id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080410.7 Rolnummer: D.07.0013.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-04-21 Raadplegingen: 195 - laatst gezien 2026-07-03 04:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een algemeen rechtsbeginsel van onderzoek door de tuchtrechter, volgens hetwelk deze ambtshalve de nodige initiatieven moet nemen als het aangedragen bewijsmateriaal onvoldoende is om tot een verantwoorde beslissing te komen, bestaat niet. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Algemeen Vrije woorden: Tuchtrechter - Bewijs - Ambtshalve onderzoek - Verplichting Tekst van de beslissing Nr. D.07.0013.N ORDE DER GENEESHEREN, publiekrechtelijk rechtspersoon, vertegenwoordigd door de voorzitter van haar nationale raad, gevestigd te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein 35, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen R.A., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 4 juni 2007 gewezen door de raad van beroep van de Orde der geneesheren, met het Nederlands als voertaal. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 6, enig lid, 2°, 13, eerste lid, 20, §2, 21, 25, §4, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren; - het algemeen rechtsbeginsel van onderzoek door de rechter, volgens hetwelk de rechter ambtshalve de nodige initiatieven moet nemen als het aangedragen bewijsmateriaal onvoldoende is om tot een verantwoorde beslissing te komen. Aangevochten beslissingen De raad van beroep van de Orde der geneesheren met het Nederlands als voertaal doet in zijn beslissing van 4 juni 2007 de beslissing van de provinciale raad van de provincie West-Vlaanderen van de Orde der geneeshe¬ren van 25 januari 2006 teniet en, zelf oordelend, zegt dat er geen redenen zijn om een tuchtstraf uit te spreken tegen dokter R.. De raad van beroep grondt zijn beslissing op volgende motieven (beslissing pp. 1-3) : "T.a.v. de nietigheid van de bestreden beslissing: (...) Uit wat voorafgaat, blijkt dat de bestreden beslissing moet te niet gedaan worden zodat de raad van beroep dient kennis te nemen van het ‘geheel van de zaak' bij toepassing van artikel 25, §4, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november
- T.a.v. de tenlasteleggingen ten gronde: De nietigheid van de bestreden beslissing heeft als gevolg dat deze raad geen rekening vermag te houden met de beoordelingsgegevens die uitsluitend verwoord worden in de tekst van deze beslissing. Het enig onderzoeksgegeven in het provinciaal dossier voorkomend is het verhoor van Dr. R. door de onderzoekscommissie op 12 april
- Op vraag van deze commissie van 18 juli 2006 aan Dr. R. of de verklaringen door hem afgelegd tijdens voormeld verhoor gelijkvormig werden weergegeven in het verhoorverslag reageerde hij door op 19 juli 2006 een exemplaar ‘voor kennisneming' te ondertekenen (waardoor hij zijn goedkeuring betuigde met de weergave). Uit het provinciaal dossier blijkt niet dat buiten voormeld verhoor (17 regels verklaringen van Dr. R. bevattend) enige andere onderzoekshandeling door de onderzoekscommissie werd gesteld. Dr. K. noch iemand van de directie van het AZ St. Jan te Brugge werden gehoord hoezeer zij ook rechtstreeks betrokken waren bij het onderzochte tuchtprobleem. De hiervoor aangehaalde verklaringen van Dr. R. aan de onderzoekscommissie werden in geen enkele mate en op geen enkele wijze nader onderzocht. Geen enkel document werd opgevraagd noch aan Dr. R. noch aan het ziekenhuis noch aan wie ook. Er doet zich geen grond voor om de verklaringen van Dr. R. aan de onderzoekscommissie als onjuist of ongeloofwaardig te aanzien. De feiten, zoals in de tenlast(e)leggingen ingeroepen, zijn niet bewezen door het hiervoor aangehaald minimaal onderzoek zodat ze geen grondslag kunnen vormen om Dr. R. een schending te verwijten van de deontologische normen zoals aangehaald in artikel 6, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10.11.1967 (betreffende de Orde der geneesheren) (en) zodat er geen redenen zijn om een tuchtstraf tegen hem uit te spreken". Grieven Overeenkomstig de artikelen 6, enig lid, 2°, en 13, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren, zijn de provinciale raden van de Orde der geneesheren, en in hoger beroep de raden van beroep van de Orde der geneesheren, bevoegd om te waken over het naleven van de regelen van de medische plichtenleer en over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de geneesheren die op de lijst van de Orde zijn ingeschreven. Zij zijn belast met het treffen van tuchtmaatregelen wegens fouten die de geneesheren in de uitoefening van hun beroep of naar aanleiding ervan