id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080414.3 Rolnummer: C.07.0380.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-04-28 Raadplegingen: 554 - laatst gezien 2026-07-03 04:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 88, tweede lid van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, impliceert dat de verzekeraar, teneinde zijn recht op verhaal niet te verliezen, aan de betrokken persoon duidelijk en ondubbelzinnig kennis moet geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen
(1).
(1)Zie Cass.,12 okt. 2000, AR C.99.0219.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001012.5, A.C., 2000, nr.
- Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering Vrije woorden: Verhaal van de verzekeraar - Verplichting tot kennisgeving van zijn voornemen Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art. 88, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.07.0380.N V.P., eiser, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van 31 juli 2007, nr. G.07.0100.N, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 8 februari 2007 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De zaak is bij beschikking van voorzitter Christian Storck van 21 maart 2008 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 88, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, is de verzekeraar op straffe van verval van zijn recht van verhaal verplicht de verzekeringnemer of, in voorkomend geval, de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, kennis te geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit gegrond is.
- Die bepaling impliceert dat de verzekeraar, teneinde zijn recht op verhaal niet te verliezen, aan de betrokken persoon duidelijk en ondubbelzinnig kennis moet geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster in de door haar aan de eiser verzonden brief van 21 augustus 2001 schreef dat: - zij er zou kunnen toe overgaan verhaal uit te oefenen op de eiser, nu zij meent dat deze op het ogenblik van het ongeval in staat van dronkenschap zou kunnen geweest zijn; - zij derhalve meent een recht van verhaal te hebben tegen de eiser op grond van de artikelen 24 en 25 van het modelcontract BA Auto, behoudens zo zou blijken dat de feiten waarop haar beslissing steunt niet werden vastgesteld; - zij de eiser bijgevolg nu reeds verzoekt een persoonlijke raadsman aan te stellen met het oog op de verdediging van zijn belangen.
- Op grond hiervan vermochten de appelrechters, zonder de bewijskracht van de voormelde brief te miskennen, wettig te beslissen dat de verweerster ondubbelzinnig heeft aangegeven dat zij verhaal zou uitoefenen en dat zij in die zin een beslissing genomen had, behoudens wanneer het rijden in staat van dronkenschap achteraf niet zou bewezen worden of buiten oorzakelijk verband zou staan met het ongeval. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 439,00 euro, in debet, jegens de eisende partij en op de som van 139,00 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 14 april 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080414.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001012.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div