← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008

§ 3

van hetzelfde Wetboek en dient zij, als nationale instantie zoals bedoeld in artikel 13 EVRM, overeenkomstig voormeld artikel 235bis Sv. over dit geschilpunt dat de regelmatigheid van de procedure betreft, een debat op tegenspraak te houden en uitspraak te doen. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Daadwerkelijk rechtsmiddel - art. 13 Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Rechten van de mens - Verdrag Rechten van de Mens - Artikel 13 - Regeling van de rechtspleging - Regelmatigheid van de procedure - Onderzoek overschrijding van de redelijke termijn - Bevoegdheid Fiche 3 Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering kennis neemt van de zaak en bij die gelegenheid door de inverdenkinggestelde geroepen wordt uitspraak te doen over de overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan op het verdere verloop van de procedure, moet zij toepassing maken van artikel 235bis, § 1, §

§ 3

van hetzelfde Wetboek en dient zij, als nationale instantie zoals bedoeld in artikel 13 EVRM, overeenkomstig voormeld artikel 235 bis Sv. over dit geschilpunt dat de regelmatigheid van de procedure betreft, een debat op tegenspraak te houden en uitspraak te doen. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Daadwerkelijk rechtsmiddel - art. 13 Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Controle - Regelmatigheid van de procedure - Onderzoek overschrijding van de redelijke termijn - Bevoegdheid Tekst van de beslissing Nr. P.07.1903.N I J F C L, inverdenkinggestelde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar de eiser woonplaats kiest. II J L M J V D B, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent. III W M A C V D B, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent. IV G F C V, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent. V G M-C V, inverdenkinggestelde, eiseres, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 november

  1. De eiser I doet zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep en voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eisers II, III, IV en V voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, telkens twee gelijkluidende middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest oordeelt dat er geen aanleiding is de controle, bepaald in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, uit te oefenen. Aldus doet het arrest uitspraak met toepassing van die wetsbepaling.
  3. Artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering bepaalde dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel openstaat. Dit bracht met zich mee dat daartegen geen cassatieberoep kon worden ingesteld. Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel bij arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering vernietigd. Aldus is het gemeen recht terug toepasselijk.
  4. Artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat cassatieberoep tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort eerst openstaat na het eindarrest of het eindvonnis; de vrijwillige tenuitvoerlegging van die voorbereidende arresten of vonnissen kan in geen geval als middel van niet-ontvankelijkheid worden ingeroepen. Artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt evenwel dat het vorige lid niet van toepassing is op arresten of vonnissen inzake bevoegdheid of met toepassing van de artikelen 135 en 235bis, noch op arresten of vonnissen inzake de burgerlijke rechtsvordering, die uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid, noch op arresten waarbij overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak wordt gedaan over de strafvordering en een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt bevolen, noch op verwijzingsarresten overeenkomstig artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.
  5. Een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering controle uitoefent over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, is enerzijds een voorbereidend arrest en is anderzijds niet begrepen onder de uitzonderingen vermeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Hieruit volgt dat tegen dit arrest maar eerst cassatieberoep openstaat na het eindarrest of eindvonnis. Bijgevolg zou het cassatieberoep niet ontvankelijk zijn.
  6. Overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling, bij de regeling van de rechtspleging of in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak, de regelmatigheid van de rechtspleging. Anders dan in het geval van een controle van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, laat artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering cassatieberoep toe tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering. De procedure van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering van de ene kant en de procedure van artikel 235bis van de andere kant zijn evenwel dermate vergelijkbaar dat de vraag rijst of dit onderscheid wel verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10 en 11 Grondwet. Het Hof stelt hierover ambtshalve de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof en houdt de verdere afhandeling van het cassatieberoep gericht tegen de beslissingen genomen met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering aan. Afstand
  7. Het arrest doet ook uitspraak over het verzoek van de eiser I vast te stellen dat de redelijke termijn waarin eenieder overeenkomstig de artikelen 6.1 EVRM en 14.3 IVBPR, het recht heeft te worden berecht, overschreden is en te oordelen dat de vervolging van de procedure door het openbaar ministerie niet langer kan worden toegelaten. Aldus was de kamer van inbeschuldigingstelling geroepen met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering uitspraak te doen over een grond van verval van de strafvordering.
  8. Met toepassing van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, staat tegen die beslissing onmiddellijk cassatieberoep open. Er is bijgevolg geen grond de door de eiser I gedane afstand van het cassatieberoep te verlenen in zoverre dit gericht is tegen die beslissing. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - Artikelen 6 en 13 EVRM; - artikel 235bis Wetboek van Strafvordering.
  9. Artikel 13 EVRM bepaalt: "Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie".
  10. Die bepaling houdt in dat hij die klaagt over een schending van artikel 6.1 EVRM, omdat daar zijn recht op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn is miskend, zich moet kunnen richten tot zijn nationale rechter teneinde dit te laten vaststellen en een adequaat rechtsherstel te bekomen. Dit onderzoek kan gebeuren in elk stadium van de strafprocedure, ook in het stadium van het gerechtelijk onderzoek.
  11. Overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve of op verzoek van een der partijen de regelmatigheid van de procedure bij de regeling van de rechtspleging en in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak.
  12. Hieruit volgt dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering kennisneemt van de zaak en bij die gelegenheid door de inverdenkinggestelde geroepen wordt uitspraak te doen over de overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan op het verdere verloop van de procedure, zij toepassing moet maken van artikel 235bis, § 1, §

§ 3, Wetboek van Strafvordering.

Zij dient dan overeenkomstig dit artikel over dit geschilpunt dat de regelmatigheid van de procedure betreft, een debat op tegenspraak te houden en uitspraak te doen. De kamer van inbeschuldigingstelling is immers een nationale instantie tot dewelke de inverdenkinggestelde zich kan richten als bedoeld in artikel 13 EVRM.

  1. Het arrest oordeelt : "Weliswaar zijn de (artikelen 6.
  2. EVRM en I4.
  3. c IVBPR) toepasselijk op het geheel van de rechtspleging, inbegrepen het gerechtelijk onderzoek, maar het komt de kamer van inbeschuldigingstelling niet toe - in de fase van de wettigheidscontrole conform artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering - om te oordelen of op het ogenblik van het vonnis de redelijke termijn zal overschreden zijn, nu de kamer van inbeschuldigingstelling niet oordeelt over de gegrondheid van de strafvordering". Hierdoor laat de kamer van inbeschuldigingstelling alhoewel daartoe gevraagd na uitspraak te doen met toepassing van artikel 235bis Strafwetboek en schendt het arrest deze wetsbepaling alsmede artikel 13 EVRM. Middel van de eiser I
  4. Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging, behoeft het middel geen antwoord. Dictum Het Hof Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het, op verzoek van de eiser I, uitspraak doet over de overschrijding van de redelijke termijn. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Houdt voor het overige elke verdere beslissing aan totdat het Grondwettelijk Hof zal geantwoord hebben op de prejudiciële vraag: "Schenden artikel 235ter en/of artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat daarin niet wordt voorzien in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling bij een controle van het vertrouwelijk dossier overeenkomstig de artikelen 189ter en/of 235ter van het Wetboek van Strafvordering dat een voorbereidend arrest is, terwijl artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering betreffende het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging dat een gelijkaardig voorbereidend arrest is als dit gewezen bij toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering?" Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 8 april 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080528.7 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091124.9 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100413.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100915.2 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101006.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101027.3 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.016 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090923.6 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090923.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.