Leefmilieu) kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de staking bevelen van handelingen die een kennelijke inbreuk of minstens een ernstige dreiging vormen voor een inbreuk op het `recht op het milieu'. Het artikel 587 van het Gerechtelijk Wetboek geeft hem uitdrukkelijk deze bevoegdheid. Artikel 1 van de Wet Vorderingsrecht Leefmilieu bepaalt dat: ‘Onverminderd de bevoegdheid van andere rechtscolleges op basis van andere wetsbepalingen, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van de procureur des Konings, van een administratieve overheid of van een rechtspersoon zoals omschreven in artikel 2, het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ern¬stige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu. Hij kan de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. Voor elk debat over de grond van de zaak moet een verzoeningspoging plaatshebben. De voorzitter kan aan de overtreder een termijn toestaan om aan de opgelegde maatregelen te voldoen'. (...) De vordering gesteund op de Wet Vorderingsrecht Leefmilieu die strekt tot de vaststelling van een bouwinbreuk door (de verweerders), tot de staking van de handeling, tot het verbod om verder te werken en tot het opleggen van een dwangsom, kan onder meer uitgaan van een administratieve overheid. Uit de ruime begripsomschrijving van elke administratieve overheid wordt afgeleid dat iedere overheid wiens beslissing voorwerp kan uitmaken van een vernietigingsberoep, de vordering kan instellen. (De eiseres), vertegenwoordigd door het College van burgemeester en schepenen, is zo een administratieve overheid in de zin van artikel 1 van bovengenoemde Wet en heeft dus de hoedanigheid om een stakingsvordering in te stellen telkens als er een kennelijke overtreding wordt begaan en of er een ernstige dreiging bestaat voor een schending van het milieurecht. (...) De aanvraag voor het bouwen op het perceel en voor een uitbatingvergunning van een paardenfokkerij voor 20 rijpaarden is reeds meermaals ongunstig geadviseerd geworden, evenals de regularisatie aanvraag die door de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen op 7 mei 1997 en door de Minister op 27 januari 1998 geweigerd werd. In reactie deden (de verweerders) een aanvraag tot bestemmingswijziging die door de gemeente op 3 januari 2000 gunstig onthaald werd, mits de bestaande gebouwen afgebroken worden met uitzondering van de ruimte nodig voor het inrichten van een dierenartspraktijk en voor zover die vooraan zou worden ingeplant. Op 10 mei 2001 en op 25 augustus 2002 wordt door de architect S. C. voor (de verweerders) een aanvraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2 met het oog op de regularisatie en de verbouwing van de bestaande loods ingediend, die echter telkens door de gemeente negatief geadviseerd werden vermits niet in overeenstemming met de gemaakte afspraken. In zitting van het schepencollege van 8 september 2002 werd alsdan de beslissing genomen te dagvaarden in herstel en staking met het doel een einde te maken aan de stedenbouwinbreuken en afbraak en herstel te zien bevelen met oplegging van een dwangsom. Als stakingsrechter in milieuzaken kan door de voorzitter maar opgetreden worden ten einde maatregelen te nemen ter preventie van de uitvoering of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. De mogelijkheid om de afbraak te beve¬len van de in strijd met de bouwvergunning opgetrokken panden is hem evenwel niet toegekend. De staking is veeleer een administratieve maatregel die getrof¬fen wordt in afwachting van een beslissing ten gronde over de regelmatigheid van de stilgelegde werken en handelingen. Het voorwerp van de vordering is de afbraak te bevelen van wederrechtelijk opgetrokken gebouwen in overtreding met het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie ruimtelijke ordening (verder: DORO) (B.S. 8 juni 1999). Voor zover deze inbreuken op het decreet DORO zelf geen overtreding uitmaken van de milieureglementering, dient de vordering van de gemeente Zoersel ongegrond te worden verklaard. Een vordering tot staking in aangelegenheden van ruimtelijke ordening en stedenbouw kan enkel indien de aangevochten overtreding van het decreet DORO ook een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt op een bepaling