← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.5 Rolnummer: F.06.0042.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2008-05-13 Raadplegingen: 736 - laatst gezien 2026-07-03 11:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De termijnen voor aangifte en betaling inzake belasting over de toegevoegde waarde raken de openbare orde; geen wettelijke bepaling verleent de rechter of de rekenplichtige ontvanger de bevoegdheid van deze termijnen af te wijken door bijkomende betalingstermijnen toe te staan voor vervallen BTW-schulden; door in betalingsfaciliteiten te voorzien kan de rekenplichtige hoe dan ook geen afbreuk doen aan de wettelijke betalingstermijnen. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Verplichtingen van de belastingplichtigen FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Sancties (B.T.W.) - Andere Vrije woorden: Aangifte- en betalingstermijnen Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 53 Fiche 2 De rekenplichtige ontvanger heeft de mogelijkheid om op autonome wijze en op zijn verantwoordelijkheid de invordering en de vervolging te organiseren en om in die optiek in betalingsfaciliteiten te voorzien zonder daarbij afbreuk te doen aan de wettelijke betalingstermijnen; deze mogelijkheid komt exclusief toe aan de rekenplichtige wiens beslissing ter zake zich opdringt aan de rechter. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Voldoening (B.T.W.) - Verplichtingen van de belastingplichtigen FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Sancties (B.T.W.) - Andere Vrije woorden: Betalingstermijnen - Door de ontvanger toegestane betalingsfaciliteiten Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 53 Annotaties Publicaties: Fiscologue/Fiscoloog - JVD; Toch geen gerechtelijk uitstel van betaling belastingschulden?/Le juge ne peut-il pas accorder de délais pour les dettes d'impôts? - nr.1117, 2-3 Cour.fisc. - X, Note - 2008, 671-674 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0042.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Kortrijk I, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen G.C., verweerster. I. RECHTPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 50, 569, eerste lid, 32°, 1333 en 1334 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 6 en 1244, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 53 van de Wet van 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW-Wetboek), voor zijn wijziging bij wet van 28 januari 2004; - artikel 66 van de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit; - de artikelen 33, 36, 37, 40, 144, 145, 159 van de Grondwet; - het algemeen beginsel van de scheiding der machten, zoals verwoord in de artikelen 33, 36, 37, 40, 144, 145, 159 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Het aangevochten arrest bevestigt het vonnis van de eerste rechter en machtigt de verweerster bijgevolg om de BTW-schuld jegens de eiser af te betalen aan 75,00 euro per maand, ten laatste tegen de vijfde dag van elke maand tot volledige aanzuivering van de schuld, met dien verstande dat deze machtiging tot afbetaling vervalt van zodra de verweerster één maal minstens één volle maand vertraging oploopt bij de afbetaling, in welk geval het de eiser zal toegelaten zijn het volledig saldo in één keer in te vorderen. Deze beslissing werd gemotiveerd op grond van de volgende overwegingen: "(De eiser) laat gelden dat de rechtbanken te dezen geen rechtsmacht hebben om een afbetalingsplan toe te staan. Artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (koninklijk besluit van 17 juli 1991) bepaalt: ‘Elke rekenplichtige is aansprakelijk voor de invordering van de kapitalen, inkomsten, rechten en belastingen, waarvan de inning hem is toevertrouwd. Alvorens decharge te verkrijgen voor de niet-ingevorderde posten, moet hij doen vaststellen dat de niet-invordering geenszins aan zijn nalatigheid te wijten is en dat hij te bekwamer tijd alle nodige maatregelen getroffen en de nodige vervolgingen ingesteld heeft. Deze bepaling houdt impliciet in dat het de ontvanger is die, op zijn eigen verantwoordelijkheid, de macht bezit om eventueel uitstel van betaling te verlenen, en houdt tevens in dat de toepassing door de rechtbanken van de artikelen 1244 van het Burgerlijk Wetboek, 1333 van het Gerechtelijk Wetboek (dat enkel van toepassing is ‘in de gevallen waarin de rechtbanken uitstel kunnen verlenen voor het tenuitvoerleggen van hun