← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.4 Rolnummer: P.08.0041.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-04-25 Raadplegingen: 587 - laatst gezien 2026-07-03 04:54 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het misdrijf van instandhouding inzake stedenbouw bestaat in het schuldig verzuim om aan het bestaan van de wederrechtelijk uitgevoerde werken een einde te maken en alleen diegene die over het onroerend goed zeggenschap heeft, kan schuld aan dit verzuim hebben

(1); de omstandigheid dat de eigenaar van de grond niet de eigenaar is van de constructie die wederrechtelijk op zijn grond is opgericht, neemt niet weg dat hij krachtens zijn recht zeggenschap heeft over de zaak en het nodige moet doen om aan de illegale toestand een einde te stellen
(2).
(1)Cass., 4 feb. 2003, AR P.O1.1462.N, A.C., 2003, nr. 80.
(2)Zie Cass., 21 feb. 2006, AR P.O5.1388.N, A.C., 2006, nr. 101. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Eigendom - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Algemeen (Raad van State) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Misdrijf van instandhouding - Bestanddelen Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-10-1996 - Art. 66 Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 146 oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 552 en 555 Vrije woorden: Door een derde wederrectelijk opgerichte constructie - Instandhouding van de illegale toestand - Eigenaar van de grond Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-10-1996 - Art. 66 Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 146 oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 552 en 555 Fiches 3 - 4 Het arrest waarbij de Raad van State een besluit van de Vlaamse Regering nietig verklaart, brengt door terugwerking de vernietiging jegens eenieder mede van dit besluit, vanaf het ogenblik dat het in werking is getreden
(1); de terugwerkende kracht van het rechtsherstellend besluit heft de gevolgen van deze vernietiging op, zodat de vorige rechtstoestand herleeft en de bestraffing geschiedt aldus niet op grond van een na het plegen van het feit bepaalde strafbaarstelling, maar ten gevolge van de ten tijde van dit feit reeds bepaalde bestraffing.
(1)Cass., 10 okt. 2000, AR P.98.1591.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001010.12, A.C., 2000, nr.
  1. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Eigendom - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Algemeen (Raad van State) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Nietigverklaring van een besluit van de Vlaamse Regering Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Eigendom - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Algemeen (Raad van State) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Strafbepalingen Vrije woorden: Nietigverklaring van een besluit van de Vlaamse Regering door de Raad van State - Rechtsherstellend besluit Tekst van de beslissing Nr. P.08.0041.N I-II
  2. J-F V, beklaagde,
  3. H V V, beklaagde,
  4. M-F V, beklaagde,
  5. B V, beklaagde, met als raadslieden mr. Jan Ghysels en mr. Johan Vanoost, advocaten bij balie te Brussel, eisers, het cassatieberoep II gericht tegen:
  6. A M, burgerlijke partij,
  7. M-E H, burgerlijke partij,
  8. M F, burgerlijke partij,
  9. A D, burgerlijke partij,
  10. N P, burgerlijke partij,
  11. P D, burgerlijke partij,
  12. A C, burgerlijke partij,
  13. M V D H, burgerlijke partij,
  14. R D, burgerlijke partij,
  15. R L, burgerlijke partij,
  16. A-M D, burgerlijke partij,
  17. H V, burgerlijke partij,
  18. C O, burgerlijke partij,
  19. E V, (overleden), burgerlijke partij,
  20. J G, (overleden), burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 20 november
  21. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van 5 december2007 (II)
  22. Inzoverre de cassatieberoepen van 5 december 2007 ook gericht zijn tegen de beslissingen op de strafvordering, welke beslissingen reeds bestreden worden door de cassatieberoepen van 4 december 2007, zijn deze cassatieberoepen met toepassing van artikel 438 Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk;
  23. In zoverre de cassatieberoepen van 5 december 2007 gericht zijn tegen de beslissingen op de civielrechtelijke vorderingen van de verweerders C O, H V, R D, R L, A-M D, E V (overleden) en J G (overleden), verstekdoende partijen, werden deze cassatieberoepen aangetekend vooraleer de termijn van verzet is verstreken,. In die mate zijn zij eveneens niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999, artikel 66 Stedenbouwdecreet 1996, en van de artikelen 552 en 555 Burgerlijk Wetboek : de appelrechters miskennen het begrip "instandhouden" door te oordelen dat het volstaat dat de eisers verzuimd hebben om een einde te stellen aan de wederrechtelijk uitgevoerde werken op hun respectieve percelen. Evenwel stellen zij niet vast dat de eisers een daad hebben gesteld tot het bewaren van de betrokken caravans of chalets tegen vernietiging, verdwijning of ondergang. De enkele omstandigheid dat de eisers eigenaar zijn van de percelen waarop de wederrechtelijke constructies zijn opgericht, en aldus "enige zeggenschap" hebben, zonder verdere omschrijving van het voorwerp van dit zeggenschap en hoever dit zeggenschap gaat, laat niet toe de schuld van de eisers aan te nemen. Uit de artikelen 552 en 555 Burgelijk Wetboek volgt niet dat de eigenaar van de grond waarop een derde een bouwwerk opricht, noodzakelijkerwijze, tegen zijn zin, eigenaar wordt van dit bouwwerk of dit moet onderhouden.