van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten inzake de bescherming van het leefmilieu. Wat de vordering betreft tot de afbraak van gebouwen en verharding, de verwijdering van steenpuin en het herstel van het landbouwkarakter kan niet worden gesproken van een inbreuk op de milieuwetgeving, zodat de stakingsvordering eigenlijk neerkomt op een stedenbouwkundige herstelvordering, die op een ge¬ëigende wijze kan en moet worden ingesteld. In het geval van herstelmaatregelen voorziet artikel 151 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, voor zover het openbaar ministerie de ingestelde strafvordering conform artikel 149, §1, de strafzaak geseponeerd heeft, in een mogelijkheid voor het college van burge¬meester en schepen om voor de burgerlijke rechtbank een herstelmaatregel te vorderen. Verder vereist artikel 160, 1ste lid, DORO dat het exploot tot inleiding van het geding eerst ingeschreven wordt op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging. De kortgeding rechter is bovendien niet bevoegd om schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Deze grond wordt trouwens niet verder uitgewerkt door (de eiseres) in hoger beroep, zodat dan ook op dit middel niet verder dient ingegaan te worden" (arrest pp. 2-8). Grieven Eerste onderdeel De rechter die zijn beslissing grondt op een middel dat door de partijen niet is aangevoerd, zonder hun de gelegenheid te geven daarover verweer te voeren, miskent het recht van verdediging. De verweerster betwistte voor de appelrechters in conclusie de door de eiseres, op basis van de wet van 12 januari 1993, gevorderde afbraak en herstel, alsook de beslissing van de eerste rechter waarbij eiseres' vordering werd ingewilligd, op grond van het verweer - dat de gebouwen door de overheid al jaren worden gedoogd sinds 1983 en dat de vordering in afbraak thans na 20 jaar niet in evenredigheid is met de reeds lang gedogen overtredingen; - dat de eiseres machtsmisbruik pleegt door de gevraagde wijziging van de bestemming naar een dierenartsenpraktijk aan zulke voorwaarden te onderwerpen dat ze eigenlijk een dierenkliniek weigert op haar grondgebied; - dat de eiseres het gelijkheidsbeginsel miskent nu de gemeente Mol in gelijkaardige omstandigheden wel een vergunning toekende aan een veearts voor een paardenkliniek bestaande uit een aantal stallingen, onderzoeksruimte en geslo¬ten hal, en dat de eiseres dan ook haar voorwaarden dient te wijzigen zodat een paardenkliniek op haar grondgebied kan uitgebaat worden; - dat de gevorderde dwangsom volledig buiten proportie is (arrest p. 3, sub 3; appelverzoekschrift verweerders, pp. 2-6, sub I tot IV; beroepsbesluiten verweerders pp. 2-7, sub I tot IV; "hernemende en aanvullende" beroepsbesluiten verweerders, pp. 4-8, sub 11.1 rot II.4). Naast het voornoemde verweer betwistten de verweerders geenszins de gegrondheid van eiseres' vordering, en betwistten zij inzonderheid geenszins dat de door de eiseres aangevoerde inbreuken ter staving van haar vordering tot afbraak, verwijdering en herstel, als inbreuken op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu dienden te worden beschouwd in de zin van artikel 1, lid 1, van de wet van 12 januari
- Door derhalve te oordelen dat wat betreft eiseres' vordering tot afbraak, verwijdering en herstel, op de percelen sectie I, nrs. 362a, 363h en 3631, zoals omschreven in het arrest (p. 2 en 3, sub 1) en hier uitdrukkelijk hernomen, "niet (kan) worden gesproken van een inbreuk op de milieuwetgeving", grondt het bestreden arrest zijn beslissing tot afwijzing van eiseres' vordering op een middel dat door de verweerders niet is aangevoerd, zonder de eiseres de gelegenheid te geven daarover verweer te voeren, zodat het eiseres' recht van verdediging miskent (schending van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging). Voor zover er zou dienen te worden aangenomen dat de redengeving van het bestreden arrest toelaat aan te nemen dat het eiseres' vordering niet, of minstens niet alleen verwerpt om reden dat het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening niet kan worden beschouwd als wetgeving betreffende de bescherming van het leefmilieu, in de zin van artikel 1, lid 1, van de wet van 12 januari 1993, maar wel, of minstens ook, om reden dat de aangevoerde