begaan, alsook wegens zware fouten bedreven buiten de beroepsbezigheid, wanneer die fouten de eer of de waardigheid van het beroep kunnen aantasten. Naar luid van artikel 21 van hetzelfde koninklijk besluit nr. 79 tekende verweerder met aangetekend schrijven van 10 november 2006 hoger beroep aan tegen de jegens hem getroffen tuchtrechtelijke beslissing van 25 oktober 2006 van de Provinciale Raad van West-Vlaanderen van de Orde der geneesheren, zodat, overeenkomstig artikel 25, §4, van hetzelfde koninklijk besluit, de zaak in haar geheel ter kennis kwam van de raad van beroep met het Nederlands als voertaal. Overeenkomstig artikel 20, §2, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 79 belast de raad van beroep die kennis neemt van het hoger beroep tegen een tuchtrechtelijke beslissing van een provinciale raad, één van de verslaggevers met het onderzoek van de zaak. Deze brengt verslag uit bij de raad. Op verzoek van de raad doet de verslaggever alle bijkomende onderzoeksverrichtingen. Bovendien mag de raad van beroep de verslaggever van de provinciale raad die deelgenomen heeft aan het onderzoek in eerste aanleg horen. Aldus dient de raad van beroep, die oordeelt dat het dossier dat hem overgemaakt werd door de provinciale raad en waarvan hij desgevallend bepaalde stukken nietig verklaart, nog onvoldoende gegevens bevat om een tuchtrechtelijke beslissing te gronden, zonodig bijkomende onderzoeksverrichtingen op te leggen aan de verslaggever en eventueel de verslaggever van de provinciale raad die deelgenomen heeft aan het onderzoek in eerste aanleg, te horen. De raad van beroep is daartoe gehouden niet alleen ingevolge bovengenoemde bepalingen van het genoemde koninklijk besluit nr. 79, maar eveneens overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van onderzoek door de rechter, volgens hetwelk de rechter ambtshalve de nodige initiatieven moet nemen als het aangedragen bewijsmateriaal onvoldoende is om tot een verantwoorde beslissing te komen. Slechts wanneer de tuchtrechter oordeelt dat bijkomend onderzoek onmogelijk dan wel zonder belang is kan hij wettig beslissen dat er geen redenen zijn tot het opleggen van een tuchtstraf wegens onvoldoende onderzoek van de zaak. Te dezen oordeelde de raad van beroep dat, ingevolge de nietigverklaring van de beslissing van de provinciale raad geen rekening mocht worden gehouden met de beoordelingsgegevens die uitsluitend verwoord worden in de tekst van de betreffende beslissing en dat het overgebleven enig onderzoeksgegeven in het provinciaal dossier, te weten een verhoor van de verweerder door de onderzoekscommissie, onvoldoende was om de tenlastegelegde feiten als bewezen te beschouwen, zodat er geen reden was om een tuchtstraf uit te spreken. De raad van beroep stelt hierbij vast dat noch Dr. K., noch iemand van de directie van het AZ Sint Jan te Brugge werden gehoord, dat de verklaringen van Dr. R. aan de onderzoekscommissie niet nader werden onderzocht, dat geen enkel document werd opgevraagd, noch aan Dr. R., noch aan het ziekenhuis, noch aan wie dan ook. De raad van beroep stelt niet vast dat deze onderzoeksverrichtingen die hij klaarblijkelijk nuttig acht, niet meer konden worden uitgevoerd, doch laat na de verslaggever te gelasten met een aanvullend onderzoek in die zin. De raad van beroep kon bijgevolg niet wettig, op grond van de beperktheid van het gevoerde onderzoek, oordelen dat de aan Dr. R. verweten feiten niet bewezen waren en er geen redenen waren om een tuchtstraf lastens hem uit te spreken. De raad van beroep schendt bijgevolg alle in het middel aangehaalde bepalingen en algemeen rechtsbeginsel. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Een algemeen rechtsbeginsel van onderzoek door de tuchtrechter, volgens hetwelk deze ambtshalve de nodige initiatieven moet nemen als het aangedragen bewijsmateriaal onvoldoende is om tot een verantwoorde beslissing te komen, bestaat niet. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Het middel gaat verder ervan uit dat de raad van beroep aanvullende onderzoeksverrichtingen klaarblijkelijk nuttig acht.
- De raad van beroep oordeelt in feite dat er geen gronden waren om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verweerder en geeft aldus te kennen dat bijkomende onderzoeksmaatregelen overbodig zijn.
- In zoverre gaat het middel uit van een onjuiste lezing en mist het feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 347,22 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns en in openbare terechtzitting van 10 april 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080410.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div