← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080417.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008

Art. 135, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

1382 en 1383 Thesaurus CAS: WEGEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Gemeente - Veiligheidsverplichting Wettelijke bepalingen:

Art. 135, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

1382 en 1383 Thesaurus CAS: GEMEENTE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Wegen - Veiligheidsverplichting Wettelijke bepalingen:

Art. 135, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

1382 en 1383 Fiches 4 - 6 De verplichting van de gemeentelijke overheid ieder abnormaal gevaar dat de redelijke verwachting van de weggebruikers kan beschamen, ongeacht of het verborgen dan wel zichtbaar is, door gepaste maatregelen te voorkomen houdt geen resultaatverbintenis in

(2); bij de beoordeling van het bestaan van een fout van de gemeente, dient de rechter derhalve rekening te houden met het feit dat de gemeentelijke overheid de bedoelde gevaarssituatie kende dan wel behoorde te kennen.
(2)Cass., 28 jan. 2005, AR C.02.0272.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.7, A.C., 2005, nr 55. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Gemeente - Wegen - Veiligheidsverplichting - Aard - Beoordeling Wettelijke bepalingen:

Art. 135, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

1382 en 1383 Thesaurus CAS: WEGEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Gemeente - Veiligheidsverplichting - Aard - Beoordeling Wettelijke bepalingen:

Art. 135, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

1382 en 1383 Thesaurus CAS: GEMEENTE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Wegen - Veiligheidsverplichting - Aard - Beoordeling Wettelijke bepalingen:

Art. 135, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

1382 en 1383 Fiches 7 - 10 Wanneer het slachtoffer het bewijs levert van een abnormaal gevaar op een weg in de gemeente, dient in beginsel te worden aanvaard, behoudens tegenbewijs, dat de gemeentelijke overheid die gevaarssituatie behoorde te kennen en maatregelen vereist waren om het gevaar weg te werken; om in dat geval niet aansprakelijk te worden gesteld staat het aan de gemeentelijke overheid het bewijs te leveren dat zij de gevaarssituatie niet behoorde te kennen en niet kende, ofwel gelet op het tijdsverloop in de onmogelijkheid is geweest de nodige maatregelen te treffen om het abnormaal gevaar te onderkennen. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Gemeente - Wegen - Abnormaal gevaar - Bewijslast Wettelijke bepalingen:

Art. 135, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

1382 en 1383 Thesaurus CAS: WEGEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Gemeente - Abnormaal gevaar - Bewijslast Wettelijke bepalingen:

Art. 135, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

1382 en 1383 Thesaurus CAS: GEMEENTE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Wegen - Abnormaal gevaar - Bewijslast Wettelijke bepalingen:

Art. 135, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

1382 en 1383 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Gemeente - Wegen - Abnormaal gevaar - Bewijslast Wettelijke bepalingen:

Art. 135, § 2 oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

1382 en 1383 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0575.N GEMEENTE NEVELE, vertegenwoordigd door het College van burgemeester en schepenen, met kantoren te 9850 Nevele, Cyriel Buyssestraat 15-17, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen W. P., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en in aanwezigheid van VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kantoor te 1000 Brussel, Graaf de Ferraris-gebouw, Koning Albert II-laan 20, bus 1, partij opgeroepen in gemeenverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 29 september 2005 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet zoals gecodificeerd bij koninklijk besluit van 24 juni 1988; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1147, 1148 en 1315 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis dat de veroordeling van de eiseres (en de in gemeenverklaring opgeroepen partij) tot het betalen van schadevergoeding aan de verweerder bevestigt, rust onder meer op volgende overwegingen: "De aansprakelijkheid van (de eiseres). (De eiseres) houdt voor dat de eerste rechter door de concrete invulling van de op de gemeente rustende verplichting inzake veilig wegbeheer van de op haar rustende inspanningsverplichting de facto een resultaatsverbintenis heeft gemaakt. De eerste rechter omschrijft terecht de specifieke plicht van de gemeente die uit artikel 135, §2, Gemeentewet, voortvloeit als het voorkomen, door gepaste maatregelen, van ieder abnormaal gevaar, tenzij een vreemde oorzaak, die de gemeente niet kan worden aangerekend, haar verhindert haar veiligheidsverplichting na te komen (Cass. 26 mei 1994, Arr. Cass. 1994, nr. 421). In casu kan niet ernstig worden betwist dat de aanwezige olievlek een abnormaal gevaar op de weg vormde (ter zake wordt verwezen naar de motivering onder punt 3) en dat het noodzakelijk was dat de gemeente tussenbeide kwam door de olievlek op te ruimen. Het is aan (de eiseres) om aan te tonen dat er in casu sprake is van een verschoningsgrond die haar van haar aansprakelijkheid zou kunnen ontslaan. De gemeente draagt de bewijslast van de verschoningsgrond (Cass. 12 januari 2001, T.A.V.W. 2001, afl. 4, 260). Dergelijke verschoningsgrond zou kunnen bestaan uit het feit dat de gemeente nog niet op de hoogte kon zijn van het aanwezige gevaar of gelet op het tijdsverloop materieel nog niet (

