klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet noodzakelijk is om uitspraak te doen. Te dezen verzochten de eisers het hof van beroep aan het (Grondwettelijk Hof) volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden de bepalingen van de wet van 27.12.2004 artikel 20, welke de beroepsmogelijkheid, voorzien in de wet van 10.4.1990 tot regeling van de private veiligheid (art. 19) heeft afgeschaft, wanneer ze geïnterpreteerd worden als zijnde ook van toepassing op de procedures, waarvan de aan de grondslag liggende feiten gepleegd werden vóór 27 december 2004, maar waarover door de rechtbank van eerste aanleg na beroep van de dader uitspraak werd gedaan na 27 december 2004, niet de artikels 10 en 11 van de Grondwet om reden dat geen enkele objectieve en redelijke rechtvaardiging wordt gegeven aangaande de discriminerende behandeling die bestaat tussen rechtspersonen die zich in precies dezelfde situatie bevinden (namelijk vervolgd worden voor feiten gepleegd vóór 27 december 2004) doch die, enerzijds, wel zouden kunnen genieten van een dubbele aanleg (namelijk als de rechtbank van eerste aanleg zich heeft uitgesproken vóór 27 december 2004) en, anderzijds, van de mogelijkheid tot beroep worden beroofd (namelijk als de rechtbank van eerste aanleg zich heeft uitgesproken na 27 december 2004)". Het hof van beroep kon slechts dan geen gevolg geven aan deze vraagstelling wanneer het vaststelde, hetzij dat de aangevoerde bepaling de Grondwet kennelijk niet schond, hetzij dat het antwoord op de vraag niet noodzakelijk was om uitspraak te doen, hetzij dat het (Grondwettelijk Hof) reeds uitspraak had gedaan over een vraag met een identiek onderwerp. Uit artikel 26, §2, van de Bijzondere wet volgt weliswaar dat aan die laatste uitzondering, die te dezen door het hof van beroep wordt weerhouden, slechts is voldaan voor zover het (Grondwettelijk Hof) uitspraak heeft gedaan op een vraag, onder te verstaan een prejudiciële vraag, of op een beroep, onder te verstaan een beroep tot nietigverklaring. Voldoet niet aan deze uitzondering de hypothese waarin het (Grondwettelijk Hof) in het kader van een vordering tot schorsing uitspraak zou hebben gedaan, procedure die blijkens artikelen 1 en 19 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof is te onderscheiden van het beroep tot nietigverklaring en een eigen voorwerp heeft, met name de schorsing van de wet, waartegen een beroep tot vernietiging gericht is, zelfs zo zij bij toepassing van artikel 21 van voornoemde wet kan worden geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging, en waarvan de inwilliging afhankelijk is van de aanvoering van ernstige middelen en van de voorwaarde dat de onmiddellijke uitvoering van de wet waartegen het beroep is gericht, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Over de eigenlijke gegrondheid van de middelen wordt evenwel in het kader van het beroep tot nietigverklaring van de wet uitspraak gedaan. Te dezen verwijst het hof van beroep teneinde het verzoek tot het stellen van voornoemde prejudiciële vraag af te wijzen weliswaar naar een arrest dat werd gewezen op een verzoek tot schorsing, met name het arrest nr. 26/93 van 25 maart 1993, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 juni 1993, waarbij derhalve nog geen eindbeslissing werd gewezen over de vraag of er inderdaad sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel door het verhogen van de drempel voor het instellen van hoger beroep en derhalve naar een arrest dat niet beantwoordde aan de voorwaarden, waarvan sprake in artikel 26, §2, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Besluit Op grond van het aangehaalde arrest van het (Grondwettelijk Hof), dat werd gewezen op een beroep tot schorsing en niet op een beroep tot nietigverklaring of op een prejudiciële vraag, vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen dat het geen prejudiciële vraag, zoals door de eisers opgeworpen, aan het (Grondwettelijk Hof) diende te stellen omdat dat Hof hierbij reeds over een vraag met een identiek onderwerp uitspraak zou hebben gedaan (schending van artikelen 1, 19, 20, 21 en 26, §§1 en 2 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof) en kon het derhalve niet op wettige wijze toepassing maken van artikel 19, §5, voorlaatste lid van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakings-diensten, zoals ingevoegd bij artikel 20 van de wet van 27 december 2004 (schending van artikelen 10, 11 en 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, 20 van de wet van 27 december 2004 houdende diverse bepalingen en 19, §5, voorlaatste lid, van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, waarvan het opschrift bij wet van 27 december 2004 werd gewijzigd in wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, zoals gewijzigd bij wet van 27 december 2004). Tweede onderdeel Bij artikel 20 van de wet van 27 december 2004 houdende diverse bepalingen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2004, werd