beslissingen') en 1334 van het Gerechtelijk Wetboek (dat naar artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek verwijst) hiermee onverzoenbaar en niet mogelijk is (vergelijk o.m. met Dirix E. en Broeckx K., Beslag, APR, Antwerpen, Story Scientia, 2001, nr 76 p. 47 onderaan en de aldaar aangehaalde rechterlijke beslissingen, allen daterend van voor de wetten van 15.3.1999 en 23.3.1999; met Dassesse M. en Minne P., ‘Droit fiscal - Principes généraux et impôts sur les revenus', Brussel, Bruylant, 2e uitg. - 1991, p. 189; met Van Gerven W., Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, derde uitgave, deel II, p. 120 onderaan; zie ook noot 4 onder Cass. 13.1.1972, Pas. 1972, I, p. 470). Krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 23 maart 1999, neemt de rechtbank van eerste aanleg echter kennis van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Tot deze geschillen behoren onder meer ‘(...) het (niet)toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 van de wet van 15 mei 1846, thans artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit) ... ‘ (zie uitdrukkelijk de memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de beslechting van fiscale geschillen en bij het wetsontwerp betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, Parl. Besch. Kamer, Zitting 1997-1998, 1341/1 en 1342/1, beperking van artikel 4, p. 35). Te dezen benaarstigt de (eiser) de inning van de BTW, geldboete, interest en kosten, zonder enig uitstel van betaling, door middel van dwangbevel. Wanneer de (verweerster) verzoekt om uitstel van betaling dan bestrijdt zij de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel en de impliciete weigering van de (eiser) om uitstel van betaling toe te staan, en is er sprake van een fiscaal geschil in de zin van artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens deze laatste wettelijke bepaling had de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dan ook rechtsmacht en bevoegdheid om uitstel van betaling te verlenen (en ingevolge het hoger beroep ook dit hof (van beroep)). Gezien hiervoor te dezen geen georganiseerd administratief beroep bestaat, mocht (de verweerster) zich rechtstreeks tot de rechtbank wenden. Tevergeefs voert (de eiser) aan dat artikel 53 van het BTW-Wetboek, bepaling van openbare orde, de termijnen bepaalt binnen welke de BTW moet worden betaald en dat geen enkele wettelijke bepaling aan de ontvanger (en ook niet aan de rechter) de bevoegdheid geeft om hiervan af te wijken. Het gevraagde uitstel van betaling heeft te dezen geen betrekking op de termijn binnen welke de belasting moet worden betaald (deze is immers verstreken), maar wel op de modaliteiten volgens welke de niet-tijdig betaalde belasting geïnd wordt. Over deze modaliteiten beslist in de eerste plaats de ontvanger krachtens artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (koninklijk besluit van 17 juli 1991), vervolgens de rechtbank krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek. Deze bepalingen wijken niet af van artikel 53 van het BTW-Wetboek. Evenmin druist het verlenen van uitstel van betaling in tegen het beginsel van de scheiding der machten, gezien de macht tot het verlenen van uitstel van betaling door een wet werd toegekend, meer bepaald door artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek. De wetgever, die eerst aan de ontvanger de uitsluitende bevoegdheid tot het verlenen van uitstel van betaling - zij het impliciet - toegekend had (artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (koninklijk besluit van 17 juli 1991)), vermocht de rechterlijke macht rechtsmacht te verlenen om uitstel van betaling te beoordelen. Bij de beoordeling van de vraag of al dan niet uitstel van betaling moet worden verleend, en zo ja in welke mate, dient in billijkheid te worden beslist (vergelijk, doch in verband met artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek, met de noot 1 en 2 getekend F.D. onder Cass. 13 september 1977, Pas. 1977, I, 41; met Dumon F., Billijkheid en recht, RW 1957-58, kol. 1477 e.v. meer bepaald kol. 1490 cijfer 5°; zie ook Laurent F., Principes de droit civil, tome XVII, Brussel, Bruylant, 1878, nr. 570, pp. 558 e.v. die uiteenzet dat de wetgever van 1804 met artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek uitstel van betaling mogelijk heeft willen maken en van de wet van het contract heeft willen afwijken louter om humanitaire redenen, ondanks