inbreuken op het Stedenbouwdecreet 1999 geen "kennelijke" inbreuken zijn, in de zin van artikel 1, lid 1, van de wet van 12 januari 1993, op het Stedenbouwdecreet 1999, quod non, miskent het bestreden arrest eveneens eiseres' recht van verdediging. Naast het hiervoor toegelichte verweer betwistten de verweerders geenszins de gegrondheid van eiseres' vordering, en betwistten zij derhalve ook geenszins dat de door de eiseres aangevoerde inbreuken ter staving van haar vordering tot afbraak, verwijdering en herstel, als "kennelijke" inbreuken op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu dienden te worden beschouwd in de zin van artikel 1, lid 1, van de wet van 12 januari
- In zoverre het bestreden arrest eiseres' vordering afwijst of minstens ook afwijst, op grond van het ambtshalve opgeworpen middel dat geen "kennelijke" inbreuk voorhanden is, quod non, zonder de eiseres in de gelegenheid terzake verweer te voeren, miskent het derhalve eveneens het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Tweede onderdeel
- Luidens artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu. Uit het doel van de wet van 12 januari 1993 niet alleen de aantasting van de natuur te voorkomen maar ook een leefbare omgeving te verzekeren aan de bevolking, volgt dat een goede ordening van de ruimte deel uitmaakt van het te beschermen leefmilieu in de zin van die wet. Krachtens artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, is de ruimtelijke ordening gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden, worden daarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen, wordt er rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, en wordt op deze manier gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit. De bepalingen van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en inzonderheid het voorschrift van artikel 99, §1, eerste lid, van dit decreet dat een vergunningsplicht oplegt voor het bouwen, op een grond één of meer vaste inrichtingen plaatsen, een bestaande vaste inrichting of bestaand bouwwerk afbreken, herbouwen, verbouwen of uitbreiden, en het voorschrift van artikel 146, eerste lid, van hetzelfde decreet dat werken zonder voorafgaande vergunning of in strijd met de vergunning strafbaar stelt, beogen beide een goede ordening van de ruimte, en maken derhalve deel uit van het te beschermen leefmilieu in de zin van artikel 1, lid 1, van de wet van 12 januari
- Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest dat de eiseres aan de verweerders inbreuken verweet op de wetgeving inzake ruimtelijke ordening, met name inbreuken op het Stedenbouwdecreet van 18 mei 1999 wegens wederrechtelijk, zonder vergunning, opgetrokken gebouwen. Door te oordelen dat voor wat betreft eiseres' vordering tot afbraak, verwijdering en herstel, op de percelen sectie I, nrs. 362a, 363h en 363I, zoals omschreven in het arrest (p. 2 en 3, sub 1) en hier uitdrukkelijk hernomen, en gesteund op de wet van 12 januari 1993, "niet (kan) worden gesproken van een inbreuk op de milieuwetgeving" in de zin van artikel 1, lid 1, van de wet van 12 januari 1993, en aldus het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en inzonderheid de vergunningsplicht opgelegd door artikel 99, §1, eerste lid, van dit decreet en gesanctioneerd bij artikel 146, eerste lid, van hetzelfde decreet, niet te beschouwen als een decreet of een bepaling van een decreet "betreffende de bescherming van het leefmilieu" in de zin van artikel 1, lid 1, van de wet van 12 januari 1993, schendt het bestreden arrest artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993, en de artikelen 4, 99, §1, eerste lid, en 146, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, kon het dienvolgens niet wettig eiseres' vordering tot afbraak, verwijdering en herstel, afwijzen (schending van dezelfde bepalingen), en kon het evenmin wettig oordelen dat de stakingsvordering neerkomt op een stedenbouwkundige herstelvordering (schending van dezelfde wetsbepalingen alsook artikel 149, §1, in zijn versies van toepassing zowel vóór als na de wijziging bij decreet van 4 juni 2003, en de artikelen 151 en 160, eerste lid, van het Stedenbouwdecreet van 1999). Derde onderdeel Voor zover er zou dienen te worden aangenomen dat de redengeving van het arrest