  1. in)de mogelijkheid was geweest om de nodige maatregelen te treffen om het abnormaal gevaar te ondervangen. (De eiseres) toont niet (aan) dat in de onderhavige zaak de olievlek nog maar pas op de rijbaan lag op het ogenblik dat het ongeval gebeurde en dat zij derhalve in de materiële onmogelijkheid was tijdig de nodige maatregelen te treffen. De eerste rechter oordeelde dan ook terecht dat (de eiseres) op grond van artikel 135, §2, Gemeentewet, aansprakelijk is voor de door (de verweerder) geleden schade". Grieven Schending van artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet, artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1147, 1148 en 1315 van het Burgerlijk Wetboek. 1. Overeenkomstig artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet hebben de gemeenten "tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen. Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd: 1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen (...)". Deze specifieke veiligheidsplicht houdt in dat een gemeente voor het openbaar verkeer enkel voldoende veilige wegen mag aanleggen en openstellen. Ze moet, tenzij een vreemde oorzaak die haar niet kan worden aangerekend haar verhindert haar veiligheidsplicht na te komen, door aangepaste maatregelen ieder abnormaal gevaar dat de redelijke verwachting van de weggebruikers kan beschamen, ongeacht of het verborgen dan wel zichtbaar is, voorkomen. Het abnormaal gevaar is een toestand die van aard is het rechtmatig vertrouwen van de weggebruiker te verschalken en waarbij een normaal voorzichtige en redelijke overheid, in concreto tussenbeide moet komen. De bewijslast van het abnormaal gevaar, met zijn twee componenten, ligt bij het slachtoffer. De grond tot ontheffing van de aansprakelijkheid - een vreemde oorzaak die de gemeente niet kan worden aangerekend - betreft de omstandigheden die het voor de gemeente onmogelijk hebben gemaakt om de veiligheidsplicht zelf uit te oefenen. Zijn deze omstandigheden er niet, dan wordt van de gemeente verwacht dat ze haar veiligheidsplicht correct uitoefent. De gemeente draagt de bewijslast van de rechtvaardigingsgrond. 2. De veiligheidsverplichting van de gemeente houdt geen resultaatsverbintenis in. De eiseres is overeenkomstig artikel 135, §2, van de Gemeentewet, slechts tot een inspanningsverbintenis gehouden. Elke partij moet het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert (artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek). De verweerder moet bewijzen dat hij aanspraak kan maken op artikel 135, §2, van de Gemeentewet en dat de eiseres in de verplichtingen voortvloeiende uit deze wetsbepaling is tekortgeschoten. Aangezien deze bepaling een inspanningsverbintenis inhoudt moet de verweerder bovendien bewijzen dat de eiseres bij de nakoming van de verplichting voortvloeiende uit artikel 135, §2, van de Gemeentewet onzorgvuldig is geweest. Pas indien de verweerder in dit bewijs geslaagd zou zijn, zou de eiseres de aanwezigheid van een vreemde oorzaak dienen te bewijzen (artikel 1147 en 1148 van het Burgerlijk Wetboek). 3. In het bestreden vonnis wordt, bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van de eiseres, allereerst verwezen naar de omschrijving van de veiligheidsplicht van de gemeente in de rechtspraak van het Hof. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat in casu niet ernstig betwist kan worden "dat de aanwezige olievlek een abnormaal gevaar op de weg vormde (ter zake wordt verwezen naar de motivering onder punt 3) en dat het noodzakelijk was dat de gemeente tussenbeide kwam door de olievlek op te ruimen". De rechtbank oordeelt dat eiseres moet aantonen dat er sprake is "van een verschoningsgrond die haar van haar aansprakelijkheid zou kunnen ontslaan. De gemeente draagt de bewijslast van de verschoningsgrond (...). Dergelijke verschoningsgrond zou kunnen bestaan uit het feit dat de gemeente nog niet op de hoogte kon zijn van het aanwezige gevaar of gelet op het tijdsverloop materieel nog niet in de mogelijkheid was geweest om de nodige maatregelen te treffen om het abnormaal gevaar te ondervangen". Volgens de rechtbank toont de eiseres echter niet aan dat "de olievlek nog maar pas op de rijbaan lag op het ogenblik dat het ongeval gebeurde en dat zij derhalve in de materiële onmogelijkheid was tijdig de nodige maatregelen te treffen" zodat de eerste rechter volgens de rechtbank terecht oordeelde dat de eiseres op grond van artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet aansprakelijk is voor de door de verweerder geleden schade. 