← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080410.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080410.10 Rolnummer: C.07.0074.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-04-21 Raadplegingen: 196 - laatst gezien 2026-07-03 04:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche Onder verlies van bagage wordt begrepen het verdwijnen van de goederen of de afgifte ervan aan een andere persoon dan diegene die gerechtigd is op de afgifte. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Luchtvervoer UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Luchtvervoer Vrije woorden: Verlies van bagage Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 12-10-1929 - Art. 18 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0074.N CONSULTING & PROSPECTION INTERNATIONAL CPI, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Tabakvest 95, bus 9, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. DHL GLOBAL FORWARDING (BELGIUM), naamloze vennootschap, die in de rechten en de verplichtingen van de NV Exel Freight Management Belgium is getreden, voorheen de NV Msas Nedlloyd Aircargo, met zetel te 1931 Brucargo, Zaventem, Brucargo 720, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan,
  2. ALIA COMPANY/THE ROYAL JORDANIAN AIRLINES, vennootschap naar Jordaans recht, met zetel te Hamman, (Jordanië), Housing Bank - Commercial Center, Queen Nourstreet, P.O. Box 302, en met een vaste vestiging in België te 1000 Brussel, Vilain XIIII-straat 53-55, verweerster, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 september 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 18 van het Internationaal Verdrag van 12 oktober 1929 tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationaal luchtvervoer, getekend te Warschau en goedgekeurd bij wet van 7 april 1936, hierna het Verdrag van Warschau genoemd; - de artikelen 1142, 1146, 1147, 1149, 1150, 1151, 1315, 1382, 1383 en 1784 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 4 van de wet van 25 augustus 1891, vormende Titel VIIbis van Boek I van het Wetboek van Koophandel. Aangevochten beslissingen Het arrest stelt vast: "Op 12 juli 1990 gaf (de eiseres) instructies aan (de eerste verweerster) om goederen te vervoeren vanuit DAVA (Leuven) naar Riyad (Saoedi-Arabië). Deze instructies werden gegeven door een pro forma factuur waarop de essentiële gegevens van het transport vermeld stonden o.a. dat de vrachtprijs en de verzekering gecollecteerd moesten worden en dus betaald moesten worden door de bestemmeling. (De eerste verweerster) heeft dan op 13 juli 1990 een ‘Forwarder Air Bill' (expediteurs luchtvrachtbrief) opgesteld met de vermelding van (de eiseres) als opdrachtgever, (de eerste verweerster) als ‘Issuing Forwarding Agent' (uitgevende agent) en als bestemmeling ‘Salmaneh for Maint I Cont' te Riyadh. Door (de eerste verweerster) werd het luchtvervoer op 13 juli 1990 toevertrouwd aan (de tweede verweerster) volgens ‘Air Waybill' (luchtvrachtbrief) n° 512 2100.9855 met de naam van (de eerste verweerster) als expediteur en met de naam van de bestemmeling ‘Yusuf Bin Ahmed Kanoo'. Op 16 juli 1990 heeft (de eiseres) telefonisch instructies gegeven aan (de eerste verweerster) om de goederen in te houden te Riyad. Dit blijkt duidelijk uit de brief van 15 oktober 1990 van (de eerste verweerster) (‘Zoals u ons zegt in uw brief heeft u telefonische instructies gegeven pas op 16 juli 1990, nadat de zending Brussel had verlaten'). Op 20 juli 1990 heeft (de eerste verweerster) de instructies de goederen in te houden totdat nieuwe instructies zouden gegeven worden, doorgegeven aan (de tweede verweerster, afdeling Brussel) die ze dan doorgestuurd heeft aan (de tweede verweerster, afdeling Riyad). Uit een niet gedateerde fax uitgaande van (de tweede verweerster) blijkt dat de lading opgehaald werd in hun bureel te Riyad door de vertegenwoordiger van de bestemmeling en dat enige tijd na de vrijgave zij de telex ontvangen hebben om de lasten te veranderen van ‘voorafbetaald (prepaid)' in ‘te betalen' (collect). Ook is er sprake van een cheque die de bank niet heeft gehonoreerd" (p. 2 en 3 van het bestreden arrest), De appelrechters wijzen vervolgens het hoger beroep van de eiseres tegen het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 15 januari 1993, waarbij de oorspronkelijke vordering van de eiseres tegen de verweersters was afgewezen, af als ongegrond en zij veroordelen de eiseres in de kosten op grond van volgende redenen: "Beoordeling
  3. De eerste rechter heeft om wel overwogen redenen die het hof herneemt en tot de zijne maakt geoordeeld dat (de eerste verweerster) de hoedanigheid had van contractueel vervoerder en de (tweede verweerster) die van feitelijke vervoerder. Verder is hij ook terecht van oordeel dat het litigieuze transport een internationaal transport is en dat beide vervoerscontracten in België werden afgesloten zodat het Verdrag van Warschau evenals het Verdrag van Guadalajara op het litigieuze transport van toepassing zijn.
