← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080508.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080508.7 Rolnummer: C.06.0681.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-24 Raadplegingen: 242 - laatst gezien 2026-07-03 04:43 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rekening tot schadeloosstelling van de aannemer voor een in gemeen overleg te betalen bedrag voor de onderbrekingen op bevel van het bestuur, die in totaal een twintigste van de uitvoeringstermijn overschrijden en tien werkdagen of vijftien kalenderdagen, naar gelang de uitvoeringstermijn uitgedrukt is in werk- of kalenderdagen, is onderscheiden van de klachten en verzoeken van de aannemer wegens welke feiten of omstandigheden ook. Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken Vrije woorden: Aannemer - Rekening tot schadeloosstelling Wettelijke bepalingen: Ministerieel Besluit - 10-08-1977 - Artt. 15, § 5, en 16 - 30 Link Justel databank 19770810-30 Fiche 2 Het recht van de aannemer om een rekening tot schadeloosstelling in te dienen voor een in gemeen overleg te betalen bedrag voor de onderbrekingen op bevel van het bestuur, die in totaal een twintigste van de uitvoeringstermijn overschrijden en tien werkdagen of vijftien kalenderdagen, naar gelang de uitvoeringstermijn uitgedrukt is in werk- of kalenderdagen, geldt slechts zo het bestuur de onderbreking beveelt en niet zo de onderbreking, buiten een door het bestuur daartoe gegeven bevel, enkel toe te schrijven is aan de schuld van het bestuur

(1).
(1)Zie M. SENELLE, "Omtrent klachten en verzoeken", T. Aann., 1985,
(291)
  1. Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken Vrije woorden: Aannemer - Rekening tot schadeloosstelling Wettelijke bepalingen: Ministerieel Besluit - 10-08-1977 - Art. 15, § 5 - 30 Link Justel databank 19770810-30 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0681.N SPIE BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1070 Anderlecht, Vaartdijk 112, rechtsopvolger van ABAY-TS, naamloze vennootschap, met zetel te 1140 Evere, Genèvestraat 4, bus 30, en van GAZEL, naamloze vennootschap, met zetel te 1140 Evere, Optimismelaan 15-17, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen KRISTELIJKE MEDICO-SOCIALE INSTELLINGEN, vereniging zonder winstoogmerk, afgekort KMSI, vzw, met zetel te 2300 Turnhout, Steenweg op Merksplas 44, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 september 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de schorsing van de werken, die uitdrukkelijk door de eiseres werd aangevraagd, niet als een schorsing van de werken op bevel van de verweerster in de zin van het artikel 15, §5, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 kan worden aangezien en, anderdeels, dat de eiseres, die voorhoudt dat deze schorsing noodzakelijk was wegens een gebrekkige werfcoördinatie, in werkelijkheid een aan de verweerster toe te schrijven vertraging in de uitvoering van de werken in de zin van het artikel 16 van hetzelfde ministerieel besluit aanvoert. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  3. Krachtens het artikel 15, §5, eerste lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, ontvangt de aannemer een voorschot op de eerstvolgende betaling naar rata van de uitgevoerde prestaties, wanneer de uitvoering van de aanneming op bevel of door de schuld van het bestuur wordt onderbroken voor een periode van minstens dertig kalenderdagen. Krachtens het tweede lid van hetzelfde artikel heeft de aannemer het recht een rekening tot schadeloosstelling in te dienen voor een in gemeen overleg te betalen bedrag voor de onderbrekingen op bevel van het bestuur, die in totaal een twintigste van de uitvoeringstermijn overschrijden en tien werkdagen of vijftien kalenderdagen, naar gelang de uitvoeringstermijn uitgedrukt is in werk- of kalenderdagen.