de negatieve ervaringen met de toepassing van uitstel van betaling van overheidswege tijdens het Ancien Regime). De rechter heeft op oordeelkundige wijze uitstel van betaling verleend". Grieven Eerste onderdeel Krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij wet van 23 maart 1999, neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van "geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet". Het fiscaal geschil dat op grond van artikel 569, eerste lid, 32°, tot de rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg behoort, is het geschil dat beslecht kan worden aan de hand van de bepalingen van een "belastingwet". Wanneer het fiscaal geschil betrekking heeft op een toestand die niet in een "belastingwet" is geregeld, dan is de rechtbank bijgevolg niet bevoegd om van dit geschil kennis te nemen. Het toekennen van betalingsfaciliteiten inzake belastingen betreft een aangelegenheid die niet het voorwerp uitmaakt van enige belastingwet zodat de rechtbank van eerste aanleg geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van een verzoek tot uitstel van betaling van een belastingschuld. Luidens artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit is elke rekenplichtige aansprakelijk voor de invordering van de kapitalen, inkomsten, rechten en belastingen, waarvan de inning hem is toevertrouwd. Alvorens decharge te verkrijgen voor de niet-ingevorderde posten, moet hij doen vaststellen dat de niet-invordering geenszins aan zijn nalatigheid te wijten is en dat hij te bekwamer tijd alle nodige maatregelen getroffen en de nodige vervolgingen heeft ingesteld. Deze bepaling verleent aan de rekenplichtige de bevoegdheid om op autonome wijze en onder zijn verantwoordelijkheid de invordering en vervolging te organiseren, zonder dat hem in dat verband evenwel wordt toegestaan om de wettelijke betalingstermijnen, die van openbare orde zijn, te vervangen door respijttermijnen, nu bij overeenkomst niet kan afgeweken worden van bepalingen die de openbare orde aanbelangen (artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek). In zoverre artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit slechts de aansprakelijkheid van de rekenplichtige regelt, vormt hij bijgevolg geen belastingwet in de zin van artikel 569, eerste lid, 32°. Ook het feit dat een belastingplichtige met zijn verzoek tot uitstel van betaling tevens opkomt tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel en zodoende tegen de invordering van de belasting, is evenmin van aard om aan deze betwisting het karakter van een fiscaal geschil in de zin van artikel 569, eerste lid, 32°, toe te kennen. Het verzoek tot toekenning van betalingsfaciliteiten inzake belastingen raakt immers niet aan het principe van het verschuldigd zijn van de belastingen op grond van de toepasselijke belastingwetten, maar betreft slechts de modaliteiten van de invordering van de belastingen, welke materie, het weze herhaald, niet bij belastingwet is geregeld. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat het krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vordering van de verweerster tot uitstel van betaling van haar BTW-schulden op grond dat dit een betwisting betreft omtrent de toepassing van een belastingwet, te weten artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, welke bepaling de ontvanger toelaat om inzake belastingen betalingsuitstel te verlenen (schending van de artikelen 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, 6 van het Burgerlijk Wetboek en 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991). Tweede onderdeel In de mate dat artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit meer is dan een bepaling inzake de geldelijke aansprakelijkheid van de rekenplichtige en een wettelijk aanknopingspunt kan vormen voor de bevoegdheid van de rekenplichtige om betalingsfaciliteiten toe te kennen, waardoor van een belastingwet in de zin van artikel 569, eerste lid, 32°, kan worden gesproken (quod non: zie het eerste onderdeel), dan nog doet deze bepaling geen afbreuk aan de dwingende werking van de wettelijke betalingstermijnen die inzake belastingen zijn voorgeschreven door bepalingen van openbare orde. Inzake BTW dienen de belastingplichtigen overeenkomstig artikel 53, 3°, van het BTW-Wetboek iedere maand aangifte te doen van het bedrag van de in dit wetboek bedoelde handelingen die zij hebben verricht of die aan hen werden verstrekt, gedurende