← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.2 Rolnummer: P.07.0631.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht - Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Internationaal publiekrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-25 Raadplegingen: 805 - laatst gezien 2026-07-03 09:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De retroactiviteitsregel zoals bedoeld in artikel 15.1 IVBPR en artikel 2, tweede lid, Sw. heeft enkel tot gevolg dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit die nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dat feit is gewijzigd

(1); het feit dat artikel 77 van de Vreemdelingenwet in zijn huidige versie van toepassing is op de hulpverlening bij illegale binnenkomst,doorgang en verblijf van personen die geen onderdanen zijn van een lidstaat van de Europese Unie, is slechts een precisering van de draagwijdte van de strafbaarheid van dit feit en heeft het strafbare karakter van die hulpverlening niet veranderd en de bestanddelen van het misdrijf niet gewijzigd of ingeperkt.
(1)Zie Cass., 26 feb. 2002, AR P.00.1034.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020226.33, A.C., 2002, nr. 129. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Cumulatie STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Eendaadse samenloop SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Verdrag van New York 19 december 1966 -Burgerlijke en politieke rechten (VN) Vrije woorden: Strafrecht - Gewijzigde wetsbepaling - Toepassing op misdrijven onder oude wet gepleegd - Artikel 2, tweede lid, Strafwetboek Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Cumulatie STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Eendaadse samenloop SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Verdrag van New York 19 december 1966 -Burgerlijke en politieke rechten (VN) Vrije woorden: Artikel 15.1 - Strafrecht - Gewijzigde wetsbepaling - Toepassing op misdrijven onder oude wet gepleegd Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Cumulatie STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Eendaadse samenloop SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Verdrag van New York 19 december 1966 -Burgerlijke en politieke rechten (VN) Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Artikel 77 - Hulpverlening bij illegale immigratie van personen - Gewijzigde wetsbepaling - Toepassing op misdrijven onder oude wet gepleegd Fiches 4 - 5 De regel dat bij samenloop van misdrijven die strafbaar zijn met een geldboete die zoveel maal wordt toegepast als er werknemers bij het misdrijf betrokken zijn, deze geldboete zoveel maal wordt toegepast als het totaal aantal werknemers dat erbij betrokken is, kan alleen maar worden toegepast voor zover de onderscheiden feiten gelijkaardig zijn, met dezelfde misdrijfomschrijving, en alle strafbaar gesteld zijn door dezelfde wettelijke bepaling
(1); de appelrechters die aldus met toepassing van artikel 65,eerste lid, van het Strafwetboek en op grond van artikel 12,1°,a), van de Buitenlandse Arbeidskrachtenwet een enige geldboete opleggen, houden naar recht rekening met het totaal van het bij het geheel van die vermengde feiten betrokken werknemers.
(1)Zie Cass., 20 juni 1979, A.C., 1978-79,
  1. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Cumulatie STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Eendaadse samenloop SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Verdrag van New York 19 december 1966 -Burgerlijke en politieke rechten (VN) Vrije woorden: Eendaadse samenloop - Buitenlandse Arbeidskrachtenwet - Misdrijven strafbaar met een geldboete zoveel maal als er werknemers bij betrokken zijn - Artikel 65, Strafwetboek - Zwaarste straf Thesaurus CAS: ARBEID - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Cumulatie STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Eendaadse samenloop SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Verdrag van New York 19 december 1966 -Burgerlijke en politieke rechten (VN) Vrije woorden: Buitenlandse Arbeidskrachtenwet - Misdrijven strafbaar met een geldboete zoveel maal als er werknemers bij betrokken zijn - Eendaadse samenloop - Artikel 65, Strafwetboek - Zwaarste straf Fiches 6 - 7 De opdrachtgever die personen onder zijn juridisch gezag arbeidsprestaties laat verrichten is werkgever van de betrokken personen. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Cumulatie STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Eendaadse samenloop SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Verdrag van New York 19 december 1966 -Burgerlijke en politieke rechten (VN) Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Buitenlandse Arbeidskrachtenwet - Werkgever Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt. 2 en 3 Wet - 30-04-1999 - Art. 3, eerste en tweede lid Wet - 12-04-1965 - Art. 1 Wet - 27-06-1969 - Art. 1, § 1 Thesaurus CAS: ARBEID - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Cumulatie STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Eendaadse samenloop SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Verdrag van New York 19 december 1966 -Burgerlijke en politieke rechten (VN) Vrije woorden: Sociaal strafrecht - Buitenlandse Arbeidskrachtenwet - Werkgever Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt. 2 en 3 Wet - 30-04-1999 - Art. 3, eerste en tweede lid Koninklijk Besluit - 12-04-1965 - Art. 1 Wet - 27-06-1969 - Art. 1, § 1 Fiches 8 - 9 De bij artikel 35 ,§ 1,vijfde lid, van de R.S.Z.