  4. De rekening bedoeld in artikel 15, §5, is onderscheiden van de klachten en verzoeken, bedoeld in artikel
  5. Het verschil is uitdrukkelijk aangegeven in artikel 16, §5, waar het onderscheid wordt gemaakt tussen de vordering waarbij de aannemer schadevergoeding vraagt op basis van welke feiten of omstandigheden ook waarvan sprake in dit artikel 16 en de "rekening tot schadeloosstelling" die wordt ingediend op basis van artikel 15, §
  6. Het recht om op grond van artikel 15, §5, een rekening tot schadeloosstelling in te dienen geldt aldus slechts zo het bestuur de onderbreking beveelt en niet, zo de onderbreking, buiten een door het bestuur daartoe gegeven bevel, enkel toe te schrijven is aan de schuld van het bestuur.
  7. Door te oordelen dat een schorsing van de werken, die aan de schuld van het bestuur dient te worden toegeschreven niet gelijk te stellen is met een schorsing van de werken op bevel van het bestuur en dat de eiseres, bij gebrek aan een bevel tot schorsing van de werken door de verweerster, er niet toe gerechtigd was een rekening tot schadeloosstelling overeenkomstig het artikel 15, §5, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 in te dienen, schenden de appelrechters de in het onderdeel aangehaalde artikelen van bedoeld ministerieel besluit niet. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  8. Verder beantwoorden de appelrechters met de hiervoren vermelde redenen het bedoelde verweer. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  9. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters de vordering van de eiseres afwijzen op de grond dat geen vergoeding met toepassing van artikel 15, §5, kan worden toegestaan omdat de schorsing slechts gedeeltelijk was. Het arrest beslist dit niet en het onderdeel mist mitsdien feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  10. De appelrechters oordelen niet dat het recht van de eiseres op schadeloosstelling ingevolge een onderbreking van de werken op bevel van de verweerster is komen te vervallen doordat de verweerster in haar brief van 16 december 1979 stelde dat de "schorsing geen aanleiding kon geven tot enig recht op boete of bijkomende kosten voor de bouwheer", noch dat de eiseres afstand zou hebben gedaan van haar recht op schadeloosstelling doordat zij niet reageerde op voormelde brief van de verweerster. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
  11. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat de eiseres, nu zij nooit reageerde tegen de brief van de verweerster van 16 december 1979, niet kan "voorhouden in de overtuiging (te zijn) geweest (...) dat de werken werden geschorst op bevel van het bestuur", betwist het een overtollig motief van de bestreden beslissing en is het mitsdien niet ontvankelijk. Vijfde onderdeel
  12. In haar definitieve syntheseconclusie (p. 19) voor de appelrechters van 13 januari 2006 werd door de eiseres uitdrukkelijk gesteld dat haar vordering niet gebaseerd was op het artikel 16 van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, "hetwelk een volledig andere situatie viseert", maar wel op het artikel 15, §5, van zelfde ministerieel besluit, dat volgens haar zou volstaan als basis voor haar vordering, terwijl de verweerster concludeerde tot de algehele afwijzing van de desbetreffende vordering van de eiseres.
  13. De appelrechters hadden, na te hebben geoordeeld dat de vordering van de eiseres in de mate dat deze gesteund was op het artikel 15, §5, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 diende worden afgewezen bij gebrek aan bevel tot schorsing van de werken door het bestuur, dan ook niet kunnen onderzoeken of de eiseres gerechtigd was op schadeloosstelling op grond van het artikel 16 van hetzelfde ministerieel besluit, zonder een betwisting op te werpen, die door de partijen in conclusie was uitgesloten. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  14. Het middel wrijft alleen aan de appelrechters aan dat zij de kapitalisatie verwerpen van de rente op het ingehouden bedrag van 24.789,35 euro.
  15. Het artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat vervallen interest van kapitalen interest kan opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op interest die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd is.
  16. De eiseres vordert de verwijlinterest vervallen op het ten onrechte ingehouden bedrag van 24.789,35 euro voor de periode gaande van 4 januari 1983 tot 15 november
  17. De vordering van de eiseres had aldus betrekking op interest verschuldigd voor een periode van minder dan een jaar.
  18. De appelrechters wijzen die vordering tot kapitalisatie van deze interesten af. Op grond van die in de plaats gestelde reden is de beslissing naar recht verantwoord.
  19. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 722,67 euro jegens de eisende partij en op de som van 163,10 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 8 mei 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080508.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.