aan artikel 19, §5, van de wet van 10 april 1990 een lid toegevoegd, naar luid waarvan "tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg geen hoger beroep mogelijk (is)". Bij gebreke van specifieke overgangsregeling gold ter zake artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, naar luid waarvan de wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging van toepassing zijn op de hangende rechtsgedingen zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald. Met betrekking tot de mogelijkheid om tegen een beslissing een rechtsmiddel in te stellen geldt aldus in principe de wet, toepasselijk op het tijdstip waarop de rechterlijke beslissing werd gewezen. De afwezigheid van afwijkende overgangsregeling in de wet van 27 december 2004 heeft weliswaar tot gevolg dat naar gelang van het tijdstip waarop de beslissing werd gewezen op een vordering, ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 december 2004, de rechtzoekenden op verschillende wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke en objectieve verantwoording voorhanden is. Immers, naargelang over hun vordering al dan niet reeds vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 december 2004, te dezen op 10 januari 2005, uitspraak werd gedaan, zullen zij al dan niet tegen deze beslissing hoger beroep kunnen instellen, desgevallend nog na de inwerkingtreding van deze wet, vermits het recht om hoger beroep in te stellen bepaald wordt op datum van uitspraak, het tijdstip waarop het rechtsmiddel ook wordt ingesteld buiten beschouwing gelaten. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat eisers' hoger beroep bij toepassing van artikel 19, §5, voorlaatste lid, van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, waarvan het opschrift werd gewijzigd bij wet van 27 december 2004 in wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 27 december 2004, onontvankelijk is, omdat tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg geen hoger beroep openstaat, maakt het toepassing van een bepaling, die de rechtzoekenden, die hun vordering inleidden vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 december 2004, op onderscheiden wijze behandelt naar gelang van het tijdstip waarop de beslissing op hun vordering werd gewezen, zonder dat hiervoor een redelijke en objectieve verantwoording voorhanden is en maakt het zodoende toepassing van een bepaling die strijdig is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (schending van artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, 19, §5, voorlaatste lid, van de wet van 10 april 1990 op de bewakings-ondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, waarvan het opschrift werd gewijzigd bij wet van 27 december 2004 in wet tot regelingen van de private en bijzondere veiligheid, gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 27 december 2004, 20 van de wet van 27 december 2004 houdende diverse bepalingen en 3 van het Gerechtelijk Wetboek). Derhalve verzoeken de eisers het Hof, alvorens ten gronde over deze kritiek uitspraak te doen, bij toepassing van artikel 26, §§1 en 2 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof aan het Arbitragehof volgende prejudiciële vraag voor te leggen: "Schenden artikelen 19, §5, voorlaatste lid, van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakings-diensten, waarvan het opschrift werd gewijzigd bij wet van 27 december 2004 in wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, zoals gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 27 december 2004, houdende diverse bepalingen, samengelezen met artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat aan de rechtzoekenden, op wier vordering, strekkende tot de vernietiging van de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete wegens inbreuken op de Bewakingswet, ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 december 2004, eerst na datum van de inwerkingtreding van de wet van 27 december 2004 uitspraak wordt gedaan het recht op hoger beroep wordt ontzegd, daar waar de persoon die in dezelfde omstandigheden een vordering heeft ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 december 2004, doch waarover reeds uitspraak werd gedaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, tegen die beslissing wel hoger beroep zal kunnen instellen, desnoods nog na de inwerkingtreding van de wet, zonder dat voor deze onderscheiden behandeling enige objectieve en redelijke rechtvaardiging voorhanden is?". Derde onderdeel De eisers lieten met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep in hun conclusies gelden dat het vonnis twee onderdelen bevatte die wat betreft de mogelijkheid van een tweede aanleg grondig van mekaar verschillen: het eerste onderdeel verklaarde de vordering tot nietigverklaring van de beslissing die de administratieve boete oplegde ongegrond, het tweede onderdeel verklaarde de tegenvordering van de verweerder ertoe strekkende de Staat te machtigen tot