← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080410.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080410.5 Rolnummer: D.07.0006.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2008-04-21 Raadplegingen: 472 - laatst gezien 2026-07-03 16:14 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 148, Grondwet, dat de openbaarheid van de terechtzittingen voorschrijft, en artikel 149, Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken, zijn rechtens alleen toepasselijk op de rechtbanken, in de zin die aan dat woord is gegeven in de voormelde artikelen, dat is op de rechtbanken van de rechterlijke macht

(1); ze zijn enkel op andere rechtscolleges toepasselijk als een bijzondere rechtsbepaling zulks voorschrijft.
(1)Cass., 5 nov. 1987, A.R. 5835, A.C., 1987-1988, nr 148 (beide artikelen); zie Cass., 21 sept. 1995, A.R. D.94.0020.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950921.6, A.C., 1996, nr 396, (enkel voor art. 149). Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 148 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in tuchtzaken - Nieuw middel PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Openbare behandeling Vrije woorden: Openbaarheid van de terechtzittingen - Toepassingsgebied Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in tuchtzaken - Nieuw middel PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Openbare behandeling Vrije woorden: Uitspraak in openbare terechtzitting - Toepassingsgebied Tekst van de beslissing Nr. D.07.0006.N E.L, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen INSTITUUT VAN DE ACCOUNTANTS EN DE BELASTING-CONSULENTEN, met zetel te 1050 Elsene, Livornostraat 41, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 106, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing, op 20 november 2006 gewezen door de Nederlandstalige kamer van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, zetelend te Brussel. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in een verzoekschrift middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - de artikelen 148 en 149 van de Grondwet; - artikel 5, §4, van de Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor Accountants en Belastingsconsulenten. Aangevochten beslissingen De bestreden beslissing bevestigt de beslissing opgelegd door de Nederlandstalige kamer van de Tuchtcommissie bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten van 24 januari 2006, waarbij ten laste van de eiser de deontologische inbreuk wordt bewezen verklaard dat hij in strijd met zijn beroepsverplichting van onafhankelijkheid en waardigheid als accountant-belastingconsulent op zijn facturen en op zijn website reclame zou hebben gemaakt voor verschillende commerciële bedrijven, en herleidt de door de Nederlandstalige kamer opgelegde schorsing van drie maanden tot een schorsing van twee maanden. Grieven Overeenkomstig artikel 148 van de Grondwet zijn de terechtzittingen van de rechtbanken openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden. In dat geval wordt zulks door de rechtbank bij vonnis verklaard. Naar luid van artikel 149 van de Grondwet, dient elk vonnis in openbare terechtzitting te worden uitgesproken. Deze waarborg vloeit eveneens voort uit artikel 6, §1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het principe van de openbaarheid van de terechtzitting wordt eveneens vastgelegd door artikel 5, §4, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor Accountants en Belastingconsulten en voorziet op dit principe slechts in uitzonderingen ingeval het belang van minderjarigen, de bescherming van het privéleven of het belang van de rechtspraak of de geheimhoudingsplicht dit vereist. De beslissing van de kamer van de Tuchtcommissie bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, of de Commissie van Beroep dienen uitdrukkelijk de redenen vast te stellen waarom in voorkomend geval beslist wordt dat de deuren moeten worden gesloten. Deze redenen kunnen slechts de redenen zijn die worden opgesomd in artikel 5, §4, van de wet van 22 april
  1. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de Tuchtcommissie in eerste aanleg van 6 december 2005, datum waarop de zaak behandeld werd, blijkt dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden achter gesloten deuren. Noch op dit proces-verbaal van de terechtzitting, noch in de beslissing van de Tuchtcommissie, noch op enig ander stuk wordt evenwel vastgesteld om welke reden tot de sluiting van de deuren werd overgegaan. Aldus kan uit de stukken van de rechtspleging voor de Nederlandstalige kamer van de Tuchtcommissie niet worden afgeleid dat het sluiten van de deuren regelmatig werd bevolen, en zijn de rechtspleging en de uitspraak van dit rechtscollege nietig. Nu de bestreden beslissing uitdrukkelijk stelt dat de Commissie van Beroep zich aansluit bij de overwegingen van de Tuchtcommissie om de tenlasteleggingen bewezen te verklaren, neemt zij de nietigheid van de uitspraak van de Nederlandstalige kamer van de Tuchtcommissie over. De bestreden beslissing schendt aldus artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de artikelen 148 en 149 van de Grondwet en artikel 5, §4, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor Accountants en Belastingsconsulenten. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. De eiser voert aan dat de bestreden beslissing van de Commissie van Beroep van het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten de nietigheid overnam van de beslissing van de Tuchtcommissie, die zonder vermelding van enig motief de zaak met gesloten deuren behandelde en aldus de artikelen 148 en 149 van de Grondwet, het artikel 6.
  3. van het EVRM en het artikel 5, §4, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belasting-consulenten heeft geschonden.
  4. Voormeld artikel 148, dat de openbaarheid van de terechtzitting voorschrijft, en artikel 149, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken, zijn rechtens alleen toepasselijk op de rechtbanken, in de zin die aan dat woord is gegeven in de artikelen 148 en 149 van de Grondwet, dat is op de rechtbanken van de rechterlijke macht. De artikelen 148 en 149 van de Grondwet zijn enkel op andere rechtscolleges toepasselijk als een bijzondere bepaling zulks voorschrijft. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de beslissing van de Tuchtcommissie nietig is wegens schending van de artikelen 148 en 149 van de Grondwet, faalt het naar recht.
  5. Het middel dat niet aan de feitenrechter is voorgelegd en waarover deze evenmin op eigen initiatief uitspraak heeft gedaan, ook als is het gegrond op een wettelijke bepaling of verdragsbepaling, die de openbare orde raakt of van dwingend recht is, kan niet voor het Hof worden opgeworpen, wanneer de feitelijke gegevens die voor de beoordeling noodzakelijk zijn, door de feitenrechter niet worden vastgesteld of niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan.
  6. Uit de beroepen beslissing waarvan de redenen door de bestreden beslissing worden overgenomen, blijkt dat de behandeling geschiedde met gesloten deuren. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, kan niet worden uitgemaakt of de eiser voor de Tuchtcommissie al dan niet een behandeling met gesloten deuren heeft gevraagd. De eiser heeft de wijze van behandeling voor de Tuchtcommissie niet betwist en is hiertegen evenmin opgekomen voor de Commissie van beroep. Het middel is in zoverre nieuw en mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. De kosten begroot op de som van 446,43 euro jegens de eisende partij en op de som van 174,15 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Didier Batselé, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 10 april 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080410.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110617.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950921.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.