4. De eiseres had in haar conclusies opgeworpen dat zij slechts tot een inspanningsverbintenis gehouden is (o.m. synthesebesluiten, p. 11). Hierbij heeft zij ook opgeworpen dat "het precies het hebben of niet hebben van de kennis van de gevaarstoestand en de reactie daarop (is), die essentieel is. Het tegendeel resulteert immers in een de facto objectieve aansprakelijkheid, minstens resultaatsverbintenis". De eiseres voegde er aan toe dat door de verweerder niet bewezen wordt dat zij redelijkerwijze kennis moest of kon hebben van de situatie én daar onzorgvuldig, laattijdig zou hebben op gereageerd en dat er geen bewijs van haar nalatigheid in haar toezicht op de rijbaan wordt geleverd. De eiseres concludeerde eveneens dat de wettelijk opgelegde middelenverbintenis, getoetst aan het concreet schadegeval, tot het besluit leidt dat zij voldeed aan de criteria van de gemiddelde, zorgvuldige en voorzichtige overheid (synthesebesluiten, p. 11- 12). 5. De rechtbank heeft vastgesteld dat "in casu (...) niet ernstig (kan) worden betwist (...) dat het noodzakelijk was dat de gemeente tussenbeide kwam door de olievlek op te ruimen". Volgens de rechtbank zou een "verschoningsgrond" kunnen bestaan uit "het feit dat de gemeente nog niet op de hoogte kon zijn van het aanwezige gevaar of gelet op het tijdsverloop materieel nog niet in de mogelijkheid was geweest om de nodige maatregelen te treffen om het abnormaal gevaar te ondervangen". Hier miskent de rechtbank de draagwijdte van de door artikel 135, §2, van de Gemeentewet opgelegde veiligheidsverplichting. Het slachtoffer dient immers het bestaan van een "abnormaal gevaar" te bewijzen. Om dit bewijs te leveren, dient het slachtoffer aan te tonen dat de toestand van het wegdek zijn redelijke verwachting heeft beschaamd omdat het wegdek een "abnormaal kenmerk" vertoont waaraan niet werd verholpen door de gemeente, terwijl een normaal voorzichtige en redelijke gemeente in de gegeven omstandigheden van het ongeval wel zou zijn tussengekomen omdat ze op de hoogte was of behoorde te zijn van het aanwezige gevaar. Er is met andere woorden slechts sprake van een abnormaal gevaar indien de gemeente zich niet als een normaal zorgvuldige gemeente gedraagt door niet tussen te komen terwijl ze op de hoogte was of behoorde te zijn van het aanwezige gevaar. Aangezien op de gemeente slechts een inspanningsverbintenis rust moeten de weggebruikers er rekening mee houden dat de gemeente enkel een dergelijk abnormaal gevaar dient te verhinderen en niet elk gevaar kan en moet verhinderen. Hetgeen de rechtbank dus ten onrechte als door de eiseres te bewijzen "verschoningsgrond" aanduidt is in werkelijkheid hetgeen door het slachtoffer moet bewezen worden om tot het bestaan van een abnormaal gevaar te kunnen besluiten. De rechtbank gaat hoe dan ook niet in concreto na of de verweerder er in slaagt te bewijzen dat, in de gegeven omstandigheden van het schadegeval, de eiseres, die zich als een normaal zorgvuldige gemeente moet gedragen, reeds had moeten tussenkomen. Artikel 135, §2, van de Gemeentewet legt geen resultaatsverbintenis op aan de gemeenten. Indien door het slachtoffer bewezen wordt dat de gemeente diende tussen te komen omdat ze op de hoogte was of behoorde te zijn van het aanwezige gevaar, dan kan de gemeente zich enkel nog bevrijden door een verschoningsgrond in te roepen, nl. een vreemde oorzaak die haar niet kan worden aangerekend en die haar verhindert haar veiligheidsplicht na te komen, ook al was ze op de hoogte van het aanwezige gevaar of behoorde ze hiervan op de hoogte te zijn. De rechtbank is echter niet tot deze redenering gekomen omdat ze ten onrechte het bewijs van het feit dat de gemeente op de hoogte was of kon zijn van het aanwezige gevaar bij de eiseres heeft gelegd, terwijl dit bewijs bij de verweerder had dienen te worden gelegd. 6. Aangezien artikel 135, §2, van de Gemeentewet een inspanningsverbintenis inhoudt, is een gemeente er toe gehouden al het mogelijke te doen om de veiligheid en het vlot verkeer op de openbare wegen te garanderen. Ze is aansprakelijk wanneer zich een ongeval voordoet dat te wijten is aan een gebrek aan veiligheid en het slachtoffer kan bewijzen dat de gemeente de gevaarsituatie niet heeft aangepakt zoals een normaal zorgvuldige gemeente, die de gevaarssituatie kent of kon kennen, dat in dezelfde omstandigheden zou doen (zie in dit verband ook de term "waakzaamheid" in artikel 135, §2, van de Gemeentewet). De gemeente kan zich bevrijden door te bewijzen dat zij door overmacht niet in staat was om haar op die manier omschreven veiligheidsplicht na te komen. Indien de gemeente aansprakelijk wordt gesteld wanneer zich een ongeval voordoet dat te wijten is aan een gebrek aan veiligheid zonder dat het slachtoffer moet bewijzen dat de gemeente de gevaarsituatie niet heeft aangepakt zoals een normaal zorgvuldige gemeente, die de gevaarssituatie kent of behoorde te kennen, dat in dezelfde omstandigheden zou doen, dan rust op de gemeente een resultaatsverbintenis. 