id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080506.3 Rolnummer: P.08.0212.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2008-06-02 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-07-03 04:43 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 6 Overeenkomstig artikel 63 Wetboek van Strafvordering is voor de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling vereist dat de burgerlijke partij aantoont dat zij het slachtoffer van een misdrijf kan geweest zijn, maar niet dat de onderzoeksrechter of de onderzoeksgerechten daarenboven territoriaal bevoegd zouden zijn om de feiten te onderzoeken, aangezien de territoriale onbevoegdheid niet leidt tot ontzegging van het recht op onderzoek, wel tot ontslag van onderzoek met doorverwijzing naar de bevoegde rechtbank; daaruit volgt dat de onderzoeksgerechten de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling kunnen onderzoeken ook voor telastleggingen waarvoor zij territoriaal onbevoegd zouden zijn
(1)Voor de raadkamer vorderde het openbaar ministerie, enerzijds, de burgerlijke partijstelling gedeeltelijk niet ontvankelijk te verklaren en, anderzijds, ontslag van onderzoek te verlenen aan de onderzoeksrechter wegens diens territoriale onbevoegdheid. Vóór de raadkamer de zaak behandelde vroeg de eiser bijkomende onderzoeksverrichtingen. Bij de behandeling voor de raadkamer voerde de eiser aan dat dit verzoek een schorsende werking had en dat de onderzoeksrechter eerst een standpunt diende in te nemen. Bij beschikking van 14 september 2007 oordeelde de raadkamer dat het verzoek om bijkomende onderzoeksdaden te verrichten niet schorsend is en werd de zaak uitgesteld voor verdere pleidooien. Tegen deze beschikking tekende de eiser hoger beroep aan. Bij de behandeling van dit hoger beroep onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling, op vordering van het openbaar ministerie en met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Vereiste - Territoriale bevoegdheid van de onderzoeksrechter of de onderzoeksgerechten Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Vereiste - Territoriale bevoegdheid van de onderzoeksrechter of de onderzoeksgerechten Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Vereiste - Territoriale bevoegdheid van de onderzoeksrechter of de onderzoeksgerechten Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Vereiste - Territoriale bevoegdheid van de onderzoeksrechter of de onderzoeksgerechten - Bevoegdheid van het onderzoeksgerecht om de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling te onderzoeken Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Vereiste - Territoriale bevoegdheid van de onderzoeksrechter of de onderzoeksgerechten - Bevoegdheid van het onderzoeksgerecht om de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling te onderzoeken Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Vereiste - Territoriale bevoegdheid van de onderzoeksrechter of de onderzoeksgerechten - Bevoegdheid van het onderzoeksgerecht om de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling te onderzoeken Tekst van de beslissing Nr. P.08.0212.N VELSTRA PTE Ltd., vennootschap naar het recht van Singapore, met zetel te Singapore en aldaar geregistreerd RC No. 199903447K, vertegenwoordigd door haar vereffenaars Yin Tong Kon en Kian Kok Wong, burgerlijke partij, eiseres, met als raadslieden mr. Bart De Geest, advocaat bij de balie te Brussel, en mr. Pieter-Paul Tack, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8800 Roeselare, Karnemelkstraat 5, alwaar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- J L, inverdenkinggestelde,
- P L C H, inverdenkinggestelde,
- W N C M, inverdenkinggestelde,
- T F E S, inverdenkinggestelde,
- DEXIA BANK BELGIE nv, met zetel te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, inverdenkinggestelde, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel, mr. Sébastien Ryelandt, mr. Benoît Allemeersch en mr. Eline Tritsmans, advocaten bij de balie te Brussel, mr. René Verstringhe, advocaat bij de balie te Gent, mr. Pascal Vanderveeren en mr. Pierre Monville, advocaten bij de balie te Brussel en mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Nathalie Van der Eecken, advocaat bij de balie te Brussel, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 december 2007 (nr. K/2271/07). De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De beslissing waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt dat het hoger beroep van de eiseres tegen de beschikking van de raadkamer van 14 september 2007 niet ontvankelijk is omdat het hier een louter voorbereidende beslissing betreft, is geen beschikking waartegen overeenkomstig artikel 416 Wetboek van Strafvordering onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is. Het cassatieberoep is in zoverre niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, gelezen in samenhang met de artikelen 62bis en 63 Wetboek van Strafvordering: wegens de territoriale onbevoegdheid van de onderzoeksrechter voor de telastleggingen AI1, AI5, AI6, AII1, AII5, AII6, B en CII kon de kamer van inbeschuldigingstelling evenmin naar aanleiding van het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van die feiten gevat zijn, en kan zij aldus daaromtrent geen uitspraak doen over de vraag of de eiseres iemand is "die beweert door een misdaad of wanbedrijf te zijn benadeeld" in de zin van artikel 63 Wetboek van Strafvordering en zodoende over de regelmatigheid van de procedure.
