← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080506.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:A

Art. 3

Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT - Vlaamse Gemeenschap - Bijzondere jeugdbijstand - Comités bijzondere jeugdbijstand Vrije woorden: Jeugdbescherming - Bemiddelingscommissie - Doorverwijzing naar het openbaar ministerie - Problematische opvoedingssituatie - Afdwingbare pedagogische maatregel noodzakelijk - Vordering van het openbaar ministerie gericht aan de jeugdrechtbank - Territoriale onbevoegdheid van de bemiddelingscommissie Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 27-06-1985 - Artt. 17, § 2, vierde lid, en 22, 1° Besluit

Art. 3

Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT - Vlaamse Gemeenschap - Bijzondere jeugdbijstand - Comités bijzondere jeugdbijstand Vrije woorden: Jeugdbescherming - Bemiddelingscommissie - Doorverwijzing naar het openbaar ministerie - Problematische opvoedingssituatie - Afdwingbare pedagogische maatregel noodzakelijk - Vordering van het openbaar ministerie gericht aan de jeugdrechtbank - Territoriale onbevoegdheid van de bemiddelingscommissie Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 27-06-1985 - Artt. 17, § 2, vierde lid, en 22, 1° Besluit

Art. 3Tekst van de beslissing Nr.

P.08.0442.N

  1. S K, ouder van minderjarige,
  2. V H, ouder van minderjarige, eisers, met als raadsman mr. Roel Lenaerts, advocaat bij de balie te Oudenaarde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, jeugdkamer, van 8 februari
  3. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 1988 houdende oprichting en werkwijze van de bemiddelingscommissie voor bijzondere jeugdbijstand en van het administratief secretariaat en van de artikelen 17, § 2, en 22, 1°, van de gecoördineerde decreten van de Vlaamse Gemeenschap van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand (hierna: Decreet Bijzondere Jeugdbijstand): het arrest oordeelt onterecht dat de doorverwijzingsbeslissing van een territoriaal onbevoegde bemiddelingscommissie niet eraan in de weg staat dat de bevoegde procureur des Konings te Brussel de zaak rechtsgeldig aanhangig maakt bij de bevoegde jeugdrechtbank.
  5. Artikel 22, 1°, Decreet Bijzondere Jeugdbijstand bepaalt dat de jeugdrechtbank kennisneemt van problematische opvoedingssituaties wanneer het openbaar ministerie een afdwingbare pedagogische maatregel noodzakelijk acht, nadat de zaak hem door de bemiddelingscommissie werd doorverwezen overeenkomstig artikel 17, § 2, vierde lid.
  6. Uit die bepaling volgt dat wanneer het belang van de minderjarige dat vereist, het openbaar ministerie kan optreden van zodra een bemiddelingscommissie hem de zaak heeft doorverwezen. De regelmatigheid van het optreden van het openbaar ministerie is niet afhankelijk van de vraag of de doorverwijzende bemiddelingscommissie al dan niet territoriaal bevoegd was. Het middel faalt naar recht. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 17, § 2, Decreet Bijzondere Jeugdbijstand: het arrest oordeelt onterecht dat het advies van de bemiddelingscommissie voldoende is gemotiveerd.
  8. Artikel 17, § 2, laatste lid, Decreet Bijzondere Jeugdbijstand bepaalt dat de doorverwijzing door de bemiddelingscommissie geschiedt middels een gemotiveerd advies.
  9. De appelrechter heeft met de redenen die het bestreden arrest vermeldt, wettig kunnen oordelen dat de doorverwijzingsbeslissing voldoende is gemotiveerd. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten op 103,13 euro waarvan 38,31 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 6 mei 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080506.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.