← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080519.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:A

, voor zoveel als nodig, 2, §4, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof beslist dienvolgens evenmin wettig dat de eiseres aan deze discriminatoire toestand een onmiddellijk einde moet stellen (schending van artikel 19, §1, eerste lid, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie) en veroor¬deelt de eiseres niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 1.

  1. Tweede onderdeel Het arbeidshof overweegt dat "voormelde bedrijfs-CAO (d.i. de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 september 2002 betreffende de vakbondsafvaardiging) en bedrijfsakkoord (d.i. het bedrijfsakkoord van 23 mei 2005 betreffende de vakbondsafvaardiging) bovendien de verbintenis voor zowel de werkgever als de vakbondsafgevaardigden acteren om in alle omstandigheden blijk te geven ‘van hun zin voor rechtvaardigheid, billijkheid en verzoening'; welke nodig zijn voor de goede sociale relaties binnen de onderneming", waarbij artikel 8 van deze teksten de wederzijdse verbintenis tot sociale vrede en zin voor verzoening nader verklaart als volgt: "8.
  2. Wanneer in de onderneming een geschil ontstaat of dreigt te ontstaan, wendt de vakbondsafvaardiging alle mogelijke middelen aan om dat geschil door overleg en onderhandeling op te lossen. Indien men hierin niet slaagt op het vlak van de onderneming, wordt er onmiddellijk beroep gedaan op de secretarissen van de representatieve vakorganisaties die deze CAO ondertekenen. 8.
  3. De partijen nemen formeel de verplichting op om geen enkele actie te starten zonder dat het geschil eerst door de meest diligente partij voor het verzoeningsbureau van het paritaire comité is gebracht en daar werd besproken". (8e blad, laatste alinea, t.e.m. 9e blad, bovenaan, van het bestreden arrest) Het arbeidshof overweegt dat "artikel 8.
  4. duidelijk geldt voor beide partijen, wat evenzo het geval is voor artikel 8.1., ook al wordt er formeel enkel een verbintenis aangegaan door de vakbondsafvaardiging, gezien anders het wederzijds karakter van de bij dit akkoord aangegane verbintenis zou aangetast worden" (9e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest). Vervolgens overweegt het arbeidshof dat "de voorzitter van de arbeidsrechtbank in zijn beschikking van 6 februari 2006 zeer terecht hieruit afleidt dat wanneer in de onderneming een geschil ontstaat of dreigt te ontstaan, in het bijzonder betreffende een vakbondsafgevaardigde of personeelsvertegenwoordiger in de raad of het comité, bijgevolg ook de werkgever alle mogelijke middelen moet aanwenden om dat geschil door overleg en onderhandeling op te lossen en indien men hierin niet slaagt op het vlak van de onderneming er onmiddellijk een beroep moet worden gedaan op de secretarissen van de representatieve vakorganisaties die deze CAO ondertekend hebben" (9e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt tevens dat de eiseres bijgevolg zelfs in geval van herhaalde overtreding van de veiligheidsvoorschriften van toepassing voor de beveiligde zones van de luchthaven, in geval van het ontstaan van een dreigend geschil, zowel naar de letter als naar de geest van voormelde verbintenissen, eerst alle middelen diende aan te wenden ten einde dit door overleg en onderhandeling op te lossen, eventueel door een beroep te doen op de betrokken ACV-secretaris (9e blad, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof voegt eraan toe dat "(de eiseres) dit trouwens ter gelegenheid van het hierdoor ontstane conflict toegeeft zoals door de sociale bemiddelaar de heer B. L. geacteerd werd met name dat: "Dergelijke problemen zullen in de toekomst, zoals trouwens bepaald in de desbetreffende reglementering voorafgaandelijk ter kennis gebracht worden van de betrokken werknemersorganisatie en dienen via overleg tot een oplossing te leiden. Bij gebrek aan akkoord zal de meest gerede partij een beroep doen op de verzoeningsinstantie van het paritaire comité". (9e blad, laatste alinea, t.e.m. 10e blad, bovenaan, van het bestreden arrest). Ten slotte overweegt het arbeidshof dat "gezien dit hier echter niet is gebeurd daarbij, in tegenstrijd met de artikelen 21, §5, van de wet van 21 september 1948 en 64 van de wet van 4 augustus 1996, duidelijk geen rekening werd gehouden met het mandaat van vakbondsafgevaardigde en personeelsvertegenwoordiger van (de verweerster), waardoor zij, ook als daardoor gelijkgesteld met de niet beschermde werknemers, wel degelijk werd gediscrimineerd" (10e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest). 1.