de vorige maand in het kader van hun economische activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen, en dienen zij krachtens artikel 53, 4°, de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij 3° voorgeschreven aangifte. Deze dwingende betalingstermijnen kunnen niet worden opzijgezet door de rechter via het toekennen aan de belastingplichtige van respijttermijnen nu een wettelijke bepaling ontbreekt die de rechter hiervoor uitdrukkelijk bevoegd maakt. Artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek verleent aan de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid om kennis te nemen van "geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet" doch machtigt de rechtbank niet om betalingstermijnen inzake belastingen toe te staan. De rechter van wie betalingsuitstel inzake belastingen wordt gevraagd, mag aan dit verzoek bijgevolg geen gunstig gevolg geven aangezien het toestaan van betalingstermijnen, ook na de invoeging van artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, een exclusief prerogatief is gebleven van de rekenplichtige en enkel hij hiervoor verantwoording is verschuldigd krachtens artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. De rechter vermag in deze materie bijgevolg niet aan de administratie zijn appreciatievrijheid te ontnemen en in de plaats te treden van de rekenplichtige bij de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de toekenning van respijttermijnen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, bij gebreke aan een uitdrukkelijke bepaling die de rechter bevoegd maakt om uitstel te verlenen voor de betaling van belastingen, het beginsel van de scheiding der machten heeft miskend door in de plaats van de rekenplichtige een betalingsplan toe te staan aan de verweerster (schending van de artikelen 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, 33, 36, 37, 40, 144, 145, 159 van de Grondwet en het algemeen beginsel van de scheiding der machten), evenals de artikelen 66 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 en 53 van het BTW-Wetboek heeft geschonden, nu deze laatste bepaling in dwingende betalingstermijnen voorziet waarvan niet kan worden afgeweken dan onder de verantwoordelijkheid van de rekenplichtige (schending van de artikelen 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, 53 van het BTW-Wetboek, 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit). Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 1244, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter, niettegenstaande ieder andersluidend beding, met inachtneming van de toestand der partijen, gebruik makend van deze bevoegdheid met grote omzichtigheid en daarbij rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genomen, gematigd uitstel verlenen voor de betaling en de vervolgingen doen schorsen, ook wanneer de schuld blijkt uit een andere authentieke akte dan een vonnis. Deze bepaling is enkel van toepassing op schulden die hun grondslag vinden in een verbintenis en kan bijgevolg niet worden toegepast op schulden die rechtstreeks zijn gestoeld op de wet. Anders dan voor burgerlijke schulden kan de rechter bijgevolg geen betalingstermijnen toekennen voor fiscale schulden omdat deze niet hun grondslag vinden in een door de schuldenaar aangegane verbintenis, maar rechtstreeks zijn verschuldigd op grond van de toepassing van de fiscale wet. Het gemeenrechtelijk principe inzake uitstel van betaling kan bovendien geen toepassing vinden omdat inzake belastingen dwingende betalingstermijnen bestaan waarvan de rechter niet kan afwijken, behoudens een uitdrukkelijk andersluidende bepaling, die ter zake niet bestaat. Een BTW-belastingplichtige is bijgevolg geen schuldenaar in de zin van artikel 1244, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, temeer omdat hij in feite slechts een tussenpersoon is die de BTW, die door de eindgebruiker is verschuldigd, int en vervolgens doorstort aan de Schatkist. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, in zoverre het met toepassing van artikel 1244, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek aan de verweerster uitstel van betaling heeft verleend voor haar BTW-schulden, zijn beslissing niet naar recht heeft verantwoord (schending van artikel 1244, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Vierde onderdeel Artikel 1333 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in de gevallen waarin de rechtbanken uitstel kunnen verlenen voor het ten uit voer leggen van hun beslissingen, zij dit moeten doen in het vonnis zelf dat uitspraak doet over het geschil dat voor hen aanhangig is. Overeenkomstig artikel 1334 van het Gerechtelijk Wetboek moet de aanvraag tot het verkrijgen van uitstel bedoeld in artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek, wanneer de tenuitvoerlegging of het beslag plaatshebben krachtens een andere authentieke akte dan een vonnis, op straffe van verval gedaan worden binnen vijftien dagen te rekenen van het bevel of, indien er geen reden tot bevel was, van de betekening van de eerste akte van beslag aan de schuldenaar. Luidens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek. In zoverre het BTW-Wetboek in artikel 53, 3° en 4°, dwingende betalingstermijnen heeft ingevoerd voor BTW-schulden ontnemen deze aan de rechter de bevoegdheid om met toepassing van de artikelen 1333 en 1334 van het Gerechtelijk Wetboek aan de belastingplichtige uitstel van betaling te verlenen voor zijn BTW-schulden. De dwingende voorschriften van artikel 53, 3° en 4°, zijn m.a.w. niet verenigbaar in de zin van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende uitstel van betaling, noch met artikel 1244, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. De aanvraag tot het verkrijgen van uitstel van betaling voldeed in casu bovendien niet aan de vereiste dat het verzoek tot betalingsuitstel op straffe van verval moet worden geformuleerd binnen de vijftien dagen na de betekening van het bevel, of indien er geen reden tot bevel was, vanaf de betekening van de eerste akte van beslag aan de schuldenaar. In casu werden de dwangbevelen aan de verweerster immers betekend respectievelijk op 3 augustus 1999 en 6 augustus 1999, terwijl het verzet hiertegen, waarin om uitstel van betaling werd gevraagd, slechts dateert van 28 september 1999, en dus ruim buiten de voormelde vervaltermijn van 15 dagen. Termijnen die op straffe van verval zijn gesteld, mogen niet worden verkort of verlengd, zelfs met instemming van de partijen, tenzij dat verval gedekt is onder de omstandigheden bij de wet bepaald (artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek), wat in casu niet het geval was. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, in zoverre het zich op grond van de artikelen 1333 en 1334 van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd heeft verklaard om aan de verweerster uitstel van betaling te verlenen voor haar BTW-schulden, zijn beslissing niet naar recht heeft verantwoord (schending van de artikelen 2, 50, 1333, 1334 van het Gerechtelijk Wetboek, 1244, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en 53 BTW-Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. De termijnen voor aangifte en betaling inzake belasting over de toegevoegde waarde, zoals het te dezen toepasselijke artikel 53 van het BTW-Wetboek die bepaalt, raken de openbare orde. 2. Geen wettelijke bepaling verleent de rechter of de rekenplichtige ontvanger de bevoegdheid van deze termijnen af te wijken door bijkomende betalingstermijnen toe te staan voor vervallen BTW-schulden. Dit neemt niet weg dat de rekenplichtige de mogelijkheid heeft om op autonome wijze en op zijn verantwoordelijkheid de invordering en de vervolging te organiseren en om in die optiek in betalingsfaciliteiten te voorzien. Door aldus in betalingsfaciliteiten te voorzien kan de rekenplichtige hoe dan ook geen afbreuk doen aan de wettelijke betalingstermijnen. De betalingsfaciliteiten betreffen een gedogen vanwege de rekenplichtige, waaraan de belastingplichtige geen enkel recht ontleent. 3. Voormelde mogelijkheid om op autonome wijze en op eigen verantwoordelijkheid de invordering en de vervolging te organiseren en om in die optiek in betalingsfaciliteiten te voorzien, komt exclusief toe aan de rekenplichtige. De beslissing ter zake dringt zich op aan de rechter. 4. De appelrechter die, ingaande tegen de beoordelingsbevoegdheid van de rekenplichtige en zijn belastingadministratie, betalingsfaciliteiten toekent met betrekking tot een BTW-schuld, schendt artikel 53 van het BTW-Wetboek. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Stassijns en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van 24 april 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120921.2 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190222.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.