  25. Het misdrijf van instandhouding bestaat in het schuldig verzuim om aan het bestaan van de wederrechtelijk uitgevoerde werken een einde te maken; alleen diegene die over het onroerend goed zeggenschap heeft, kan schuld aan dit verzuim hebben. Dit zeggenschap volgt uit de plicht tot een wetsconforme uitoefening van de rechten in verband met elk goed waarvan de goede ruimtelijke ordening door de bouwovertreding wordt aangetast. Het kan niet door andermans rechten worden beperkt. De omstandigheid dat de eigenaar van de grond niet eigenaar is van de constructie die wederrechtelijk op zijn grond is opgericht, neemt niet weg dat hij krachtens zijn recht zeggenschap heeft over de zaak en het nodige moet doen om aan de illegale toestand een einde te stellen. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters hebben het verweer van de eisers niet beantwoord dat zij onmogelijk wegens strafbare instandhouding kunnen worden veroordeeld, alleen maar omdat de percelen waarop de wederrechtelijke constructies zijn opgericht, hun toebehoren, ofschoon aan henzelf geen enkele positieve daad of schuldig verzuim kan worden verweten met betrekking tot deze constructies die hen niet toebehoren.
  27. Anders dan het onderdeel aanvoert, hebben de appelrechters met de redenen die zij vermelden, dit verweer wel beantwoord. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  28. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters onterecht artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 toepassen dat nochtans, anders dan het ten tijde van de telastlegging toepasselijke artikel 66 Stedenbouwdecreet, ook "het gedogen van het gedogen strafbaar stelt", en bijgevolg als strengere wet niet mocht worden toegepast.
  29. De appelrechters verwerpen dit verweer met de vaststelling dat de eisers niet worden vervolgd om als eigenaar de strafbare opstelling en/of instandhouding van de geviseerde constructies op de percelen die hun eigendom zijn, te hebben toegestaan of gedoogd. Zij worden wel vervolgd voor het in de geïncrimineerde perioden in stand houden van die constructies die al dan niet hun eigendom zijn. Hun beslissing is aldus regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, de artikelen 10, 11, 12, 14, 159 en 190 van de Grondwet, artikel 2 Strafwetboek, artikel 2 Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van verbod van terugwerkende kracht: de appelrechters steunen hun beoordeling ten onrechte op de terugwerkende kracht van het besluit van de Vlaamse Executieve van 16 september 1992 tot aanvulling van het eerder vernietigde koninklijk besluit van 7 april 1977 waarbij het gewestplan Leuven aan het kampeerterrein de bestemming gaf van natuurgebied. Door daaruit af te leiden dat ten tijde van het oorspronkelijke bouwmisdrijf de percelen reeds gelegen waren in natuurgebied, passen de appelrechters de strafwet retroactief toe en achten zij een besluit tegenwerpelijk nog voor het in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt.
  31. Met hun vaststelling dat het rechtsherstellend besluit van 16 september 1992 terugwerkt tot 7 april 1977 oordelen de appelrechters niet dat het besluit tegenwerpelijk is nog voor het in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  32. Het arrest waarbij de Raad van State een besluit van de Vlaamse regering nietig verklaart, brengt door terugwerking de vernietiging jegens eenieder mede van dit besluit, vanaf het ogenblik waarop het in werking is getreden. De terugwerkende kracht van het rechtsherstellend besluit heeft voor gevolg dat dit rechtstellend besluit in de plaats komt van het vernietigde besluit, zodat de vorige rechtstoestand herleeft. De bestraffing geschiedt aldus, niet op grond van een na het plegen van het feit bepaalde strafbaarstelling, maar ten gevolge van de ten tijde van dit feit reeds bepaalde bestraffing. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  33. Het onderdeel dat de onwettigheid opwerpt van het besluit van de Vlaamse Executieve van 16 september 1992 tot aanvulling van het gewestplan Leuven om reden dat de eisers nooit hun bezwaarrecht met betrekking tot het nieuwe ontwerp¬gewestplan hebben kunnen uitoefenen, vergt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde middel
  34. Het middel voert de schending aan van artikel 19 Stedenbouwdecreet, van de decreten van 16 december 1997 en 19 maart 2004 houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, van deze bindende bepalingen zelf, van artikel 159 Grondwet en van het redelijkheidsbeginsel: de appelrechters oordelen ten onrechte dat ondanks de bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen die een herverdeling van de ruimtelijke bestemmingen opleggen, de bestemming "natuurgebied" op het betrokken gewestplan niet achterhaald is zodat de herstelvordering niet onredelijk voorkomt.
  35. Het middel komt op tegen de beoordeling in feite van de appelrechters dat uit het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen niet kan worden afgeleid dat de bestemming van de kwestieuze percelen tot natuurgebied in het nog steeds verordenend gewestplan, achterhaald zou zijn. Het is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  36. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 174,77 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 8 april 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170331.1 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.506 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001010.12 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060221.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.