toelaat aan te nemen dat de afwijzing van eiseres' vordering tot afbraak, verwijdering en herstel, om reden dat "niet kan worden gesproken van een inbreuk op milieuwetgeving", niet betekent dat het Stedenbouwdecreet geen wetgeving zou zijn betreffende de bescherming van het leefmilieu in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993, maar wel dat te dezen geen "kennelijke" inbreuk of "ernstige dreiging" van "kennelijk" inbreuk voorhanden is, in de zin van dezelfde wetsbepaling, is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed. Het bestreden arrest neemt in deze lezing aan dat er te dezen een inbreuk is op het Stedenbouwdecreet van 1999 wegens wederrechtelijk opgetrokken gebouwen of sluit minstens niet uit dat er een inbreuk op het Stedenbouwdecreet van 1999 voorhanden is en legt niet nader uit hoe en waardoor die inbreuk niet "kennelijk" is of hoe en waardoor er geen "ernstige dreiging" op een "kennelijke" inbreuk voorhanden zou zijn. Door aldus na te laten de redenen van zijn beslissing aan te geven is het hof van beroep aan zijn motiveringsverplichting tekort gekomen en is het bestreden arrest derhalve niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Minstens stelt het hof van beroep aldus het Hof in de onmogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht op de beslissing uit te oefenen (schending van het artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Vierde onderdeel Voor zover er zou dienen te worden aangenomen dat de redengeving van het bestreden arrest toelaat aan te nemen dat het de op de wet van 12 januari 1993 gesteunde vordering van de eiseres tot afbraak, verwijdering en herstel, niet, of minstens niet alleen verwerpt om reden dat "niet kan worden gesproken van een inbreuk op milieuwetgeving", doch (tevens) op de overwegingen "(dat) als stakingsrechter in milieuzaken door de voorzitter maar (kan) opgetreden worden ten einde maatregelen te nemen ter preventie van de uitvoering of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu (en) de mogelijkheid om de afbraak te bevelen van de in strijd met de bouwvergunning opgetrokken panden hem evenwel niet (is) toegekend (en) de staking veeleer een administratieve maatregel (is) die getroffen wordt in afwachting van een beslissing ten gronde over de regelmatigheid van de stilgelegde werken en handelingen", quod non, is de beslissing tot afwijzing van eiseres' vordering evenmin naar recht verantwoord. Naar luid van artikel 1, tweede lid, van de wet van 12 januari 1993 kan de rechter de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. Die bepaling verhindert niet dat de rechter zou bevelen dat uitgevoerde werken ongedaan worden gemaakt als een dergelijk bevel nodig is om verdere schade aan het leefmilieu te voorkomen. Het bestreden arrest kon dienvolgens niet wettig zondermeer oordelen dat "de mogelijkheid om de afbraak te bevelen van de in strijd met de bouwvergunning opgetrokken panden", niet aan de voorzitter is toegekend (schending van artikel 1, tweede lid, van de wet van 12 januari 1993). In zoverre het bestreden arrest zondermeer oordeelt dat de stakingsrechter niet de mogelijkheid heeft om de afbraak te bevelen van in strijd met een bouwvergunning opgetrokken panden, miskent het derhalve artikel 1, tweede lid, van de wet van 12 januari 1993, en kon het dienvolgens niet wettig eisers vordering op die grond verwerpen (schending van dezelfde wetsbepaling). Bovendien doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, krachtens artikel 587, eerste lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, uitspraak over de vorderingen ingesteld overeenkomstig de wet van 12 januari
