← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080422.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080422.3 Rolnummer: P.07.1866.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2008-05-27 Raadplegingen: 616 - laatst gezien 2026-07-03 07:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet op het hoger beroep van de verzoeker tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen, betreft een proceshandeling die verbonden is met het voorbereidend onderzoek tot het in staat stellen van de zaak en heeft bijgevolg verjaringstuitende kracht

(1).
(1)Zie Cass., 24 dec. 1917, Bull. en Pas., 1918, I, 166, dat een algemene definitie geeft van de daden die de verjaring van de strafvordering stuiten. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Stuiting UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Verval van de strafvordering - Verjaring Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Uitspraak over verzoek tot opheffing van een onderzoekshandeling - Verjaringstuitende kracht Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 22 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 2 Een daad van stuiting van de verjaring werkt in rem, dit wil zeggen ze betreft het misdrijf als dusdanig; zij geldt voor alle mededaders en medeplichtigen van hetzelfde misdrijf, al waren zij in feite vreemd aan de daad van onderzoek en al worden ze pas later en zelfs afzonderlijk vervolgd; de verjaringstuitende kracht van een daad van onderzoek strekt zich ook uit tot de samenhangende feiten
(1).
(1)Cass., 16 dec. 1986, AR 243, A.C., 1986-1987, 235; 2 dec. 1987, AR 6123, A.C., 1987-1988, 203; 16 mei 2006, AR P.06.0289.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.6, A.C., 2006, 276. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Stuiting UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Verval van de strafvordering - Verjaring Vrije woorden: Stuitingsdaad Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 22 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 3 Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel "van de autonomie van de proces-partijen in een strafrechterlijk geding"
(1).
(1)Zie: Algemene rechtsbeginselen, Verslag van het Hof van Cassatie, 2003,
  1. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Verval van de strafvordering - Verjaring Vrije woorden: Autonomie van de procespartijen in een strafrechterlijk geding Tekst van de beslissing Nr. P.07.1866.N I E S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Georges Henri Beauthier, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1060 Brussel, Berckmansstraat 89, alwaar de eiser woonplaats kiest, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Jan Fermon, advocaat bij de balie te Brussel, voor mr. Georges Henri Beauthier, advocaat bij de balie te Brussel. II
  2. B J B, die woonplaats kiest op het kantoor van advocaat M. De Block, te 2000 Antwerpen, Vlaamse Kaai 54-57, beklaagde,
  3. J A H B, die woonplaats kiest op het kantoor van advocaat M. De Block, te 2000 Antwerpen, Vlaamse Kaai 54-57, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Luc De Daele, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep van de eiser I is gericht tegen de arresten van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 maart 2007 en 15 november
  4. De cassatieberoepen van de eisers II zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 15 november
  5. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, drie middelen aan. De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, één middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 149 Grondwet: het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 12 oktober 2001, dat enkel uitspraak doet over het verzoek van een "derde" tot opheffing van een onderzoekshandeling, is slechts een "parallel lopende procedure" die de beslissing van de bodemrechter niet kan beïnvloeden, en bijgevolg de verjaring van de strafvordering niet kan stuiten. De motivering van het arrest is daarenboven niet adekwaat, tegenstrijdig en onbegrijpelijk.
  7. Artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen de in artikel 21 bepaalde termijn. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken zijn".
  8. Daden van onderzoek zijn alle daden die door een bevoegd persoon worden gesteld en die ertoe strekken gegevens te verzamelen om het dossier in staat van wijzen te brengen.
