← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.6 Rolnummer: F.07.0014.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-05-13 Raadplegingen: 753 - laatst gezien 2026-07-03 11:59 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080424.6 Fiche 1 Een natuurlijke persoon of een rechtspersoon kan slechts als schuldenaar van een belasting in een dwangbevel worden opgenomen als een wettelijke bepaling de categorie van personen waartoe hij behoort, als schuldenaar van die belasting aanwijst. Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Invordering - Dwangbevel - Aanwijzing als schuldenaar - Vereisten Fiche 2 Als er geen wettelijke grondslag bestaat om een natuurlijke of een rechtspersoon als schuldenaar van een belasting aan te wijzen, kan er ten aanzien van deze natuurlijke of rechtspersoon geen sprake zijn van vrijstelling of vermindering van die belasting. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel inzake belastingen - Vrijstelling of vermindering van belasting Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 Fiche 3 Een wetsbepaling is geen interpretatieve bepaling wanneer zij geen interpretatie waartoe de rechter kon komen, bekrachtigt maar wel een leemte in de wetgeving opvult

(1).
(1)zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Uitleggingswet Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 84 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 7 Fiches 4 - 5 Is geen interpretatieve wet het artikel 314 van de Programmawet van 22 december 2003 dat artikel 6bis invoegt in de Wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, krachtens welke bepaling de hoedanigheid van douaneschuldenaar tevens de hoedanigheid van accijnsschuldenaar insluit
(1).
(1)zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Artikel 314 Programmawet 22 dec. 2003 - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-2003 - Art. 314 Wet - 10-06-1997 - Art. 6bis Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Douane - Extern communautair douanevervoer - Aangever - Hoedanigheid van accijnsschuldenaar - Artikel 314 Programmawet 22 dec. 2003 - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-2003 - Art. 314 Wet - 10-06-1997 - Art. 6bis Fiches 6 - 8 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 24 april 2008, AR F.07.0014.N, A.C., 2008, nr. .... Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Uitleggingswet Artikel 314 Programmawet 22 dec. 2003 - Aard Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Douane - Extern communautair douanevervoer - Aangever - Hoedanigheid van accijnsschuldenaar - Artikel 314 Programmawet 22 dec. 2003 - Aard Tekst van de beslissing Nr. F.07.0014.N
  1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van de administratie der Douane en Accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22,
  2. BELGISCHE STAAT, Administratie der Douane en Accijnzen, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur dienstchef, rekenplichtige van het kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, eisers, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen NOREXA, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Napelsstraat 79, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 20 december 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 3, 4, 5, 6, 6bis en 25 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, artikel 6bis ingevoegd bij artikel 314 van de Programmawet van 22 december 2003, artikel 4 vóór zijn wijziging bij wet van 9 juli 2004, artikel 25 vóór zijn wijziging bij wet van 22 december 2003; - de artikelen 91 tot en met 97, 203 en 204 van de Verordening (EG) nr. 2913/92/EG van 12 oktober 1992 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CDW); - artikel 199 van de Verordening (EG) nr. 2454/93 van de Commissie houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CTW); - de artikelen 257, §1 en 266 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 houdende coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen (Algemene Wet Douane en Accijnzen, hierna: AWDA), bekrachtigd bij wet van 6 juli 1978; - artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 172 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest zegt voor recht dat, bij gebreke aan enige wettelijke grondslag op het ogenblik van het litigieuze dwangbevel, de verweerster niet als schuldenaar van de erin opgenomen accijns- en bijzondere accijnsschuld kan worden aangemerkt. Het