-Wet bedoelde ambtshalve veroordeling tot betaling van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen wordt steeds opgelegd aan diegene die volgens de regels van het burgerlijk recht of van het arbeidsrecht als werkgever kan worden gekwalificeerd, ongeacht of deze zelf dan wel zijn aangestelde of lasthebber de inbreuk heeft gepleegd; zoals de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever voor de boeten en de kosten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers worden veroordeeld, is dit een afwijking van het rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straffen. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Cumulatie STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Eendaadse samenloop SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Verdrag van New York 19 december 1966 -Burgerlijke en politieke rechten (VN) Vrije woorden: R.S.Z.-Wet - Ambtshalve veroordeling tot betaling van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen - Werkgever Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - Artt. 35, § 1, eerste lid, 1°, derde, vierde en 5e lid en 37 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Cumulatie STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Eendaadse samenloop SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Verdrag van New York 19 december 1966 -Burgerlijke en politieke rechten (VN) Vrije woorden: R.S.Z.-Wet - Ambtshalve veroordeling tot betaling van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen - Werkgever Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - Artt. 35, § 1, eerste lid, 1°, derde, vierde en 5e lid en 37 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0631.N I. H M J M M, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Bart Spriet en mr. Karolien Van de Moer, advocaten bij de balie te Turnhout. II. L A J M, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie en met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel. III. MEYBAMA BEHEER bv, met zetel te 3630 Maasmechelen, Layensweg 20, beklaagde en civielrechtelijk aansprakelijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie en met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 28 maart 2007 van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht vier middelen aan. De eisers II en III voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht vier middelen aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Dictum Eerste middel in zijn geheel van de eiser I
  2. Het middel voert schending aan van artikel 15.1 IVBPR, artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, artikel 77 Vreemdelingenwet en artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het toetreden van Polen en Roemenië tot de Europese Unie de strafbaarheid niet wegneemt van de vóór die toetreding verleende hulp of bijstand bij het onwettig binnenkomen of verblijven in het Rijk van Poolse of Roemeense werknemers.
  3. De retroactiviteitsregel zoals bedoeld in artikel 15.1 IVBPR en artikel 2, tweede lid, Strafwetboek heeft enkel tot gevolg dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit die nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dat feit is gewijzigd.
  4. Anders dan het middel aanvoert, heeft de vervanging van artikel 77 Vreemdelingenwet bij artikel 25 van de wet van 10 augustus 2005, in werking getreden op 12 september 2005, het strafbare karakter van de hulpverlening bij illegale immigratie van personen niet veranderd en de bestanddelen van het misdrijf niet gewijzigd of ingeperkt.
  5. Het feit dat artikel 77 Vreemdelingenwet in zijn huidige versie enkel van toepassing is op de hulpverlening bij illegale binnenkomst, doorgang en verblijf van personen die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, is slechts een precisering van de draagwijdte van de strafbaarheid van dit feit, gelet op het recht op vrij verkeer dat het EU-verdrag aan de onderdanen van de lidstaten waarborgt.
  6. Anders dan het middel aanvoert is ook volgens de nieuwe bepaling van artikel 77 Vreemdelingenwet, de hulpverlening bij illegale binnenkomst, doorgang en verblijf van Roemeense onderdanen, onverkort strafbaar tot de effectieve toetreding van Roemenië als lid van de Europese Unie op 1 januari
  7. Ook de omstandigheid dat Polen op 1 mei 2004 effectief als lidstaat tot de Europese Unie is toegetreden, doet hieraan geen afbreuk. Het middel faalt naar recht. Tweede middel van de eiser I Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 63 en 65 Strafwetboek en van de artikelen 12, 1°, 14 en 17 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (hierna: Wet Buitenlandse Arbeidskrachten): bij toepassing van deze bepalingen kon het bestreden arrest de eiser niet wettig veroordelen tot een geldboete vermenigvuldigd met de factor
  9. Wanneer de strafrechter aan wie gelijktijdig verschillende misdrijven worden voorgelegd, oordeelt dat deze de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, mag hij overeenkomstig artikel 65, eerste lid, Strafwetboek daarvoor slechts één straf, namelijk de zwaarste, uitspreken.