invordering van de boete zonder voorwerp "omdat de beslissing tot opleggen van een administratieve sanctie uitvoerbare kracht heeft wanneer de beroepsmogelijkheid is uitgeput. De Belgische Staat beschikt derhalve over een uitvoerbare titel waarvan zij de invordering kan benaarstigen". Met betrekking tot dit tweede onderdeel lieten de eisers gelden dat dit onderdeel niet werd geviseerd door de afschaffing van de mogelijkheid van hoger beroep bij wet van 27 december 2004. Bij artikel 19, §5, van de wet van 10 april 1990, zoals gewijzigd bij wet van 27 december 2004, wordt inderdaad gesteld dat het beroep waarbij de toepassing van de administratieve geldboete wordt betwist, slechts ontvankelijk is indien een kopie van het verzoekschrift uiterlijk op de datum van neerlegging van het verzoekschrift bij de rechtbank tevens bij ter post aangetekende brief wordt gezonden aan de bevoegde ambtenaar,
Tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, onder te verstaan gewezen aangaande de toepassing van de administratieve geldboete, is geen hoger beroep mogelijk. Deze bepaling viseert derhalve geenszins de hypothese van de betwisting met betrekking tot de invordering van de administratieve geldboete, die onderworpen is aan het gemeen recht en derhalve overeenkomstig artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek vatbaar is voor hoger beroep. Uit de conclusies genomen in eerste aanleg door de Belgische Staat, die hierbij een tegeneis instelde "ertoe strekkende haar te horen machtigen tot onmiddellijke invordering van de administratieve geldboete van 1.859,20 euro ten laste van (de eisers), meer de verwijlintresten vanaf 26 november 2000, zijnde 30 dagen na ontvangst van het aangetekend schrijven van 26 oktober 2000 en dit overeenkomstig art. 4 van het koninklijk besluit van 7 december 1990, meer de gerechtelijke intresten", evenals uit het vonnis van de eerste rechter waarbij over deze tegeneis uitspraak werd gedaan, blijkt dat te dezen door de rechtbank van eerste aanleg uitspraak werd gedaan, niet alleen over de toepassing van de administratieve geldboete op vraag van de eisers, doch ook over de vordering uitgaande van de Belgische Staat strekkende tot het bekomen van een titel tot invordering. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat de betwisting enkel betrekking kon hebben op de administratieve geldboete en niet op de invordering ervan en daaruit afleidt dat het hoger beroep in ieder geval onder de bepalingen van de wet van 10 april 1990 onontvankelijk is, aldus abstractie makend van de daadwerkelijk voor de eerste rechter gevoerde betwisting aangaande het bestaan van een invorderingstitel, vermocht het niet wettig te beslissen dat bij toepassing van artikel 19, §5, van de wet van 19 april 1990 het hoger beroep in zijn totaliteit onontvankelijk was (schending van artikel 19, §5, van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, waarvan het opschrift bij wet van 27 december 2004 werd gewijzigd in wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek). Bovendien doet het hof van beroep aldus uitspraak in miskenning, enerzijds van het recht van de wederpartij om bij wege van conclusie voor de rechtbank, waarvoor een hoofdeis is gebracht, een tegeneis in stellen (schending van artikelen 13, 14, 807 en 809 van het Gerechtelijk Wetboek), anderzijds, van de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg om van die tegeneis kennis te nemen (schending van artikel 563 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, - artikel 19, §§4 en 5 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, waarvan het opschrift bij wet van 27 december 2004 werd gewijzigd in wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 10 juni 2001; - de artikelen 17 en 21 de wet van 10 juni 2001 tot wijziging van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten; - de artikelen 4 en 6 van het koninklijk besluit van 17 december 1990 betreffende de administratieve geldboeten,
artikel 19 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 april
artikel 2, §3, derde lid, van deze wet, in gebreke blijft om de geldboete te betalen binnen de bepaalde termijn, wordt het bedrag van de geldboete in mindering gebracht van de waarborgsom, zoals
, derde lid, van dit artikel, tenzij de betrokken persoon de toepassing van de administratieve geldboete bij verzoekschrift voor de rechtbank van eerste aanleg binnen deze termijn heeft betwist. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing". In paragraaf 5 van datzelfde artikel werd gepreciseerd dat de Koning de termijn bepaalt en de wijze van betaling van de administratieve geldboete evenals de termijn voor het indienen van het verzoekschrift bij de rechtbank van eerste aanleg. In deze bepaling was er destijds zodoende geen sprake van enige uitvoerbare kracht van de beslissing. Er werd enkel voorzien in een aanrekening van de boete op een waarborgsom, die weliswaar veronderstelde dat de betrokkene een dergelijke waarborgsom had gestort en dat de administratieve boete niet werd betwist. In uitvoering van dit artikel werd het koninklijk besluit van 17 december 1990 betreffende de administratieve geldboeten,