bestreden arrest oordeelde dienaangaande dat: - de verweerster terecht stelt dat de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 juni 1997 enkel het belastbaar feit en het tijdstip van de verschuldigdheid van de belasting bepalen, maar geen wettelijk grondslag bevat op grond waarvan de verweerster als accijnsschuldenaar kan worden aangesproken; - artikel 203 CDW geen uitstaans heeft met de accijnzen en/of bijzonderde accijnzen omdat deze niet bedoeld zijn als rechten bij invoer noch als heffingen van gelijke werking (cf. artikel 4.10 CDW); - er geen zekerheidsstelling is geëist van verweerster ofschoon de aangever inzake extern communautair douanevervoer krachtens artikel 94.1 CDW daartoe verplicht is; - artikel 25 van de wet van 10 juni 1997 niet van toepassing is vermits de verweerster niet kan aangemerkt worden als de natuurlijke persoon of rechtspersoon die zekerheid heeft gesteld voor de betaling, gezien zij niet is opgetreden als entrepothouder van verzending en om reden dat het in casu niet gaat om intracommunautair vervoer van accijnsproducten; - uit artikel 2 van het ministerieel besluit van 8 juli 1980 betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van de accijnsrechten bij invoer (waarin wordt bepaald dat de terugbetaling of kwijtschelding van de accijnzen bij invoer gebeurt onder dezelfde voorwaarden als voor de douaneschuld) niet kan afgeleid worden dat de verweerster, accijnsschuldenaar is; - artikel 257, §1, AWDA geen basis vormt om de verweerster als accijnsschuldenaar te beschouwen in zoverre in deze bepaling uitsluitend melding wordt gemaakt van de betaling van rechten, zijnde rechten bij invoer en uitvoer in de zin van artikel 1, 4°, AWDA, en dus niet van de door eiser gevorderde accijnzen en bijzondere accijnzen; - artikel 266 AWDA dienaangaande evenmin een rechtsgrond vormt vermits de verweerster niet beschouwd kan worden als overtreder, medeplichtige of voor het misdrijf aansprakelijke persoon; - vóór de invoeging van artikel 6bis van de wet van 10 juni 1997 bij programmawet van 22 december 2003 er een lacune bestond terzake van de aanduiding van de schuldenaar van de litigieuze accijnzen, wat door deze bepaling werd opgevangen, zonder dat deze wetsbepaling als een interpretatieve wet kan worden opgevat (arrest, p.14, 2.3 t.e.m. p.17). Het bestreden arrest maakt dienvolgens het bestreden dwangbevel, dat door de eiser op 3 april 2001 was opgemaakt, op 4 april 2001 door de eiser was geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 9 april 2001 ter kennis was gebracht van de verweerster, ongedaan, voor zover het betrekking heeft op de vordering van de eiser inzake de voormelde accijnzen en bijzonder accijnzen, met de erop aangerekende interest, met bevel tot terugbetaling van het eventueel reeds te veel betaalde. Grieven
  3. Luidens artikel 203.1 CDW ontstaat een douaneschuld bij invoer indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken (artikel 203.2 CDW). Bij diefstal van aan rechten bij invoer onderworpen goederen worden deze goederen aan het douanetoezicht onttrokken zodat in dat geval een douaneschuld ontstaat. Schuldenaren van deze douaneschuld zijn onder meer de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen (203.3, eerste en vierde streepje, CDW).
  4. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, wordt de accijns, waaraan de producten bedoeld in artikel 3 van voormelde wet, waaronder sigaretten, bij invoer zijn onderworpen (artikel 5), verschuldigd bij uitslag tot verbruik of bij het constateren van tekorten die aan accijns moeten worden onderworpen. Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt eveneens beschouwd iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, van deze producten aan een schorsingsregeling (artikel 6, tweede lid, eerste streep), evenals elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer ze niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst (artikel 6, tweede lid, derde streep). Onder invoer wordt verstaan
(1)het binnenbrengen van accijnsproducten in de Gemeenschap of
(2)het onttrekken aan een communautaire douaneregeling waaronder een accijnsproduct werd geplaatst bij zijn binnenkomst in de Gemeenschap (artikel 4, §1, 12°, wet van 10 juni 1997). In zoverre de sigaretten geplaatst waren onder de douaneregeling van extern communautair douanevervoer bevonden deze zich onder schorsing van accijns (artikel 4, §3, wet van 10 juni 1997).
