← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080415.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080415.1 Rolnummer: P.08.0563.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-04-28 Raadplegingen: 493 - laatst gezien 2026-07-03 14:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer een aangehouden verdachte voorlopig in vrijheid wordt gesteld onder de voorwaarde zich te laten opnemen in een gesloten afdeling van een psychiatrische instelling en daarmee heeft ingestemd, maakt dat gedwongen verblijf in die instelling geen schending uit van de psychische en fysische integriteit van de verdachte; het feit dat de verdachte nadien zijn instemming dienaangaande intrekt, doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)Omtrent de grenzen van de appreciatiebevoegdheid van de rechter bij het opleggen van voorwaarden, zie Cass., 18 maart 2003, AR P.03.0352.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030318.13, A.C., 2003, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Voorwaarde zich te laten opnemen in een gesloten afdeling van een psychiatrische instelling - Instemming van de verdachte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, §§ 1, derde lid, en 5, eerste en tweede lid, en 35, §§ 1 en 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.08.0563.N C V D, verdachte, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Veerle Vanduffel, advocaat bij de balie te Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van het verslag van psycholoog C.
  4. De appelrechters toetsen de verslagen van de deskundigen en technisch raadgevers, waaronder het verslag van psycholoog C, aan elkaar. Aldus aanvaarden zij deels dit verslag en verwerpen zij het deels. Zodoende geven zij van dit verslag geen uitlegging maar beoordelen zij de bewijswaarde ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel voert een motiveringsgebrek aan en stelt dat de appelrechters de bewijswaarde van het verslag van de dokters V A en V verkeerd beoordelen.
  6. De rechter hoeft niet te antwoorden op argumenten die aangevoerd worden ter ondersteuning van een middel maar die afzonderlijk genomen geen middel uitmaken. Het in het onderdeel vermelde argument werd door de eiser enkel aangevoerd in het kader van de beoordeling van de bewijswaarde van het verslag van de dokters V A en V. De appelrechters dienden dit argument niet afzonderlijk te beantwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  7. In zoverre het onderdeel voor het overige opkomt tegen de feitelijke, mitsdien onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van dit verslag, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.c EVRM, evenals een motiveringsgebrek: door de weigering om de voorwaarden van invrijheidstelling te wijzigen, wordt een toestand van vrijheidsberoving bestendigd waarvoor geen wettelijke basis is. De appelrechters hebben bovendien dit verweer niet beantwoord.
  9. Artikel 5.1.c EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg: (...) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen gehouden ten einde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer redelijke termen aanwezig zijn om te vermoeden, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan". Krachtens artikel 35, §§ 1 en 5, Wet Voorlopige Hechtenis, kunnen de onderzoeksgerechten ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, de betrokkene in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden. Krachtens artikel 35, § 2, Wet Voorlopige Hechtenis, moeten alle beslissingen waarbij aan de verdachte of de beklaagde een of meer voorwaarden worden opgelegd, met redenen omkleed zijn, zoals bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, Wet Voorlopige Hechtenis. Krachtens artikel 35, § 3, Wet Voorlopige Hechtenis, moeten de voorwaarden betrekking hebben op een van de redenen genoemd in artikel 16, § 1, derde lid, Wet Voorlopige Hechtenis en daaraan aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak. Artikel 16, § 1, derde lid, Wet Voorlopige Hechtenis, vermeldt als redenen dat indien het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar opsluiting niet te boven gaat, er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden.
  10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - op 12 maart 2006 lastens de eiser een bevel tot aanhouding werd uitge¬vaardigd op verdenking van doodslag en opzettelijke slagen met verzwarende omstandigheden; - de eiser op 20 juli 2006 in voorlopige vrijheid werd gesteld onder de voorwaarde, waarmee hij zijn instemming betuigde, "zich te laten opnemen in de gesloten afdeling gerontopsychiatrie van het U.P.C. Sint Kamillus te Bierbeek met onmiddellijke overbrenging van de gevangenis naar de gerontopsychiatrische inrichting door middel van aangepast en professioneel ziekenvervoer, en de richtlijnen van de dokters van deze inrichting correct na te leven"; - op 30 november 2006 de opgelegde voorwaarden in die mate gewijzigd werden dat de eiser de mogelijkheid werd geboden "zijn afdeling voor een korte duur en onder begeleiding te verlaten (bv. bezoek cafetaria, wandeling met rolstoel), daarbij steeds binnen het terrein van het instituut blijvend"; - bij arrest van 5 april 2007 hem de toestemming werd verleend om "één keer per week het U.P.C. Sint-Kamillus te Bierbeek onder begeleiding te verlaten en voor een hele of halve dag naar huis te gaan"; - de eiser thans niet meer instemt met zijn verplichte behandeling in een gesloten afdeling van de psychiatrische instelling.
  11. De appelrechters oordelen met eigen redenen en met verwijzing naar eerdere arresten en beschikkingen dat: - er ernstige aanwijzingen bestaan dat de eiser zich schuldig gemaakt heeft aan feiten die een straf tot gevolg kunnen hebben die vijftien jaar opsluiting te boven gaat; - "uit het verslag d.d. 28 januari 2008 van klinisch psycholoog C blijkt dat ‘wel is het zo dat volgens dokter L zijn globale gezondheid een grote risicofactor inhoudt' en uit het verslag d. d. 5 februari 2008 van psychiaters V A en V blijkt dat 'zijn huidige geestelijke en fysische toestand maken hem, zeker gezien zijn antecedenten, tot een ambulante tijdbom, met gevaar voor de eigen gezondheid en naar de medeburgers toe' en dat een nauwgezette verdere observering en behandeling zijn hier essentieel", - de verdere handhaving van de voorwaarden volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid.
  12. Aldus verantwoorden de appelrechters de opgelegde voorwaarden naar recht zonder schending van het vermelde verdragsartikel en beantwoorden zij eisers verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van eisers psychische en fysieke integriteit, evenals een motiveringsgebrek: het gedwongen verblijf in een gesloten afdeling van een psychiatrische instelling maakt een schending uit van eisers psychische en fysieke integriteit. De appelrechters hebben bovendien dit verweer niet beantwoord.
  14. Uit het antwoord op het tweede middel blijkt dat de eiser heeft ingestemd met de hem opgelegde voorwaarden zodat de opgelegde voorwaarde geen schending uitmaakt van eisers psychische en fysieke integriteit. Het feit dat de eiser nadien zijn instemming dienaangaande intrekt, doet hieraan geen afbreuk. Met de redenen die zij vermelden, beantwoorden de appelrechters eisers verweer en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM: de appelrechters houden bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn geen rekening met de bijkomende onderzoeksverrichtingen die nog zullen moeten uitgevoerd worden.
  16. Artikel 5.3 EVRM verleent onder meer aan de gearresteerde het recht om binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.
  17. De rechter die oordeelt dat de voorwaarden voor de handhaving van een voorlopige hechtenis vervuld zijn, mag de redelijke termijn van die voorlopige hechtenis beoordelen rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden van de zaak.
  18. Met eigen redenen en verwijzing naar de redenen van het arrest van 7 januari 2008 hebben de appelrechters wettig kunnen beslissen dat de duur van eisers voorlopige hechtenis de redelijke termijn niet heeft overschreden. De omstandigheid dat de eiser alsnog een verzoek zou kunnen indienen om bijkomende onderzoeksverrichtingen te laten uitvoeren, doet hieraan geen afbreuk. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 60,26 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 15 april 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080415.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030318.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.