7. Het bestreden vonnis schendt derhalve artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet doordat het uit de vaststelling dat niet betwist kon worden dat de aanwezige olievlek een abnormaal gevaar op de weg vormde en dat het noodzakelijk was dat de gemeente tussenbeide kwam door de olievlek op te ruimen enerzijds en uit het feit dat eiseres geen verschoningsgrond bewijst omdat zij niet aantoont dat de olievlek nog maar pas op de rijbaan lag op het ogenblik dat het ongeval gebeurde en dat zij derhalve in de materiële onmogelijkheid was tijdig de nodige maatregelen te treffen anderzijds, afleidt dat de eiseres aansprakelijk is en haar in solidum met het Vlaams Gewest veroordeelt tot betaling van de door de verweerder geleden schade. De fout van de gemeente werd immers vastgesteld zonder dat bewezen werd verklaard dat de gemeente de gevaarsituatie niet heeft aangepakt zoals een normaal zorgvuldige gemeente, die de gevaarssituatie kende of behoorde te kennen, dat in dezelfde omstandigheden zou doen. De redenering van de rechtbank komt er op neer dat aan de eiseres een resultaatsverbintenis wordt opgelegd, hetgeen in strijd is met artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet. Door de draagwijdte van de in artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet vervatte middelenverbintenis te miskennen schendt het bestreden vonnis bovendien de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 1147, 1148 en 1315 van het Burgerlijk Wetboek, en de daarin gestelde regels inzake bewijslast. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet, mag de gemeentelijke overheid enkel voldoende veilige wegen voor het verkeer openstellen. Behoudens wanneer een vreemde oorzaak die haar niet kan worden aangerekend, haar belet de op haar rustende veiligheidsverplichting na te komen, moet zij ieder abnormaal gevaar dat de redelijke verwachting van de weggebruikers kan beschamen, ongeacht of het verborgen dan wel zichtbaar is, voorkomen door gepaste maatregelen. Deze verplichting houdt geen resultaatsverbintenis in. Bij de beoordeling van het bestaan van een fout van de gemeente, dient de rechter derhalve rekening te houden met het feit dat de gemeentelijke overheid de bedoelde gevaarssituatie kende dan wel behoorde te kennen. 2. Wanneer het slachtoffer het bewijs levert van een abnormaal gevaar op een weg in de gemeente, dient in beginsel te worden aanvaard, behoudens tegenbewijs, dat de gemeentelijke overheid die gevaarssituatie behoorde te kennen en maatregelen vereist waren om het gevaar weg te werken. Om in dat geval niet aansprakelijk te worden gesteld staat het aan de gemeentelijke overheid het bewijs te leveren dat zij de gevaarssituatie niet behoorde te kennen en niet kende, ofwel gelet op het tijdsverloop in de onmogelijkheid is geweest de nodige maatregelen te treffen om het abnormaal gevaar te onderkennen. 3. Het bestreden vonnis stelt vast, op grond van de gegevens van het strafdossier, dat een olievlek een abnormaal gevaar op de baan vormde en dat het noodzakelijk was die op te ruimen. Met het oordeel dat de eiseres niet aantoont dat de olievlek nog maar pas op de rijbaan lag op het ogenblik van het ongeval en dat zij derhalve in de materiële onmogelijkheid was tijdig de nodige maatregelen te nemen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de eiseres medeaansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het ongeval. Het middel kan niet worden aangenomen. Vordering tot bindendverklaring 4. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring die de eiseres tegen de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij heeft ingesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring van het arrest. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 647,88 euro jegens de eisende partij en op de som van 236,27 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 17 april 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080417.10 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091106.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131028.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.