  1. De in artikel 203.3, vierde streepje, CDW bedoelde persoon die de verplichtingen moet nakomen welke voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst en die bij niet-naleving van die verplichtingen de douaneschuld op zich moet nemen, moet eveneens de verschuldigde accijns en bijzondere accijns betalen. De schuldenaren die in artikel 203.3 CDW worden aangeduid om de douaneschuld te voldoen, zijn m.a.w. ook de schuldenaren van de accijnsschuld die bij uitslag tot verbruik is verschuldigd, zoals in casu, bij diefstal van accijnsgoederen waardoor deze goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken en de schorsingsregeling niet kan worden aangezuiverd. Elke indiening door de aangever van een door hem ondertekende aangifte bij een douanekantoor geldt als het aanvaarden van de aansprakelijkheid overeenkomstig de in de Lid-Staten geldende bepalingen voor het nakomen van alle verplichtingen die samenhangen met het plaatsen van de betrokken goederen onder de desbetreffende regeling (artikel 199 CTW). De hoedanigheid van aangever van een bepaalde douaneregeling gaat bijgevolg samen met de hoedanigheid van douane- en accijnsschuldenaar. Wat specifiek de douaneregeling extern communautair douanevervoer betreft, is het bijgevolg de aangever, als subject van deze schorsingsregeling, die te beschouwen is als de schuldenaar van de accijnzen die verschuldigd zijn wanneer hij zijn verplichtingen niet nakomt om de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen, of wanneer hij de bepalingen betreffende de regeling communautair douanevervoer niet naleeft (artikelen 92 en 96.1 CDW). Artikel 91.1.a. CDW geeft in dat verband uitdrukkelijk aan dat zolang de goederen regelmatig onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst geen rechten bij invoer, noch "andere belastingen" zijn verschuldigd. Van zodra evenwel vaststaat dat deze douaneregeling niet naar behoren werd beëindigd of gezuiverd, worden de "andere belastingen", zoals accijnzen, bijgevolg verschuldigd door de aangever van deze schorsingsregeling.
  2. De hoedanigheid als accijnsschuldenaar van de aangever van het extern communautair douanevervoer volgt tevens uit artikel 94.1 CDW, naar luidt waarvan de aangever verplicht wordt om een zekerheid te stellen als waarborg voor de betaling van niet alleen de douaneschuld, maar ook van "andere belastingschulden" die ten aanzien van de goederen kunnen ontstaan, waaronder ook accijnsschulden moeten worden begrepen. De wettelijke verplichting om een zekerheid te stellen voor accijnzen gaat steeds samen met de hoedanigheid van schuldenaar van deze accijnzen. Zo is het bij vervoer van intracommunautaire goederen de natuurlijke- of rechtspersoon die zekerheid heeft gesteld voor de betaling, die gehouden is tot betaling van de accijns wanneer tijdens het verkeer hier te lande een onregelmatigheid of een overtreding is begaan waardoor de accijns verschuldigd wordt (artikel 25, §1, 1°, van de wet van 10 juni 1997). Het loutere feit dat de verweerster te dezen geen zekerheid had gesteld voor de betaling van de accijnzen nu dit door de eiser niet was gevraagd, doet geen afbreuk aan haar hoedanigheid van accijnsschuldenaar in de mate dat het ontbreken van een zekerheidstelling geen ontslag inhoudt van de betaling van de accijnsschuld. Geen vrijstelling of vermindering van een belasting kan worden ingevoerd dan door een wet (artikel 172 van het Gerechtelijk Wetboek). Uit de verplichting als aangever van de regeling extern communautair douanevervoer tot zekerheidstelling voor accijnzen vloeit derhalve voort dat verweerster ook als accijnsschuldenaar is te beschouwen voor de toepassing van de wet van 10 juni
