id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080519.3 Rolnummer: S.07.0004.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-06-12 Raadplegingen: 225 - laatst gezien 2026-07-03 04:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet dient te worden aangezien, de arbeid die een werknemer die zich daartoe bij overeenkomst heeft verbonden, tegen loon en onder het gezag van een werkgever verricht, onverschillig of de aldus gepresteerde arbeid in tijd en omvang beperkt is. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Begrip - bestaansvereisten - vorm - Begrip - bestaansvereisten Vrije woorden: Arbeid - Gepresteerde arbeid beperkt in tijd en omvang - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 2 Fiche 2 De rechter die de door werknemers geleverde prestaties uit het toepassingsveld van de R.S.Z.-wet, sluit op grond van de beperkte en occasionele aard van die prestaties, zonder vast te stellen dat het prestaties zijn in de zin van artikel 16, tweede lid, van het K.B. van 28 november 1969, schendt de artikelen 1, § 1, eerste lid, en 2, § 1, 4° van de R.S.Z.-wet, artikel 16, van het uitvoeringsbesluit, artikelen 1, § 1 en 2, § 1, 4°, Algemene beginselenwet, sociale zekerheid en de artikelen 2 en 3, van de Arbeidsovereenkomstenwet. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Begrip - bestaansvereisten - vorm - Begrip - bestaansvereisten Vrije woorden: Beperkte en occasionele aard van de geleverde prestaties - Toepassing Tekst van de beslissing Nr. S.07.0004.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen J.M., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 juni 2006 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 (Arbeidsovereenkomstenwet); - artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (Uitvoeringsbesluit); - de artikelen 1, §1, eerste lid, 2, §1, 4°, 5, 9 en 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet), artikel 5 zowel vóór als ná de wijziging bij koninklijk besluit van 8 augustus 1997, maar vóór zijn wijziging bij wet van 24 december 2002; - de artikelen 1, §1, 2, §1, 4°, 3, 22 en 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid), de artikelen 22 en 23 zowel vóór als ná de wijziging bij koninklijk besluit van 8 augustus 1997, maar vóór zijn wijziging bij wet van 24 december
- Bestreden beslissing Het bestreden tussenarrest van 23 juni 2006 verklaarde de vordering van de eiser met betrekking tot de ontpitters: R. D.B., L..K., J.S., S.D., J.H. en A.E., ongegrond in zoverre het bestaan van een arbeidsovereenkomst door de eiser niet was bewezen nu het element "arbeid" ontbreekt, terwijl het bovendien niet zinvol is om RSZ-bijdragen te innen wanneer deze bijdragen, zoals in casu, geen merkbare rechten kunnen doen ontstaan in het kader van de sociale zekerheid bij diegene voor wie de bijdragen worden betaald: "Het element ‘arbeid' Wat R.D.B. betreft, stelt het (arbeids)hof in de stukken van (de eiser) vast dat er enkel prestaties zijn geweest in oktober 1992 en in november
- In totaal werd er voor 3.900 + 3.300 ex BEF = 7.200 BEF gefactureerd. Deze prestaties zijn te onbeduidend en vertonen niet de nodige regelmaat om als ‘arbeid' in de zin van de wet op de arbeidsovereenkomsten beschouwd te kunnen worden. Hetzelfde geldt voor L.K. , die volgens de stukken enkel prestaties leverde in maart en april 1995, voor J.S. , die maar enkele prestaties leverde in september en oktober 1995, voor S.D. die in het vier[d]e kwartaal van 1997 slechts 500 kilo aardappelen heeft ontpit, voor J.H. die volgens de stukken enkel prestaties leverde in september 1995 en in november en december 1997 en voor A.E. , die 350 kg ontpitte in december 1996, 700 kg in september 1997, 600 kg in november 1997 en 300 kg in december
- (...) In ieder geval kunnen deze enkele prestaties niet gelden als regelmatige arbeid in de zin van de wet op arbeidsovereenkomsten. Er mag niet uit het oog worden verloren dat het innen van RSZ-bijdragen enkel zinvol is als deze bijdragen merkbare rechten in het kader van de sociale zekerheid kunnen doen ontstaan bij diegene, voor wie de bijdragen worden betaald. Wanneer de prestaties zo gering zijn en de beloning beperkt blijft tot enkele centen, bij manier van spreken, is het vanuit dat perspectief niet zinvol om RSZ-bijdragen te innen". (arrest, p.7, vijfde alinea - p.8, eerste alinea). Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt tegen loon en onder het gezag van de werkgever arbeid te verrichten. Arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet is de arbeid die wordt verricht met het doel om in het levensonderhoud te helpen voorzien, m.a.w. om een inkomen te verwerven of geld te verdienen. Voormelde doelstelling vormt derhalve het kenmerkende criterium van arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet, terwijl de omvang van de prestaties, de aard ervan of de regelmaat waarmee de prestaties worden verricht niet van belang zijn bij het bepalen van het bedoelde element "arbeid". Zonder vast te stellen dat de aardappelontpitters in kwestie hun arbeid niet hebben geleverd met het doel om een inkomen te verwerven of in hun levensonderhoud te voorzien, kon het bestreden arrest derhalve niet wettig beslissen dat de prestaties die zij hebben verricht voor de verweerder niet als "arbeid" in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet zijn te beschouwen. Ook het feit dat voor geringe prestaties de beloning beperkt blijft "tot enkele centen", belet niet dat deze prestaties verricht kunnen worden met het doel om bij te dragen in het levensonderhoud, zelfs al is deze bijdrage miniem. Het is bovendien onverenigbaar met het begrip "arbeid" in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet om te beslissen dat er geen arbeid werd verricht, in zoverre vaststaat dat er een vergoeding werd toegekend als tegenprestatie voor de geleverde prestaties. Het werd niet betwist dat de prestaties verricht door de ontpitters R.D.B. , L.K. , J.S. , S.D. , J.H. en A.E. , door de verweerder waren vergoed (p.7, vijfde alinea en zevende alinea). Enkel voor C.K. ontbrak niet alleen het element "arbeid", maar ook het element "loon" (p.8, tweede alinea). Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, aan de prestaties verricht door de aardappelontpitters: R.D.B. , L.K. , J.S. , S.D. , J.H. en A.E. , de kwalificatie van arbeid heeft kunnen ontzeggen, louter op grond van, enerzijds, het onbeduidend en onregelmatig karakter van de geleverde prestaties, anderzijds, de beperkte beloning die hiervoor werd toegekend, dienvolgens de vordering van de eiser niet wettig ongegrond heeft kunnen verklaren (schending van de artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet, 1, §1, eerste lid, en 1, §1, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid). Tweede onderdeel De RSZ-wet is overeenkomstig zijn artikel 1, §1, van toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (cf. de artikelen 1, §1 en 2, §1, eerste lid, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid). Overeenkomstig artikel 2, §1, 4°, van de RSZ-wet kan de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, aan de toepassing van de RSZ-wet onttrekken de categorieën van werknemers, tewerkgesteld aan een arbeid die voor hen een bijkomstige of gelegenheidsbetrekking is of die wezenlijk van korte duur is, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers (cf. artikel 2, §1, 4°, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid). In toepassing van deze bepaling heeft de Koning in artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit aan de toepassing van de RSZ-wet onttrokken: "de werknemers die occasionele arbeid verrichten, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers. Wordt beschouwd als occasionele arbeid, de arbeid verricht voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin en voor zover die arbeid niet meer bedraagt dan acht uren per week bij één of verschillende werkgevers". Uit deze bepaling volgt dat occasionele of gelegenheidsarbeid, waarbij slechts geringe of onbeduidende prestaties worden geleverd, slechts aan de toepassing van de RSZ-wet is onttrokken binnen de strikte voorwaarden van artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit. Buiten die voorwaarden blijven geringe of onbeduidende prestaties, in beginsel, aan de RSZ-wet onderworpen. In casu vielen de prestaties verricht door de aardappelontpitters: R.D.B. , L.K. , J.S. , S.D. , J.H. en A.E. , niet onder voormelde uitsluitingsbepaling omdat zij prestaties hebben geleverd ten behoeve van een onderneming en duidelijk niet voor de huishouding van de verweerder. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, in zoverre het oordeelde dat de RSZ-wet niet van toepassing was op de prestaties geleverd door de voornoemde aardappelontpitters omwille van het onbeduidend en onregelmatig karakter van deze prestaties, zijn beslissing niet naar recht heeft verantwoord (schending van de artikelen 16 van het Uitvoeringsbesluit, 1, §1, eerste lid, en 2, §1, 4°, RSZ-wet, 1, §1 en 2, §1, 4°, Algemene Beginselenwet sociale Zekerheid en 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet). Derde onderdeel De RSZ-wet is overeenkomstig artikel 1, §1, van toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (cf. artikelen 1, §1 en 2, §1, eerste lid, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid). Overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt tegen loon en onder het gezag van de werkgever arbeid te verrichten. Van zodra de drie constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn verenigd, met name: arbeid, loon en gezag, zijn er derhalve sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd door de werkgever uit hoofde van de tewerkstelling van een werknemer krachtens een arbeidsovereenkomst. Ook wanneer er, onder gezag van de werkgever, slechts geringe, onbeduidende of onregelmatige arbeidsprestaties worden geleverd, tegen een beperkte vergoeding, blijft de RSZ-wet, behoudens een wettelijke uitsluiting (zie het tweede onderdeel), van toepassing. Het loutere feit dat voor een geringe en beperkt verloonde arbeidsprestatie slechts minimale rechten worden geopend voor de werknemer als sociaal verzekerde binnen het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers onttrekt die prestaties niet aan de toepassing van de RSZ-wet. Ook wanneer het voor de werknemer in dat verband weinig zinvol is om RSZ-bijdragen te innen, blijven de RSZ-bijdragen krachtens de wet verschuldigd. Het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, zijn financiering en de inning van sociale bijdragen raken de openbare orde zodat, noch de rechter, noch de eiser, die als openbare instelling met de inning en de invordering van de bijdragen is belast (de artikelen 5 en 9 RSZ-wet), de bepalingen van de RSZ-wet