  10. Bij samenloop van misdrijven die strafbaar zijn met een geldboete die zoveel maal wordt toegepast als er werknemers bij het misdrijf betrokken zijn, wordt de geldboete zoveel maal toegepast als het totaal aantal werknemers dat bij die misdrijven betrokken is. Deze regel kan alleen maar toegepast worden voor zover de onderscheiden feiten gelijkaardig zijn, met dezelfde misdrijfomschrijving, en alle strafbaar zijn gesteld door dezelfde wettelijke bepaling.
  11. Het arrest veroordeelt de eiser, met toepassing van artikel 65 Strafwetboek, wegens het geheel van de bewezen verklaarde feiten van de telastleggingen tot één enkele straf, inzonderheid een hoofdgevangenisstraf van 12 maanden en een geldboete van 7.000 frank, vermenigvuldigd met een factor 149, omgezet in euro en vermeerderd met opdeciemen, in totaal 2.585.529,40 euro. Daarin zijn begrepen feiten van illegale tewerkstelling van buitenlandse werknemers vastgesteld op drie onderscheiden tijdstippen. Daarbij zijn respectievelijk 7 (feiten III.C.1 en 2, zaak I), 114 (feiten III.E, zaak I) en 28 (feiten I.C, zaak III) werknemers betrokken.
  12. Bij vergelijking is de zwaarste straf, zoals bedoeld in artikel 65 Strafwetboek, deze bepaald in artikel 12, 1°, a), Wet Buitenlandse Arbeidskrachten.
  13. De feiten III.C.1 en 2, en III.E, in de zaak I en I.C in de zaak III zijn gelijkaardig, met dezelfde misdrijfomschrijving, en zijn alle strafbaar gesteld door artikel 12, 1°, a), Wet Buitenlandse Arbeidskrachten.
  14. De appelrechters die aldus met toepassing van artikel 65 Strafwetboek en op grond van artikel 12, 1°, a), Wet Buitenlandse Arbeidskrachten, een enige geldboete opleggen, houden naar recht rekening met het totaal
(149)van de bij het geheel van die vermengde feiten betrokken werknemers. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  1. Uit het geheel van de redenen van het arrest (bladzijde 5, betichting II, A, 1 tot en met 91, bladzijde 37, randnumer 6, bladzijde 59, randnummer 33 en bladzijde 74) volgt dat de appelrechters, wat de telastlegging III.E (zoals herschikt) in de zaak I ten laste van de eiser betreft, na aanpassing van de datumbepaling (bladzijde 41) van de feiten als gepleegd zijnde "op niet nader bepaalde data tussen 1 juli 1999 en 12 oktober 2000", verwijzen naar de namen vermeld in de telastlegging van de zaak I, sub II, A.1 tot en met 82, die, na correctie en weglating van drie namen (arrest, bladzijden 37 tot en met 40, nummers 30 en 77 van de lijst), uiteindelijk betrekking hebben op 114 Poolse en Roemeense werknemers. Die verschrijving kan niet tot cassatie leiden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I Het middel voert schending aan van de artikelen 12 en 14 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering.
  2. Anders dan het middel aanvoert verwijzen de appelrechters met de aanwijzing "deels een inbreuk op en strafbaar gesteld door" (arrest, bladzijde 45), niet slechts gedeeltelijk naar de strafwet, maar wel naar het gedeelte van de feiten van de oorspronkelijke telastleggingen III. C. 1 en 2, zaak I (arrest, bladzijde 14) dat zij, na precisering van het aantal betrokken werknemers (arrest, bladzijde 41), aanhouden. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel van de eiser I Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 12, 1°, a), Wet Buitenlandse Arbeidskrachten, artikel 35, 1°, RSZ-wet, artikel 42, 1°, Loonbeschermingswet en artikel 11, § 3, Sociale Documentenwet: door de uitbater van de scheepswerf als werkgever te beschouwen op grond van het gegeven dat hij taken geeft aan de scheepsbouwers en juridisch gezag over hen uitoefent, geven de appelrechters een onjuiste betekenis aan het begrip "werkgever" uit het sociaal strafrecht.
  4. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters de eiser I als de feitelijke werkgever van de scheepsbouwers beschouwen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het aldus feitelijke grondslag.
  5. Krachtens de artikelen 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt, tegen loon, onder het gezag van een werkgever arbeid te verrichten. Het verrichten van arbeid onder het gezag van de werkgever is een essentieel element van de arbeidsovereenkomst. Die voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding houdt een juridische afhankelijkheid in.
  6. Krachtens artikel 3, eerste lid, Wet Buitenlandse Arbeidskrachten is deze wet van toepassing op de buitenlandse werknemers en op de werkgevers. Krachtens artikel 3, tweede lid, worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld: "1° met buitenlandse werknemers: de buitenlandse onderdanen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon; 2° met werkgevers: de personen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen."