  3. Het bij artikel 314 van de Programmawet van 22 december 2003 ingevoegde artikel 6bis van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, bekrachtigt de door de eiser voorgestane rechtsopvatting dat de hoedanigheid van accijnsschuldenaar samengaat met de hoedanigheid van aangever en van douaneschuldenaar. Anders dan het bestreden arrest aanneemt, heeft artikel 314 van de programmawet van 22 december 2003 wel een interpretatief karakter nu artikel 6bis, volgens de parlementaire voorbereiding, precies werd ingevoegd in de wet van 10 juni 1997 "met het oog op een betere leesbaarheid van de wettelijke bepalingen inzake accijnzen alsook inzake douane die handelen over de hoedanigheid van belastingplichtige van accijns"; "het werd nuttig geacht alle situaties van opeisbaarheid van accijns en voor elk van deze situaties, de hoedanigheid van belastingplichtige die gehouden is tot de betaling van deze accijns, te verenigen in één enkel artikel. Momenteel vloeit de hoedanigheid van belastingplichtige van accijns voort uit verschillende bepalingen in de accijnswetgeving alsook in het Communautair Douanewetboek" (Parl. Doc., Kamer, 2003-2004, 0473/001, Memorie van toelichting, p. 159). Een uitleggingswet vormt één geheel met de uitgelegde wet zodat deze laatste geacht wordt de haar door de uitleggingswet gegeven draagkracht te hebben sinds haar inwerkingtreding (artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek). De persoon die goederen plaatst onder een douaneregeling en die op basis van de douanewetgeving de verplichtingen moet naleven die voortvloeien uit het gebruik van die douaneregeling of die de voorwaarden moet naleven die verbonden zijn aan de plaatsing van accijnsproducten onder de desbetreffende schorsingsregeling, diende derhalve, reeds vóór de invoeging van artikel 6bis, als de schuldenaar van de accijns te worden beschouwd ingeval van uitslag tot verbruik in de zin van artikel 6 van de wet van 10 juni
  4. Ook de artikelen 257, §1, en 266, §1, AWDA, bevestigen dat de aangever van enigerlei douane- of accijnsdocument, waarvan de aanzuivering of de wederoverlegging ten kantore van uitreiking is voorgeschreven, de schuldenaar is van de accijns bij niet-aanzuivering of niet-wederoverlegging ervan. Uit de globale context van artikel 257, §1, AWDA, dat een algemene draagwijdte heeft, volgt dat de titularis of de cessionaris van een douane- of accijnsdocument, bij niet-aanzuivering van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst, zowel voor de betaling van de douanerechten als voor de betaling van de accijnzen moet instaan. De rechten die zijn verschuldigd bij niet-naleving van de strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting opgenomen in artikel 257, AWDA, hebben bijgevolg ook betrekking op de accijnzen en bijzondere accijnzen en niet alleen op de douanerechten bedoeld in artikel 1.4°, a (rechten bij invoer) en b (rechten bij uitvoer), AWDA, zoals het bestreden arrest verkeerdelijk aanneemt. Waar tenslotte in artikel 266, §1, AWDA, sprake is van de "rechten en taksen welke door fraude aan de Schatkist werden onttrokken", waarvoor de overtreders, hun medeplichtigen en de voor het misdrijf aansprakelijke personen, solidair moeten instaan, wordt eveneens de accijnsfraude geviseerd zodat deze bepaling, zelfs wanneer de verweerster in casu niet zou kunnen worden opgevat als een overtreder, medeplichtige of de voor het misdrijf aansprakelijke persoon, zoals het arrest vaststelt, deze wetsbepaling niettemin een pertinent argument oplevert ter ondersteuning van het in huidig middel verdedigde standpunt dat de persoon die op het vlak van de douanewetgeving de verplichtingen moet naleven die voortvloeien uit het gebruik van een douaneregeling, ook aansprakelijk is voor de betaling van de accijnzen.
  5. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, spijts het interpretatief karakter van artikel 6bis van de wet van 10 juni 1997 en niettegenstaande de hoedanigheid van de verweerster, enerzijds, als aangever inzake extern Communautair douanevervoer, anderzijds, als douaneschuldenaar, niet wettig heeft kunnen oordelen dat verweerster niet als de schuldenaar van de in het dwangbevel opgenomen accijns- en bijzondere accijnsschuld kan worden aangemerkt, dienvolgens niet wettig het dwangbevel ongedaan heeft kunnen maken in de mate het betrekking heeft op de gevorderde accijnsschuld (schending van alle bepalingen aangehaald in de aanhef van het middel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  6. Een natuurlijke persoon of een rechtspersoon kan slechts als schuldenaar van een belasting in een dwangbevel worden opgenomen als een wettelijke bepaling de categorie van personen waartoe hij behoort, als schuldenaar van die belasting aanwijst.