buiten toepassing kan verklaren op grond van een opportuniteitsbeoordeling omtrent de zin voor de werknemer van het innen van bijdragen ingeval van geringe en beperkt verloonde prestaties. Krachtens de artikelen 5 RSZ-wet, 3 en 22, §1, eerste streep, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, worden de bijdragen geïnd voor de financiering van het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, dat het geheel van de sociale prestaties omvat waarop de sociaal verzekerden recht hebben, waarbij de geldmiddelen van de sociale zekerheid in hoofdzaak voortkomen uit de solidariteit van de werkgevers en de werknemers in de vorm van socialezekerheidsbijdragen. De sociale bijdragen die op het loon van een werknemer worden afgehouden, worden bijgevolg niet uitsluitend geïnd ten voordele van die werknemer, maar komen ten goede aan alle bij het stelsel van sociale zekerheid aangesloten werknemers. Ten onrechte oordeelde het bestreden arrest derhalve dat het innen van bijdragen enkel zinvol is als deze bijdragen merkbare rechten kunnen doen ontstaan in het kader van het RSZ-stelsel bij diegene voor wie de bijdragen worden betaald. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, ten aanzien van de aardappelontpitters: R.D.B. , L.K. , J.S. , S.D. , J.H. en A.E. , de toepassing van de RSZ-wet heeft kunnen uitsluiten op grond van de overweging dat het innen van RSZ-bijdragen voor hen niet zinvol is gelet op hun geringe prestaties en de beperkte beloning ervan (schending van alle bepalingen aangehaald in de aanhef van het middel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hierna genoemd Arbeidsovereenkomstenwet, is een arbeidsovereenkomst voor werklieden, de overeenkomst waarbij een werknemer, de werkman, zich verbindt, tegen loon en onder gezag van een werkgever in hoofdzaak handarbeid te verrichten. Als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet dient te worden aangezien, de arbeid die een werknemer die zich daartoe bij overeenkomst heeft verbonden, tegen loon en onder het gezag van een werkgever verricht, onverschillig of de aldus gepresteerde arbeid in tijd en omvang beperkt is.
- De appelrechters stellen vast dat: - wat R.D.B. betreft er enkel prestaties zijn geweest in oktober en november 1992, waarvoor 7.200 BEF werd gefactureerd; - door L.K. enkel prestaties werden geleverd in maart en april 1995; - J.S. maar enkele prestaties leverde in september en oktober 1995; - S.D. in het vierde kwartaal 1997 slechts 500 kilo aardappelen ont-pitte; - J.H. enkel prestaties leverde in september 1995 en in november en december 1997; - A.E. 350 kilo ontpitte in december 1996, 700 in september 1997, 600 in november 1997 en 300 in december
- Verder oordelen zij dat deze prestaties te onbeduidend zijn en niet de nodige regelmaat vertonen om als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet te kunnen worden aangezien.
- De appelrechters die de door voornoemde arbeiders tegen loon en onder het gezag van de verweerder gepresteerde arbeid uit het toepassingsveld van de Arbeidsovereenkomstenwet sluiten op grond van de vaststelling dat die arbeid in tijd en omvang beperkt was, schenden artikel 2 van deze wet. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 1, §1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hierna genoemd RSZ-wet, is die wet van toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeids-overeenkomst zijn verbonden. Krachtens artikel 2, §1, 4°, van zelfde wet, kan de Koning, bij in Ministerraad overgelegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, aan de toepassing van deze wet onttrekken de categorieën van werknemers, tewerkgesteld aan een arbeid die voor hen een bijkomstige betrekking is of die wezenlijk van korte duur is, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers. Krachtens het artikel 16, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden aan de toepassing van de wet onttrokken de werknemers die occasionele arbeid verrichten, evenals de werkgevers uit hoofde van die werknemers. Krachtens het tweede lid van hetzelfde artikel, wordt beschouwd als occasionele arbeid, de arbeid verricht voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin, voor zover die arbeid niet meer bedraagt dan acht uren per week bij één of verschillende werkgevers.
- De appelrechters oordelen dat wanneer de prestaties zo gering zijn en de beloning beperkt blijft tot "enkele centen, bij manier van spreken" het niet zinvol is socialezekerheidsbijdragen te innen, nu deze bijdragen geen merkbare rechten in het kader van de sociale zekerheid kunnen doen ontstaan bij diegenen, voor wie de bijdragen worden betaald.
- De appelrechters die de door de werknemers R.D.B. , L.K. , J.S. , S.D. , J.H. en A.E. geleverde prestaties uit het toepassingsveld sluiten van de RSZ-wet op grond van de beperkte en occasionele aard van die prestaties, zonder vast te stellen dat het prestaties zijn in de zin van artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, schenden de in het onderdeel vermelde wettelijke bepalingen. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de vordering van de eiser met betrekking tot de prestaties geleverd door R.D.B. , L.K. , J.S. , S.D. , J.H. en A.E. afwijst. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 19 mei 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080519.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div