  5. Eerste subonderdeel Het arbeidshof geeft met zijn hierboven weergegeven vaststellingen en overwegingen, en meer bepaald met zijn overweging dat "gezien dit (d.i. alle middelen aanwenden om het geschil door overleg en onderhandeling op te lossen) hier echter niet is gebeurd daarbij, in tegenstrijd met de artikelen 21, §5, van de wet van 21 september 1948 en 64 van de wet van 4 augustus 1996, duidelijk geen rekening werd gehouden met het mandaat van vakbondsafgevaardigde en personeelsvertegenwoordiger van (de verweerster), waardoor zij, ook als daardoor gelijkgesteld met de niet beschermde werknemers, wel degelijk werd gediscrimineerd", niet aan waarin het verschil in behandeling zou bestaan dat niet objectief en redelijkerwijze kan worden gerechtvaardigd en waarvan de verweerders het slachtoffer zouden zijn. 1.
  6. Eerste subsubonderdeel In zijn hierboven weergegeven vaststellingen en overwegingen onderzoekt het arbeidshof niet of, en stelt het dus ook niet vast dat er een verschil in behandeling bestond tussen de verweerster en andere personen (die zich in een vergelijkbare situatie bevinden) dat niet objectief en redelijkerwijze kan worden gerechtvaardigd. Conclusie Door niet te onderzoeken of, en dus ook niet vast te stellen dat er een verschil in behandeling bestond tussen de verweerster en andere personen dat niet objectief en redelijkerwijze kan worden gerechtvaardigd, maakt het arbeidshof het door het Hof uit te oefenen wettigheidstoezicht, namelijk of uit de door het arbeidshof gedane feitelijke vaststellingen wettig kan worden afgeleid dat er een verschil in behandeling bestaat dat niet objectief en redelijkerwijze kan worden gerechtvaardigd, onmogelijk (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). 1.2.1.
  7. Tweede subsubonderdeel Het arbeidshof overweegt onder meer dat de eiseres zelfs in geval van herhaalde overtreding van de veiligheidsvoorschriften van toepassing voor de beveiligde zones van de luchthaven, in geval van het ontstaan van een dreigend geschil, zowel naar de letter als naar de geest van de in de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 september 2002 betreffende de vakbondsafvaardiging en het bedrijfsakkoord van 23 mei 2005 betreffende de vakbondsafvaardiging vermelde verbintenissen, eerst alle middelen diende aan te wenden teneinde dit geschil door overleg en onderhandeling op te lossen (eventueel door een beroep te doen op de betrokken ACV-secretaris) (9e blad, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest). Volgens het arbeidshof werd, aangezien dit hier niet is gebeurd, duidelijk geen rekening gehouden met het mandaat van vakbondsafgevaardigde en personeelsvertegenwoordiger van de verweerster, waardoor zij werd gediscrimineerd (10e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof leidt aldus uit de enkele niet-naleving door de eiseres van haar in de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 september 2002 en het bedrijfsakkoord van 23 mei 2005 opgelegde verplichting om alle middelen aan te wenden teneinde het geschil door overleg en onderhandeling op te lossen, af dat geen rekening werd gehouden met het mandaat van vakbondsafgevaardigde en personeelsvertegenwoordiger en dat de verweerster aldus werd gediscrimineerd. Het arbeidshof geeft niet aan op welke wijze de verweerster, doordat de verplichting tot overleg en onderhandeling ten aanzien van haar niet werd nageleefd, verschillend werd behandeld in vergelijking met andere personen die zich in een vergelijkbare positie bevinden, noch dat dat eventuele verschil in behandeling niet objectief en redelijkerwijze kan worden gerechtvaardigd. Conclusie Het arbeidshof kan uit zijn in de aanhef van dit onderdeel weergegeven vaststellingen en overwegingen dan ook niet wettig afleiden dat sprake is van (directe) discriminatie in de zin van artikel 2, §1, van de Antidiscriminatiewet (schending van de artikelen 2, §