  7. Een wetsbepaling is geen interpretatieve bepaling wanneer zij geen interpretatie waartoe de rechter kon komen, bekrachtigt maar wel een leemte in de wetge¬ving opvult.
  8. Als er geen wettelijke grondslag bestaat om een natuurlijke of een rechtspersoon als schuldenaar van een belasting aan te wijzen, kan er ten aanzien van deze na¬tuurlijke of rechtspersoon geen sprake zijn van vrijstelling of vermindering van die belasting.
  9. De appelrechters stellen vast dat: - noch artikel 5, noch artikel 6 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algeme¬ne regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, de wettelijke grondslag bevat op grond waarvan de verweerster als schuldenaar kan worden aangesproken; - artikel 203 van het Communautair Douanewetboek geen uitstaans heeft met de accijnzen of bijzondere accijnzen omdat deze overeenkomstig artikel 4, tiende lid, van dit Wetboek niet bedoeld zijn als rechten bij invoer noch als heffingen van gelijke werking; - krachtens artikel 94, 1, van het Communautair Douanewetboek, de aangever verplicht is een zekerheid te stellen, maar dat de verweerster niet verzocht werd zeker¬heid te stellen, zodat zij niet krachtens artikel 25 van voormelde wet van 10 juni 1997 als schuldenaar van de gevorderde accijnzen en bijzondere accijnzen kan worden aangeduid om reden dat zij niet kan worden aangemerkt als de natuurlijke of de rechtspersoon die zekerheid heeft gesteld, omdat zij niet is opgetreden als entrepothouder van verzending en om reden dat het niet gaat om intracommunautair vervoer van accijnsproducten; - ook de verwijzing naar het artikel 257, §1 en artikel 266 van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen geen basis biedt voor het beschouwen van de verweerster als schuldenaar, omdat de eerste bepaling enkel betrekking heeft op rechten bij invoer en uitvoer en niet op accijnzen en omdat de verweerster niet als overtreder, medeplichtige of voor het misdrijf aansprakelijke persoon als bedoeld in de tweede bepaling kan worden beschouwd.
  10. Op grond van die vaststellingen beslissen de appelrechters terecht dat in zake de aanduiding van de schuldenaar van de betwiste accijnzen er een lacune in de wetgeving bestond, die is opgevangen door de invoeging van artikel 6bis in de wet van 10 juni 1997 door artikel 314 van de Programmawet van 22 december 2003 en dat laatstgenoemde wetsbepaling niet als een interpretatieve wet kan worden beschouwd zodat verweerster niet op grond van deze wetsbepaling tot betaling van de litigieuze accijnzen en bijzondere accijnzen kan worden aangesproken. In zoverre het schending aanvoert van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, van het communautair douanewetboek, en de algemene wet douane en accijnzen, kan het middel niet worden aangenomen.
  11. Vermits de verweerster, voor de invoering van artikel 6bis in de wet van 10 juni 1997, door geen enkele wetsbepaling als schuldenaar van de litigieuze accijnzen en bijzondere accijnzen werd aangewezen, kan er van vrijstelling of vermin¬dering van belasting te haren opzichte geen sprake zijn. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 172 van de Grondwet, kan het niet worden aangenomen.
  12. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek, gaat het uit van de vergeefs aangevoerde stelling dat artikel 6bis van de voormelde wet van 10 juni 1997 een interpretatieve wetsbepaling is. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 202,93 euro jegens de eisende partijen en op de som van 138,10 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Stassijns en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van 24 april 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080424.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090402.14 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130225.2 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190426.2 ECLI:BE:CTBRL:2013:ARR.20130716.3 ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090324.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.