  7. Artikel 1 Loonbeschermingswet en artikel 1 Sociale Documentenwet hebben dezelfde en artikel 1, § 1, RSZ-wet heeft een gelijkaardige draagwijdte als artikel 3 Wet Buitenlandse Arbeidskrachten.
  8. Uit de voormelde bepalingen volgt dat de opdrachtgever die personen onder zijn juridisch gezag arbeidsprestaties laat verrichten, werkgever is van de betrokken personen in de zin van artikel 12, 1°, a), Wet Buitenlandse Arbeidskrachten en de andere in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen. In zoverre het onderdeel op een andere rechtsopvatting berust, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest beantwoordt eisers verweer niet dat hij op geen enkele wijze betrokken was bij de concrete uitwerking van zijn extern gegeven advies over de tweevoudige legale mogelijkheid tot samenwerking met Poolse scheepsbouwers en met het personeelsbeleid op de scheepswerf Sint-Barbara.
  10. Met het geheel van de redenen die het arrest vermeldt met betrekking tot de eiser, verwerpen de appelrechters eisers verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eisers II en III
  11. Het middel is hetzelfde als het eerste middel van de eiser I.
  12. Om dezelfde redenen als hiervoor vermeld, faalt het naar recht. Tweede middel van de eisers II en III
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 63 en 65 Strafwetboek en van de artikelen 4, § 1, 12,1°, a), 14 en 16 Wet Buitenlandse Arbeidskrachten: het arrest vermenigvuldigt onwettig de wegens onderscheiden sociaalrechtelijke misdrijven opgelegde enige geldboete, met de factor 170, dit is het totaal van de bij al die misdrijven betrokken werknemers.
  14. Uit het antwoord op het gelijkluidende tweede middel, eerste onderdeel van de eiser I volgt dat de beslissing waarbij de appelrechters ten laste van de eiser een geldboete uitspreken van 7.000 frank, vermenigvuldigd met een factor 170, omgezet in euro en vermeerderd met opdeciemen, in het totaal 2.949.932,90 euro, naar recht verantwoord is. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eisers II en III
  15. Het middel voert schending aan van de artikelen 35, § 1, derde en vijfde lid, en 42, eerste en vierde lid, van de RSZ-wet en voor zoveel als nodig van de artikelen 35, tweede en vierde lid en 42, eerste en derde lid, RSZ-wet, vóór de wijziging bij Programmawet van 27 december 2005, artikel 34, vierde lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de vermelde RSZ-wet, artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 2244 Burgerlijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiseres onterecht ambtshalve tot betaling van de niet-gestorte socialezekerheidsbijdragen voor het vierde kwartaal 2001, vermeerderd met de bijdrageopslagen en verwijlintrest, en tot driemaal de ontdoken bijdragen, terwijl deze bijdragen op het ogenblik van de uitspraak van het arrest niet meer verschuldigd waren wegens verjaring.
  16. Het middel heeft alleen betrekking op de eiseres III.
  17. De toepassing van artikel 35, §1, derde en vijfde lid, RSZ-wet, vereist dat de bijdragen die nog niet gestort werden aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, nog wettelijk verschuldigd zijn, dit wil zeggen dat ze niet verjaard zijn, overeenkomstig artikel 42 van die wet.
  18. Uit artikel 34 van het vermelde koninklijk besluit van 28 november 1969 volgt dat de bij artikel 42, eerste lid, RSZ-wet bepaalde verjaringstermijn van vijf jaar ingaat de dag na het verstrijken van de maand die volgt op het kwartaal waarvoor de bijdragen verschuldigd zijn, te dezen 1 februari 2002, zodat de schuldvordering, behoudens tijdige stuiting, verjaart op 31 januari
  19. Krachtens artikel 42, vierde lid, 1°, RSZ-wet wordt de verjaring van de vorderingen, bedoeld in het eerste lid, gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2244 Burgerlijk Wetboek bepaalt: "Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting".
  20. Een dagvaarding stuit de verjaring voor de vordering die zij inleidt, en voor de vorderingen die daarin begrepen zijn.
  21. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres III op 2 februari 2005 werd gedagvaard als civielrechtelijk aansprakelijke partij voor de aan de eiser II ten laste gelegde inbreuken op de RSZ-wet. Die dagvaarding die er tevens toe strekt de eiseres III ambtshalve te doen veroordelen tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinterest die niet aan de Rijksdienst werden gestort, heeft de verjaringstermijn van vijf jaar bepaald bij artikel 42, eerste lid, RSZ-wet gestuit.