  4. Volgens (de eerste verweerster) had (de eiseres) geen gebruik kunnen maken van het beschikkingsrecht verleend door artikel 12 van het Verdrag van Warschau. Krachtens artikel 12.1 van het Verdrag van Warschau heeft de afzender het recht, onder de voorwaarde dat hij al de uit de vervoersovereenkomst voortvloeiende verplichtingen naleeft, over de goederen te beschikken o.a. door deze gedurende de reis tijdens een landing op te houden. (De eiseres) had het recht om over de vervoerde goederen te beschikken en deze op te houden zodat de feitelijke vervoerder deze instructies moest volgen. Het feit dat de vracht niet voorafgaandelijk werd betaald verhinderde immers niet dat de afzender zijn beschikkingsrecht kon gebruiken vermits de vracht moest gecollecteerd worden. (De eerste verweerster) stelt dat (de eiseres) geen gebruik kon maken van haar beschikkingsrecht omdat het derde exemplaar van de luchtvrachtbrief niet door haar aan de vervoerder werd overgelegd maar aan de bestemmeling zodat (de tweede verweerster) niets anders kon doen dan de goederen aan de bestemmeling af te geven. Het is evenwel niet bewezen dat de bestemmeling de luchtvrachtbrief die door (de eerste verweerster) werd opgesteld aanbood na de landing. Bovendien heeft het feit dat de vrachtbrief aan de bestemmeling werd overgelegd niet voor gevolg dat de afzender zijn beschikkingsrecht zou verliezen maar wel dat de vervoerder in de onmogelijkheid is de door de afzender gegeven instructies na te leven zodat zijn beschikkingsrecht niet kan uitgevoerd worden. Hetzelfde geldt indien de goederen aan de bestemmeling werden geleverd wat te dezen het geval is. In dat geval moet de vervoerder overeenkomstig artikel 12.2 van het Verdrag van Warschau de afzender onmiddellijk verwittigen van de onmogelijkheid om de gegeven instructies uit te voeren bij gebreke waarvan hij de daaruit voortvloeiende schade zal moeten herstellen, conform het gemeen recht (zie in die zin Litvine Max ‘Droit aérien'; Bruylant 1970, p. 243 en 244; Fr. Ponet ‘De overeenkomst van international luchtvervoer'; Kluwer recht wetenschappen, 1985, nr. 192 e.v.). De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de artikelen 18 en 19 van het Verdrag van Warschau te dezen niet van toepassing zijn omdat de schade geleden door (de eiseres) niet ontstaan is door vernietiging, verlies of beschadiging van de goederen. De goederen werden niet beschadigd of vernietigd. Zij zijn evenmin verloren gegaan omdat zij aan de op de luchtvrachtbrief vermelde bestemmeling werden afgegeven en niet aan een derde niet-rechthebbende. Volgens het gemeen recht is er slechts sprake van aansprakelijkheid wanneer naast het bewijs van een fout ook schade in oorzakelijk verband met de fout bewezen is. Er bestaat aanleiding om onmiddellijk te onderzoeken of (de eiseres) schade geleden heeft. Immers, indien de schade die zij geleden heeft niet zeker is, is de beoordeling van de ingeroepen fouten niet dienend. (De eiseres) houdt voor dat zij schade geleden heeft omdat door het niet respecteren van haar beschikkingsrecht elke mogelijkheid haar ontnomen werd om een remboursopdracht te geven. Nochtans heeft (de eiseres) bij het sluiten van de vervoerovereenkomst geen remboursopdracht gegeven. Ook later wanneer zij nieuwe instructies heeft gegeven om de goederen tegen te houden heeft zij steeds geen remboursopdracht gegeven. Zij moest niet wachten totdat de goederen zouden worden tegengehouden om een remboursopdracht te geven en kan dan ook niet beweren dat haar schade erin bestaat dat door het niet volgen van haar instructies de mogelijkheid haar ontnomen werd een remboursopdracht te geven. (De eerste verweerster) en (de tweede verweerster) zijn niet de kopers van de vracht. Het verlies dat (de eiseres) geleden heeft door de wanbetaling vanwege de koper van de vracht en dat bestaat in het niet betalen van de verkoopprijs mag niet verward worden met de schade die zij geleden heeft door de beweerde tekortkoming aan de verplichting de instructies van (de eiseres) te volgen en de goederen in te houden. Immers indien de goederen waren ingehouden geweest, had (de eiseres) de goederen terug ontvangen maar had zij de winst op de verkoop moeten derven. De verloren winst is dus geen schade die ontstaan is uit de beweerde tekortkomingen van de vervoerders. Bovendien moest de vracht, in geval van niet-levering, terug worden vervoerd naar België op kosten van (de eiseres). De schade die het gevolg is van de eventuele fouten van de vervoerders is slechts zeker indien redelijkerwijze komt vast te staan dat