, voor zoveel als nodig, 2, §4, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). De beslissing van het arbeidshof dat de eiseres t.o.v. de verweerders een discriminatoire toestand heeft gecreëerd door met name het laten intrekken van de badge, het verhinderen van de uitoefening van het mandaat van personeelsvertegenwoordiger en vakbondsafgevaardigde, het verhinderen van de toegang tot de werkomgeving en de verhindering van de uitvoering van de bedongen arbeid, kan dan ook op grond van die vaststellingen en overwegingen niet naar recht worden verantwoord (schending van de artikelen 2, §1, en, voor zoveel als nodig, 2, §4, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof beslist dienvolgens evenmin wettig dat de eiseres aan deze discriminatoire toestand een onmiddellijk einde moet stellen (schending van artikel 19, §1, eerste lid, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie) en veroordeelt de eiseres niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 1.2.

  1. Tweede subonderdeel Het arbeidshof overweegt dat "gezien dit (d.i. alle middelen aanwenden om het geschil door overleg en onderhandeling op te lossen) hier echter niet is gebeurd daarbij, in tegenstrijd met de artikelen 21 §5, van de wet van 21 september 1948 en 64 van de wet van 4 augustus 1996, duidelijk geen rekening werd gehouden met het mandaat van vakbondsaf¬gevaardigde en personeelsvertegenwoordiger van (de verweerster), waardoor zij, ook als daardoor gelijkgesteld met de niet beschermde werknemers, wel degelijk werd gediscrimineerd" (10e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof is aldus van oordeel dat geen rekening werd gehouden met het mandaat van vakbondsafgevaardigde en personeelsvertegenwoordiger van de verweerster, aangezien de eiseres niet alle middelen heeft aangewend om het geschil door overleg en onderhandeling op te lossen en dat de verweerster "daardoor gelijkgesteld (werd) met de niet beschermde werknemers". De hierboven vermelde overweging van het arbeidshof zou aldus in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat het arbeidshof van oordeel is dat het bestaan van directe discriminatie blijkt uit de omstandigheid dat de verweerster op gelijke wijze werd behandeld als de "niet-beschermde werknemers". Het tweede subonderdeel steunt op die uitlegging. 1.2.
  2. Eerste subsubonderdeel In de mate dat het bestreden arrest moet worden geïnterpreteerd zoals aangegeven in de aanhef van het tweede subonderdeel, gaat het arbeidshof, door te overwegen dat geen rekening werd gehouden met het mandaat van vakbondsafgevaardigde en personeelsvertegenwoordiger van de verweerster, aangezien de eiseres haar in de (in de artikelen 8(.1.) van de) collectieve arbeidsovereenkomst van 23 september 2002 en het bedrijfsakkoord van 23 mei 2005 opgelegde verplichting om alle middelen aan te wenden teneinde het geschil door overleg en onderhandeling op te lossen, niet is nagekomen, en dat de verweerster "daardoor gelijkgesteld (werd) met de niet beschermde werknemers", ervan uit dat de in artikel 8.
  3. van de overeenkomsten bepaalde verplichting om alle mogelijke middelen aan te wenden om het geschil door overleg en onderhandeling op te lossen, enkel geldt ingeval in de onderneming een geschil ontstaat of dreigt te ontstaan waarbij een personeelsvertegenwoordiger is betrokken. Het arbeidshof overweegt op de negende bladzijde van het bestreden arrest overigens ook dat "de voorzitter van de arbeidsrechtbank in zijn beschikking van 6 februari 2006 zeer terecht hieruit afleidt dat wanneer in de onderneming een geschil ontstaat of dreigt te ontstaan, in het bijzonder betreffende een vakbondsafgevaardigde of personeelsvertegenwoordiger in de raad of het comité, bijgevolg ook de werkgever alle mogelijke middelen moet aanwenden om dat geschil door overleg en onderhandeling op te lossen en indien men hierin niet slaagt op het vlak van de onderneming er onmiddellijk een beroep moet worden gedaan op de secretarissen van de representatieve vakorganisaties die deze CAO ondertekend hebben" (9e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest). Ook die overweging zou erop kunnen wijzen dat het arbeidshof van oordeel is dat de in artikel 8.