- Luidens artikel 587, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden, behoudens andersluidende wetsbepalingen, de vorderingen bedoeld in het eerste lid ingesteld en behandeld naar de vormen van het kortgeding. Artikel 3, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 bepaalt dat de vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1038, 1040 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de inleiding en de behandeling van de vordering in staking in milieuzaken op grond van de wet van 12 januari 1993 geldt derhalve de rechtspleging van het kort geding. De door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op grond van de wet van 12 januari 1993 genomen beschikking, en het door het hof van beroep, oordelend krachtens artikel 602, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, over het hoger beroep tegen deze uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zijn echter geen beslissingen "in kort geding", die overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en artikel 1039, eerste lid, van hetzelfde wetboek "bij voorraad" zijn genomen en "geen nadeel (toebrengen) aan de zaak zelf". Ze zijn wel beslissingen waarbij de voorzitter, en het hof van beroep in graad van beroep, zich ten gronde dienen uit te spreken over de rechten van partijen, wat bovendien bevestigd wordt door artikel 3, vijfde en zesde lid, van de wet van 12 januari 1993, naar luid waarvan de stakingsrechter in milieuzaken over de vordering uitspraak doet niettegenstaande enige strafvervolging uitgeoefend wegens dezelfde feiten, en de uitspraak over de strafvordering die betrekking heeft op feiten waartegen een vordering tot staking is ingesteld, wordt uitgesteld totdat inzake de vordering tot staking een beslissing is gewezen die in kracht van gewijsde is gegaan. Het bestreden arrest kon dienvolgens niet wettig oordelen dat "de staking veeleer een administratieve maatregel (is) die getroffen wordt in afwachting van een beslissing ten gronde over de regelmatigheid van de stilgelegde werken en handelingen" (schending van de artikelen 584, eerste lid, 587, eerste lid, 5°, 587, tweede lid, 602, eerste lid, 2°, 1039, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 3, eerste, vijfde en zesde lid, van de wet van 12 januari 1993). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu.
- Uit het doel van die wet om niet alleen de aantasting van de natuur te voorkomen, maar ook een leefbare omgeving te verzekeren aan de bevolking, volgt dat een goede ordening van de ruimte deel uitmaakt van het te beschermen leefmilieu in de zin van die wet. Het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening dient aldus beschouwd te worden als een "wet betreffende de bescherming van het leefmilieu" in de zin van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu.
- Na vastgesteld te hebben dat de vordering beoogt de afbraak te bevelen van wederrechtelijk opgetrokken gebouwen in overtreding met voormeld decreet van 18 mei 1999, oordelen de appelrechters: - voor zover de inbreuken op het decreet zelf geen overtreding uitmaken van de milieureglementering, dient de vordering van de eiseres ongegrond te worden verklaard; - een vordering tot staking in aangelegenheden van ruimtelijke ordening en stedenbouw kan enkel indien de aangevochten overtreding van het decreet ook een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt op een bepaling inzake de bescherming van het leefmilieu; - wat de vordering betreft tot afbraak van gebouwen en verharding, de verwijdering van steenpuin en het herstel van het landbouwkarakter, kan niet worden gesproken van een inbreuk op de milieuwetgeving. Door aldus op grond van die redenen zonder meer de inbreuken inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw uit het toepassingsveld van de wet van 2 januari 1993 uit te sluiten schenden de appelrechters de in het onderdeel aangehaalde wetsbepaling. Het onderdeel is gegrond. Vierde onderdeel
- Krachtens artikel 1, tweede lid, van voormelde wet van 12 januari 1993, kan de rechter de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. Die bepaling verhindert niet dat de rechter zou bevelen dat uitgevoerde werken ongedaan worden gemaakt als een dergelijk bevel nodig is om verdere schade aan het leefmilieu te voorkomen.
- De appelrechters die oordelen dat de voorzitter als stakingsrechter in milieuzaken slechts kan optreden teneinde maatregelen te nemen ter preventie van de uitvoering of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu en de mogelijkheid van afbraak van de in strijd met de bouwvergunning opgetrokken panden zonder meer uitsluiten, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 31 maart 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080331.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080331.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160609.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div