de koper in Saoedi-Arabië niet nuttig kan worden uitgewonnen. Het behoort aan (de eiseres) het bewijs te leveren dat zij de nodige inspanningen heeft gedaan om de verkoopprijs van de goederen te bekomen. Om aan te tonen dat zij de koper niet nuttig kan uitwinnen verwijst (de eiseres) naar een cheque die niet gehonoreerd werd door de bank. Nopens deze cheque wordt evenwel geen toelichting verschaft. Ook wordt verwezen naar een advies van het advocatenkantoor Clyde & C° van 4 november 1991 waarin gesteld werd dat het procederen in Saoedi-Arabië voor zaken met een waarde van minder dan 200.000 US $ nutteloos is. Nochtans wordt in dat advies dat betrekking heeft op een andere levering aangeduid op welke wijze toch kan getracht worden betaling te bekomen. (De eiseres) toont niet aan dat zij in het kader van huidig geval de minste poging ondernomen heeft om betaling van de koopprijs te bekomen. Er werd zelfs geen ingebrekestelling verstuurd naar de bestemmeling in Saoedi-Arabië, er werd geen advocaat geraadpleegd met het oog op het zoeken van een oplossing. Evenmin wordt het bewijs voorgelegd dat de koper insolvabel is. Het louter feit dat er in een fax van (tweede verweerster) sprake is van een cheque die door de bank niet gehonoreerd is geweest volstaat niet als bewijs van de insolvabiliteit van de koper, nu zelfs niet geweten is door wie die cheque werd uitgeschreven. Op grond van hoger vermelde elementen moet besloten worden dat de schade die (de eiseres) beweerd geleden te hebben niet zeker is zodat er geen grond is voor aansprakelijkheid. De eerste rechter heeft de hoofdvordering dan ook terecht ongegrond verklaard" (p. 4-7 van het bestreden arrest). Grieven Eerste onderdeel Krachtens artikel 18.1 van het Verdrag van Warschau is de vervoerder aansprakelijk voor de schade die wordt geleden in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage, indien de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt, heeft plaatsgehad tijdens het luchtvervoer. Artikel 18.4 van het Verdrag van Warschau bepaalt dat het luchtvervoer, bedoeld in de voorgaande leden, het tijdvak omvat gedurende hetwelk de bagage of de goederen zich onder de hoede van de vervoerder bevinden, hetzij op een luchthaven, hetzij aan boord van een luchtvaartuig of waar dan ook in geval van landing buiten een luchthaven. Het bestreden arrest stelt vast dat de eiseres aan de contractuele vervoerder (de eerste verweerster) instructies heeft gegeven om de goederen in te houden, totdat nieuwe instructies m.b.t. de aflevering van de goederen zouden worden gegeven en dat de eerste verweerster die instructies doorgaf aan de feitelijke vervoerder (de tweede verweerster), alsook dat de feitelijke vervoerder deze instructies moest volgen. Tevens stellen de appelrechters vast dat de goederen desondanks niet werden ingehouden, maar werden afgeleverd aan de vertegenwoordiger van de op de luchtvrachtbrief vermelde bestemmeling. Aldus stelt het arrest vast dat de afgifte van de goederen gebeurde in strijd met de vervoersopdracht. Deze foutieve aflevering maakt een verlies van lading uit in de zin van artikel 18 van het Verdrag van Warschau. De appelrechters beslissen evenwel dat de goederen niet verloren zijn gegaan omdat zij aan de op de luchtvrachtbrief vermelde bestemmeling werden afgegeven en niet aan een derde niet-rechthebbende en dat artikel 18 van het Verdrag van Warschau te dezen niet van toepassing is. Door op deze gronden de vordering van de eiseres af te wijzen, schenden de appelrechters de artikelen 18.1 en 18.4 van het Verdrag van Warschau. Tweede onderdeel Ingevolge de artikelen 4 van de Wet van 25 augustus 1891, 1784 van het Burgerlijk Wetboek en 18 van het Verdrag van Warschau rust op de vervoerder een resultaatsverbintenis tot aflevering aan de door de afzender aangeduide persoon. Bij aflevering van de goederen in strijd met de vervoersopdracht ontstaat op grond van de vervoerovereenkomst ten laste van de vervoerder het vermoeden van aansprakelijkheid ten belope van de waarde van de lading. Krachtens artikel 1142, wordt iedere verbintenis om iets te doen of niet te doen opgelost in schadevergoeding, ingeval de schuldenaar de verbintenis niet nakomt. De schuldenaar wordt, krachtens artikel 1147 van het Burgerlijk Wetboek, veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, hetzij wegens niet-uitvoering van de verbintenis, hetzij wegens vertraging in de uitvoering, wanneer hij niet bewijst dat het niet-nakomen het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend, en hoewel er zijnerzijds geen kwade trouw