  4. van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 september 2002 en het bedrijfsakkoord van 23 mei 2005 opgelegde verplichting om alle mogelijke middelen aan te wenden teneinde het geschil door overleg en onderhandeling op te lossen, enkel geldt ingeval in de onderneming een geschil ontstaat of dreigt te ontstaan waarbij een vakbondsafgevaardigde of personeelsvertegenwoordiger (in de ondernemingsraad of het comité voor preventie en bescherming op het werk) is betrokken. Artikel 8.
  5. van de collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de vakbondsafvaardiging gesloten op 23 september 2002 ("collectieve arbeidsovereenkomst vakbonds-afvaardiging" genaamd, stuk 1 van de bij dit verzoekschrift gevoegde stukken) en artikel 8.
  6. van het bedrijfsakkoord betreffende de vakbondsafvaardiging gesloten op 23 mei 2005 ("bedrijfsakkoord vakbondsafvaardiging" genaamd, stuk 2 van de bij dit verzoekschrift gevoegde stukken) bepalen: "8.
  7. Wanneer in de onderneming een geschil ontstaat of dreigt te ontstaan, wendt de vakbondsafvaardiging alle mogelijke middelen aan om dat geschil door overleg en onderhandeling op te lossen. Indien men hierin niet slaagt op het vlak van de onderneming, wordt er onmiddellijk een beroep gedaan op de secretarissen van de representatieve vakorganisaties die deze CAO ondertekenen". Deze bepaling dient te worden gelezen in het licht van de artikelen 12 en 13, tweede zin, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 5 van 24 mei 1971 betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging van het personeel van de ondernemingen, luidens welke de vakbondsafvaardiging het recht heeft door het ondernemingshoofd te worden gehoord naar aanleiding van elk geschil of elke betwisting van collectieve aard die zich in de onderneming voordoet of wanneer dergelijke geschillen of betwistingen dreigen te ontstaan, alsook naar aanleiding van elk individueel geschil of betwisting dat niet langs de gewone hiërarchische weg kan worden opgelost. Op grond van artikel 1, tweede lid, van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomsten worden immers de toepassingsmodaliteiten van de beginselen betreffende de bevoegdheid en de werkingsmodaliteiten van de vakbondsafgevaardiging verduidelijkt door collectieve overeenkomsten gesloten op het vlak van de paritaire comités of subcomités of op het vlak van de ondernemingen. De in artikel 8.
  8. van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 september 2002 en artikel 8.1 van het bedrijfsakkoord van 23 mei 2005 bepaalde verplichting om alle mogelijke middelen aan te wenden om het geschil door overleg en onderhandeling op te lossen, zijn aldus niet alleen volgens hun bewoordingen, maar ook in het licht van de artikelen 12 en 13 van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 5 waarvan zij de verduidelijking op ondernemingsvlak zijn, van toepassing telkens wanneer in de onderneming een geschil ontstaat of dreigt te ontstaan (ook al is bij dat geschil geen vakbondsafgevaardigde of personeelsvertegenwoordiger betrokken). In de mate dat het arbeidshof ervan uitgaat dat de in artikel 8.
  9. van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 september 2002 en artikel 8.1 van het bedrijfsakkoord van 23 mei 2005 opgelegde verplichting om alle mogelijke middelen aan te wenden teneinde het geschil door overleg en onderhandeling op te lossen, enkel geldt ingeval in de onderneming een geschil ontstaat of dreigt te ontstaan waarbij een vakbonds-afgevaardigde of personeelsvertegenwoordiger (in de ondernemingsraad of het comité voor preventie en bescherming op het werk) is betrokken, geeft het arbeidshof aan (artikel 8.