  9. Een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet op het hoger beroep van de verzoeker tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen, betreft een proceshandeling die verbonden is met het voorbereidend onderzoek tot het in staat stellen van de zaak. Het onderzoeksgerecht oordeelt immers over de noodzaak tot verdere inbeslagneming van het goed met het oog op de waarheidsvinding of een mogelijke verbeurdverklaring door het vonnisgerecht, hetgeen verder reikt dan de loutere uitoefening door de inverdenkinggestelde van zijn recht van verdediging. Voor de verjaringsstuitende kracht is niet daarenboven vereist dat de uitspraak van de kamer van inbeschuldigingstelling effectief bijdraagt tot of een invloed heeft op de beoordeling van de grondrechter. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Een daad van stuiting werkt in rem, dit wil zeggen ze betreft het misdrijf als dusdanig. Zij geldt voor alle mededaders en medeplichtigen van hetzelfde misdrijf, al waren zij in feite vreemd aan de daad van onderzoek en al worden ze pas later en zelfs afzonderlijk vervolgd. De verjaringsstuitende kracht van een daad van onderzoek strekt zich ook uit tot de samenhangende feiten. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de stuitende werking alleen geldt wanneer de persoon tegenover wie de daad is gesteld, samen met de overige mededaders of medeplichtigen voor hetzelfde feit of de samenhangende feiten wordt vervolgd, faalt het eveneens naar recht.
  11. Voor het overige stellen de appelrechters vast dat niet valt te ontkennen dat er tussen de feiten waarvoor de procureur des Konings de verwijzing vorderde van A S en de feiten waarvoor de eiser thans terecht staat een intrinsieke samenhang bestond, zodat de verzoeker A S ten onrechte door de eiser als "derde" wordt bestempeld. In zoverre het onderdeel met "derde" bedoelt een persoon waarop het onderzoek geen betrekking had, mist het feitelijke grondslag.
  12. Het is niet tegenstrijdig te overwegen, enerzijds, dat slechts na afhandeling van alle onderzoeksprocedures een beoordeling ten gronde mogelijk is en die procedures daaraan hun verjaringsstuitende kracht ontlenen, anderzijds, dat die stuitende kracht zich kan uitstrekken tot afzonderlijk gevoerde strafvervolgingen. De appelrechters zeggen daardoor niet dat het afzonderlijk verschijnen van een beklaagde voor de bodemrechter voor de andere medeverdachten het verder instellen van procedures voor de onderzoeksgerechten onmogelijk maakt. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel dat onder meer schending van de artikelen 6.1 en 6.3 EVRM aanvoert, is geheel gericht tegen het oordeel van de appelrechters dat ook het proces-verbaal 100049/01 van 3 januari 2001 de verjaring van de strafvordering stuit.
  14. Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel waaruit blijkt dat de appelrechters terecht het later gewezen arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 12 oktober 2001 als stuitingsdaad mochten aannemen, is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I
  15. Het middel voert schending aan van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, "zoals van toepassing op vóór 1 maart 2004 gepleegde feiten": wegens de ongeldige betekening van de dagvaarding mochten de appelrechters niet oordelen dat de verjaring geschorst was van 28 oktober 2004, datum vastgesteld voor de inleidende zitting, tot en met 23 februari 2005; de schorsing voor de eerste rechter liep eerst van 24 februari 2005 tot de dag waarop het vonnis op 20 oktober 2005 werd uitgesproken.
  16. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel, aanvaarden de appelrechters wettig als laatst nuttige stuitingsdatum 12 oktober
  17. Zelfs rekening houdend met een mindere termijn van schorsing van 126 dagen, is het bestreden arrest tijdig uitgesproken binnen de tweede verjaringstermijn. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I
  18. Het middel voert miskenning aan van het vermoeden van onschuld zoals onder meer neergelegd in artikel 6 EVRM en van de rechten van verdediging: alhoewel essentiële elementen à décharge nooit werden onderzocht of wegens het lange tijdsverloop zijn verloren gegaan, wordt de eiser hoofdzakelijk veroordeeld om reden dat hijzelf geen redelijke uitleg verschaft voor bepaalde punten of onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek; adus wordt de bewijslast omgekeerd.
  19. In zoverre het middel kritiek uitbrengt op het gerechtelijk onderzoek en niet gericht is tegen het bestreden arrest, is het niet ontvankelijk.