is. Overeenkomstig artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. De appelrechters beslissen dat er volgens het gemeen recht slechts sprake is van aansprakelijkheid wanneer naast het bewijs van een fout ook schade in oorzakelijk verband met de fout bewezen is. Het bestreden arrest stelt vast dat de afgifte van de goederen gebeurde in strijd met de vervoersopdracht. Door de vordering van de eiseres tot vergoeding van de hieruit voortvloeiende schade af te wijzen, op grond van de redenen dat schade die het gevolg is van de eventuele fouten van de vervoerders slechts zeker is indien redelijkerwijze komt vast te staan dat de koper in Saoedi-Arabië niet nuttig kan worden uitgewonnen en dat het aan de eiseres behoort het bewijs te leveren dat zij de nodige inspanningen heeft gedaan om de verkoopprijs van de goederen te bekomen, bewijs dat de eiseres niet levert, schendt het bestreden arrest alle in het middel aangeduide wetsbepalingen, inzonderheid artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Degene aan wie schade is berokkend heeft bovendien in de regel recht op volledige vergoeding van de door hem geleden schade of, inzake overeenkomsten, op vergoeding van alle schade die was voorzien of die men heeft kunnen voorzien en die een noodzakelijk gevolg is van de contractuele wanprestatie. Hij is krachtens geen enkele wetsbepaling verplicht om de schade zoveel mogelijk te beperken. De appelrechters wijzen de vordering van de eiseres, tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit de afgifte van de goederen in strijd met de vervoersopdracht, af op grond van de vaststelling dat de eiseres niet bewijst dat zij, na de foutieve afgifte van de goederen, de nodige inspanningen heeft gedaan om de verkoopprijs van de goederen te bekomen. Aldus leggen de appelrechters aan de eiseres de verplichting op de schade zoveel mogelijk te beperken en schenden zij de artikelen 1142, 1146, 1147, 1149, 1150 en 1151 en, voor zoveel als nodig, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  5. Krachtens artikel 18 van het Internationaal Verdrag van 12 oktober 1929 tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationaal luchtvervoer, getekend te Warschau, is de vervoerder aansprakelijk voor de schade ontstaan in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage, indien de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt, plaats heeft gehad tijdens het luchtvervoer. Onder verlies in de zin van deze bepaling wordt begrepen het verdwijnen van de goederen of de afgifte ervan aan een andere persoon dan diegene die gerechtigd is op de afgifte.
  6. De appelrechters stellen vast, zonder dat dit wordt betwist, dat de goederen werden afgeleverd aan de "op de luchtvrachtbrief vermelde bestemmeling en niet aan een derde niet-rechthebbende".
  7. De appelrechters kunnen op grond hiervan beslissen dat de goederen niet verloren zijn gegaan in de zin van artikel 18 van het voornoemde Internationaal Verdrag. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters aan de eiseres de bewijslast opleggen dat de eerste verweerster bevrijd is.
  9. De appelrechters oordelen dat er aanleiding bestaat om onmiddellijk te onderzoeken of eiseres schade heeft geleden en dat indien de schade die zij heeft geleden niet zeker is, de beoordeling van de ingeroepen fouten niet dienend is.
  10. Door aldus te oordelen, doen de appelrechters geen uitspraak over de vraag of de eerste verweerster de vervoersopdracht heeft uitgevoerd en leggen zij geenszins aan de eiseres de bewijslast op van de bevrijding van de verweerster. Het onderdeel berust in zoverre op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.
  11. Het onderdeel gaat er voor het overige van uit dat de appelrechters aan eiseres de verplichting hebben opgelegd om de schade zoveel mogelijk te beperken. De appelrechters oordelen daarentegen dat het niet zeker is dat de koper in Saoedi-Arabië niet nuttig kan worden uitgewonnen, aangezien de eiseres niet de minste poging heeft ondernomen om betaling van de koopprijs te verkrijgen en besluiten hieruit dat de schade die de eiseres beweert geleden te hebben, niet zeker is. Het onderdeel gaat derhalve uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 731,79 euro jegens de eisende partij, op de som van 163,10 euro jegens de verwerende partij sub 1 en op de som van 174,19 euro jegens de verwerende partij sub
  12. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 10 april 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080410.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.