- Overeenkomstig artikel 63 Wetboek van Strafvordering is voor de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling vereist dat de burgerlijke partij aantoont dat zij het slachtoffer van een misdrijf kan geweest zijn. Niet vereist is dat de onderzoeksrechter of de onderzoeksgerechten daarenboven territoriaal bevoegd zouden zijn om de feiten te onderzoeken. Territoriale onbevoegdheid leidt immers niet tot ontzegging van het recht op onderzoek, wel tot ontslag van onderzoek met doorverwijzing naar de bevoegde rechtbank. Daaruit volgt dat de onderzoeksgerechten de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling kunnen onderzoeken ook voor telastleggingen waarvoor zij territoriaal onbevoegd zouden zijn. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 235bis, § 3, Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging: de kamer van inbeschuldigingstelling besluit ambtshalve tot de onontvankelijkheid van de stelling van burgerlijke partij met betrekking tot de feiten AI1, AI5, AI6, AII1, AII5, AII6, B en CII lastens de zesde en de zevende inverdenkinggestelde op grond van artikel 63 Wetboek van Strafvordering, zonder dat zij eerst conform artikel 235bis, § 3, Wetboek van Strafvordering had bevolen het debat te heropenen, hoewel voor deze feiten het openbaar ministerie vorderde hem de stukken van het onderzoek ter beschikking te stellen om te handelen als naar recht. Aldus heeft de kamer van inbeschuldigingstelling de ambtshalve opgeworpen grond van onontvankelijkheid niet aan de tegenspraak van eiseres onderworpen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - in het proces-verbaal van de rechtszitting van 11 december 2007 (stuk 17) wordt vastgesteld: "Het Hof verzoekt de [eiseres] om zich tevens te verdedigen omtrent de eventuele niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling" (p. 1/3) en voorts: "De voorzitter stelt dat reeds op de vorige zitting aan de [eiseres] werd verzocht om zich tevens te verdedigen omtrent de eventuele niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling en dat ook aan het openbaar ministerie werd verzocht hierover eventueel standpunt in te nemen; dit wordt bevestigd door meester René Verstringhe" (p. 2/3); - in de conclusie van de vijfde verweerster, neergelegd ter rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 december 2007 (stuk 20), aan de kamer van inbeschuldigingstelling gevraagd wordt "(...) en na toepassing van artikel 235bis [Wetboek van Strafvordering] de klacht van de [eiseres] in haar geheel onontvankelijk te verklaren"; - in de conclusie van de eiseres, neergelegd ter rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 december 2007 (stuk 22) gevraagd wordt: "te zeggen voor recht dat de strafvordering ontvankelijk is voor alle feiten omschreven in de klacht met burgerlijke partijstelling van 20 april 2007 en rechtsgeldig is aanhangig gemaakt".
- Anders dan het onderdeel voorhoudt, betreft het aldus een grond van niet-ontvankelijkheid die aan de tegenspraak van alle partijen werd onderworpen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten op 426,23 euro, waarvan 272,81 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 6 mei 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080506.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div