  20. Voor het overige oordelen de appelrechters dat: - de beklaagden, waaronder de eiser, ten onrechte voorhouden dat zij na negen jaar niet meer nuttig kunnen worden verhoord over de in beslag genomen stukken; - aan te nemen is dat de boekhoudkundige en bestuurlijke bescheiden van de betrokken ondernemingen nog steeds kunnen worden getraceerd; - niet geloofwaardig is de bewering dat de beklaagden, waaronder de eiser, thans geen contacten meer hebben met personen actief in de betrokken ondernemingen en dat de personen die eventueel zouden kunnen getuigen met betrekking tot de waarachtigheid, de aard en de omvang van de economische activiteit van de ondernemingen en hun relaties met de beklaagden en de onderneming ANB, niet meer nuttig als getuige zouden kunnen worden opgeroepen; - de beklaagden, waaronder de eiser, nog steeds alle mogelijkheden hebben om een debat te voeren, de aangevoerde bewijzen te betwisten en die elementen en feitelijkheden aan te voeren die zij nuttig achten met het oog op hun verdediging; - het gegeven dat bepaalde onderzoeksverrichtingen niet nuttig worden geacht nog niet impliceert dat de onderzoeksrechter of het openbaar ministerie bewust de waarheidsvinding zouden hebben doorkruist; - de telastleggingen van valsheid in geschriften en gebruik bewezen zijn, gelet op de afwezigheid van enig stavend stuk waaruit de economische realiteit van de onder deze telastleggingen vermelde overeenkomsten en facturen zou kunnen blijken, alsook de andere gegevens vermeld op de bladzijden 24 en 25 van het arrest; - dan ook vaststaat dat de verrichtingen omschreven onder de telastleggingen C.I en C.II, waarvoor geen enkele economische verantwoording te bedenken is, als voorwerp de door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde goederen hebben, en elke legale oorsprong van deze goederen met zekerheid kan worden uitgesloten, zonder dat het hof van beroep concreet dient aan te duiden van welk basismisdrijf deze vermogensvoordelen afkomstig zijn; - vaststaat dat de beklaagden bij deze witwasoperaties wel degelijk de strafbare oorsprong kenden van de goederen voorwerp van deze verrichtingen en dit in elk geval op het tijdstip van de aanvang van deze verrichtingen; - om de redenen vermeld op bladzijden 27 en 28 van het arrest, de beslissing tot buitenvervolgingstelling door de Zwitserse autoriteiten geen enkele nuttige conclusie toelaat met betrekking tot de te beoordelen feiten.
  21. In zoverre het middel opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling van de feiten, is het niet ontvankelijk.
  22. Voor het overige mochten de appelrechters op grond van deze redenen de telastleggingen bewezen verklaren. Zij leggen daardoor aan de eiser geen onwettige bewijslast op. Het middel kan niet worden aangenomen. Middel van de eisers II
  23. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 870, 1694, 1695 en 1704 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de autonomie van de procespartijen in een strafrechtelijk geding.
  24. In zoverre het middel niet verduidelijkt waardoor het arrest de artikelen 870, 1694, 1695 en 1704 Gerechtelijk Wetboek schendt, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  25. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel "van de autonomie van de procespartijen in een strafrechterlijk geding". In zoverre faalt het middel naar recht. Eerste onderdeel
  26. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters hun oordeel steunen op veronderstellingen eerder dan op bepaalde met elkaar overeenstemmende en gewichtige gegevens, komt het in werkelijkheid op tegen de bewijswaardering door de rechters. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
  27. Voor het overige moeten de appelrechters niet de redenen van hun redenen vermelden. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht. Tweede onderdeel
  28. Het is niet tegenstrijdig, eendeels, te besluiten tot de ongeloofwaardigheid van het verweer van de eiser met betrekking tot zijn betrokkenheid bij de opstelling van valse overeenkomsten en facturen en hun gebruik, gelet op zijn gelieerd zijn met de vennootschappen met wie ANB de overeenkomsten heeft gesloten, anderdeels, te oordelen dat de beslissing tot buitenvervolgingstelling door de Zwitserse autoriteiten geen enkele nuttige conclusie toelaat met betrekking tot de te beoordelen feiten, daar dit Zwitsers onderzoek betrekking had op overeenkomsten met niet genoemde vennootschappen, te situeren zijn op andere tijdstippen en de onderzochte geldstromen zich voordoen tussen andere vennootschappen en in een andere periode. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
  29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet is gewezen; Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 240,61 euro waarvan de eiser I 151,65 euro verschuldigd is en de eisers II 88,96 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 22 april 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080422.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131210.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110111.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.