artikel 19 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten uitgevaardigd. In artikel 6 van dat koninklijk besluit werd gepreciseerd dat bij niet-betaling van de administratieve geldboete binnen de termijn van dertig dagen vastgesteld in artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit de in artikel 1 bedoelde ambtenaar over een termijn van twee maanden vanaf het ogenblik dat die termijn verstrijkt beschikte om bij de rechtbank van eerste aanleg een vordering tot invordering in te stellen. Deze bepaling bevestigt dat de Belgische Staat in geval van niet-betaling over geen uitvoerbare titel beschikte. Bij koninklijk besluit van 7 april 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 december 1990 betreffende de administratieve geldboeten,
artikel 19 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, werd artikel 6 vervangen door volgende tekst: "Indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon die niet heeft voorzien in een waarborg, overeenkomstig artikel 19, §1, 3°, van de wet, in gebreke blijft de administratieve geldboete te betalen binnen de termijn voorzien in artikel 4, en hij de toepassing ervan niet betwist binnen deze termijn dan beschikt de in artikel 1 bedoelde ambtenaar over een termijn van twee maanden vanaf het ogenblik dat de termijn voorzien in artikel 4 verstrijkt om bij de rechtbank van eerste aanleg een vordering tot invordering in te stellen". Bij artikel 17 van de wet van 10 juni 2001 tot wijziging van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakings-diensten werd paragraaf 4 van artikel 19 door volgende tekst vervangen: "Degene die de wet schendt of de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon kan binnen de door de Koning bepaalde termijn voor de beta¬ling van de geldboete bij verzoekschrift voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de toepassing van de administratieve geldboete betwisten. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing. Indien degene die de wet schendt of de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon in gebreke blijft om binnen de gestelde termijn de geldboete te betalen en zijn beroepsmogelijkheid, zoals bepaald in het eerste lid, is uitgeput, heeft de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie uitvoerbare kracht, en, 1° verzoekt de ambtenaar,
, per aangetekend schrijven de kredietinstelling die de bankwaarborg verleende aan diegene die de wet schendt of de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, over te gaan tot betaling van het bedrag van de geldboete, 2° bij afwezigheid van bankwaarborg, vaardigt de ambtenaar,
, een dwangbevel uit waarop de bepalingen van het Vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn". Deze wijziging bevestigt dat de administratie vóór de inwerkingtreding ervan niet beschikte over een uitvoerbare titel, doch deze aan de rechtbank diende te vragen. Blijkens artikel 21 trad deze wet in werking de dag waarop zij met 's lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt, op 19 juli 2001, hetgeen betekent dat op straffe van het verlenen van terugwerkende kracht aan deze bepaling in strijd met artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe regeling enkel gold voor de toekomstige beslissingen waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd. Besluit Waar de rechtbank in het bestreden vonnis beslist dat de Belgische Staat reeds over een uitvoerbare titel beschikte, daar waar op het tijdstip waarop de beslissing tot het opleggen van een administratieve boete werd genomen de wet geenszins voorzag in een uitvoerbare titel ten voordele van de administratie, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 19, §§4 en 5 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakings-diensten, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 10 juni 2001, artikelen 4 en 6 van het koninklijk besluit van 17 december 1990 betreffende de administratieve geldboeten,
artikel 19 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 april 2000). Bovendien verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht in zoverre de rechtbank aldus op een administratieve beslissing, dagtekenend van 20 november 2000, een bepaling die eerst bij wet van 10 juni 2001 in de wet van 10 april 1990 werd opgenomen van toepassing acht op de administratieve boete, opgelegd bij beslissing van 26 oktober 2000, en aldus in strijd met artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en 21 van de wet van 10 juni 2001 terugwerkende kracht verleent aan artikel 17 van de wet van 10 juni 2001, waarbij artikel 19, §4, van de wet van 10 april 1990 werd vervangen (schending van artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek, 17 en 21 de wet van 10 juni 2001 tot wijziging van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.