  22. Het middel gaat ervan uit dat uit geen enkel procedurestuk waarop het Hof vermag acht te slaan, het bestaan van enige stuitingsdaad zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, RSZ-wet blijkt. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel van de eisers II en III
  23. Het middel voert schending aan van artikel 35, § 1, vijfde lid, RSZ-wet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straffen: na de vrijspraak van de eiseres III voor de haar ten laste gelegde inbreuken op artikel 35, § 1, eerste lid, 1°, RSZ-wet, kon het bestreden arrest haar niet wettig veroordelen tot betaling van het drievoud van de rechten die werden ontdoken door de inbreuken die alleen in hoofde van de eiser II bewezen werden verklaard.
  24. Het middel vraagt ook aan het Grondwettelijk Hof de navolgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt artikel 35, § 1, vijfde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, al dan niet samen gelezen met het eerste en derde lid van hetzelfde artikel 35, § 1, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet inzoverre het de rechter verplicht de werkgever, bovenop de betaling van de niet gestorte bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlintresten waartoe hij overeenkomstig artikel 35, § 1, derde lid, gehouden is, ook nog ambtshalve te veroordelen tot betaling van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen, ook al is niet hij, maar enkel zijn aangestelde of lasthebber,strafrechtelijk verantwoordelijk voor de inbreuk tengevolge waarvan één of meer personen niet aan de toepassing van de wet betreffende de sociale zekerheid der werknemers werden onderworpen, terwijl dergelijke ambtshalve veroordeling tot het drievoud van de ontdoken bijdragen, omwille van haar omvang en haar supplementair karakter, een strafrechtelijk karakter heeft en elke straf of maatregel van strafrechtelijke aard, krachtens het in het gemeen strafrecht geldende algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van straffen, enkel kan worden opgelegd aan degene die schuldig is bevonden aan de inbreuk"?
  25. Het middel heeft alleen betrekking op de eiseres III.
  26. Krachtens artikel 35, § 1, eerste lid, 1°, RSZ-wet worden de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die zich niet schikken naar de bepalingen voorgeschreven door de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, gestraft met gevangenisstraf en met een geldboete, of met een van die straffen alleen. Artikel 35, § 1, derde lid, RSZ-wet bepaalt: "De rechter die de straf uitspreekt ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, veroordeelt ambtshalve de werkgever tot betaling aan de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen van de bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinteresten die niet aan de Rijksdienst werden gestort." Artikel 35, § 1, vierde lid, RSZ-wet bepaalt: "Bij bedrieglijke onderwerping van een of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers tot betaling aan de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen van een vergoeding gelijk aan het driedubbel van de bedrieglijk aangegeven bijdragen." Artikel 35, § 1, vijfde lid, RSZ-wet bepaalt: "Bij niet-onderwerping van één of meer personen aan de toepassing van deze wet, veroordeelt de rechter ambtshalve de werkgever, en in voorkomend geval de hoofdelijk aansprakelijke aannemer bedoeld bij artikel 30bis, § 3, tweede lid, wat betreft de personen tewerkgesteld door zijn medecontractant bij de uitvoering van de werken, tot betaling aan het inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen." Krachtens artikel 37 RSZ-wet is de werkgever civielrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers worden veroordeeld.
  27. Uit de samenhang van de voormelde bepalingen volgt dat de bij artikel 35, § 1, vijfde lid, RSZ-wet bedoelde ambtshalve veroordeling tot betaling van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de ontdoken bijdragen, steeds wordt opgelegd aan diegene die volgens de regels van het burgerlijk recht of van het arbeidsrecht als werkgever kan worden gekwalificeerd, ongeacht of deze zelf dan wel zijn aangestelde of lasthebber de inbreuk heeft gepleegd. Zoals de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever voor de boeten en de kosten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers worden veroordeeld, is dit een afwijking van het rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straffen. Het middel faalt naar recht.
  28. De grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie nopen tot de vergelijking van de manier waarop de wet op eenzelfde tijdstip verschillende categorieën van personen behandelt.
  29. De eiseres III wijst in de opgeworpen vraag geen onderscheiden categorieën van personen aan die door artikel 35, § 1, vijfde lid, RSZ-wet, hetzij verschillend worden behandeld niettegenstaande zij zich in een gelijkaardige toestand bevinden, hetzij gelijk worden behandeld niettegenstaande zij zich in een verschillende toestand bevinden. Het Hof moet in die omstandigheden geen vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
  30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten op 377,07 euro, waarvan de eisers elk 125,69 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 8 april 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100329.6 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131210.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190130.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020226.33 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120103.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180522.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.