  10. van) de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 september 2002 en het bedrijfsakkoord van 23 mei 2005 een uitlegging die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen en de inhoud ervan. Conclusie Het arbeidshof miskent de bewijskracht van de "collectieve arbeidsovereenkomst vakbondsafvaardiging" gesloten op 23 september 2002 (stuk 1 van de bij dit verzoekschrift gevoegde stukken) en van het "bedrijfsakkoord vakbondsafvaardiging" gesloten op 23 mei 2005 (stuk 2 van de bij dit verzoekschrift gevoegde stukken) (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). 1.2.2.
  11. Tweede subsubonderdeel Artikel 2, §1, van de Antidiscriminatiewet bepaalt dat er sprake is van directe discriminatie wanneer er een verschil in behandeling is dat niet objectief en redelijkerwijze wordt gerechtvaardigd. Het bestaan van directe discriminatie vereist aldus het bestaan van een verschil in behandeling. In geval van gelijke behandeling van personen die zich in onvergelijkbare omstandigheden bevinden, kan niet besloten worden tot het bestaan van directe discriminatie in de zin van artikel 2, §1, van de Antidiscriminatiewet. - In de mate dat het bestreden arrest moet worden geïnterpreteerd zoals aangegeven in de aanhef van het tweede subonderdeel, stelt het arbeidshof vast dat de verweerster ondanks haar mandaat als vakbondsafgevaardigde en personeelsvertegenwoordiger werd gelijkgesteld met werknemers zonder dergelijk mandaat en stelt het m.a.w. vast dat personen die zich in een verschillende situatie bevinden, gelijk worden behandeld. Conclusie Het arbeidshof kan op grond van de vaststelling dat de verweerster op gelijke wijze werd behandeld als de "niet-beschermde werknemers", niet wettig besluiten tot het bestaan van (directe) discriminatie in de zin van artikel 2, §1, van de Antidiscriminatiewet (schending van de artikelen 2, §

, voor zoveel als nodig, 2, §4, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). De beslissing van het arbeidshof dat de eiseres t.o.v. de verweerders een discriminatoire toestand heeft gecreëerd door met name het laten intrekken van de badge, het verhinderen van de uitoefening van het mandaat van personeelsvertegenwoordiger en vakbondsafgevaardigde, het verhinderen van de toegang tot de werkomgeving en de verhindering van de uitvoering van de bedongen arbeid, kan dan ook op grond van die vaststelling niet naar recht worden verantwoord (schending van de artikelen 2, §1, en, voor zoveel als nodig, 2, §4, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof beslist dienvolgens evenmin wettig dat de eiseres aan deze discriminatoire toestand een onmiddellijk einde moet stellen (schending van artikel 19, §1, eerste lid, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, vóór de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie) en veroordeelt de eiseres niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 544, 1108, 1131, 1133, 1134, 1142, 1148 en 1780 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 2, 3, 7, tweede lid, 26, eerste lid, 32, 3° en 5°, en 39, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - de artikelen 1017, eerste lid, en 1385bis, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 12, eerste lid, van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - artikel 7 van het decreet van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van het gildenwezen; - de artikelen 19, §1, eerste lid, en, voor zoveel als nodig, 2, §

§4

, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, vóór de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekende over de vorderingen van de verweerders, het hoger beroep van de eiseres ongegrond en het incidenteel beroep van de verweerders gedeeltelijk gegrond. Opnieuw recht doende, beslist het arbeidshof dat de arbeidsovereenkomst niet werd beëindigd, dat de verhindering van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en van de uitoefening van het vakbondsmandaat dient te worden gestaakt en dat de eiseres een onmiddellijk einde moet stellen aan de door haar gecreëerde discriminatoire toestand. Die beslissingen worden gesteund op de volgende motieven: "Betreffende de vaststelling door (de eiseres) van de beëindiging van de arbeids-overeenkomst wegens overmacht: De vordering van (de verweerders) beoogt in deze context de staking te horen bevelen van de daad bestaande uit "de verhindering van de uitvoering van de bedongen arbeid en de uitoefening van het syndicaal mandaat". (De eiseres) maakt zodoende in deze situatie een oneigenlijk gebruik van het begrip overmacht, minstens door een verkeerde interpretatie ervan wat zij met zoveel woorden toegeeft, zoals kan worden afgeleid uit hetgeen door de heer B. L. tijdens de sociale bemiddeling werd geacteerd met name dat: "De partijen betrokken bij het conflict onderschrijven het oordeel van de sociale bemiddelaar dat het begrip overmacht zijn plaats niet heeft binnen het raam van de problemen die zich kunnen voordoen met beschermde werknemers. Zij gaan ermee akkoord om hiervan in de toekomst geen gebruik meer te maken". De juridisch verkeerde interpretatie van het begrip overmacht heeft voor gevolg dat (de eiseres) zich op deze vermeende overmacht bezwaarlijk kan steunen om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vast te stelen, wat trouwens zou neerkomen op een verkeerde interpretatie van voormeld artikel 32, 5°, AOW, dat hier zodoende bezwaarlijk toepassing kan vinden. Immers onderscheidt zich, zoals voormeld, het begrip "overmacht" uitdrukkelijk van dat van "ontslag" in het algemeen gezien de oorzaak van de contractbeëindiging wegens overmacht gelegen is in de ontoerekenbare en onoverkomelijke overmachtssituatie op zich en hoegenaamd niet in de veruitwendigde wil van de werkgever tot ontslag. Bovendien wordt buiten hetgeen reeds werd uiteengezet werd onder het ontslagbegrip algemeen aangenomen dat voor het ontslag als eenzijdige rechtshandeling dezelfde geldigheidsvoorwaarden van toepassing zijn als voor een overeenkomst (Rauws, W, "De nietigheid in het arbeidsovereenkomstenrecht", in Actuele problemen van het arbeidsrecht, Rigaux, M. (ed.), Antwerpen, Kluwer, 1987, 405) . Deze voorwaarden hebben betrekking op de toestemming van de partij die zich verbindt, haar rechtsbekwaamheid, een bepaald voorwerp en een geoorloofde oorzaak (artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek). Het ontslag veronderstelt bijgevolg een volwaardige wilsuiting die niet aangetast mag zijn door wilsgebreken (zie Cass., 28 april 1980, R. W. 1980-81, 2699 (verkort); Cass., 23 maart 1998, J. T. T. 1998, 378; Arbh. Luik, 4 januari 1999, J.L.M.B. 1999, 773) . Daar waar (de eiseres) het heeft over het ontslag van (de verweerster) blijkt zij hiertoe nog geen rechtshandeling in de zin van voormelde rechtspraak en rechtsleer te hebben gesteld. Evenmin kan (de eiseres), gezien hetgeen voorafgaat, de door haar gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht bezwaarlijk als een gegeven ontslag interpreteren zoals kwestieuze vaststelling evenmin van haar impliciete wil tot ontslag zou kunnen doen blijken bij gebrek niet alleen aan een hiertoe noodzakelijk vereiste expliciete wilsuiting maar voornamelijk ook bij gebrek aan een geoorloofde oorzaak. Betreffende de stakingsvordering Volgens (de verweerders) bestaat de discriminatoire praktijk uit de volgehouden verhindering van zowel de uitoefening van het syndicaal mandaat als van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, die dan ook moet worden gestaakt. De stakingsrechter kan inderdaad een positieve daad bevelen wanneer deze neerkomt op een verbod de gewraakte praktijk verder te zetten. (cfr. P. Taelman "Het handhavingsrecht van de wet bestrijding discriminatie" in E. Brenes en M. De Vos (eds), De Wet Bestrijding Discriminatie in de praktijk, Antwerpen, lntersentia 2004, 42) . Nu in deze omstandigheden (de eiseres) de toepasselijkheid van artikel 32, 5, AOW vooralsnog niet bewijst dient de volgehouden verhindering van zowel de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als de uitoefening van het syndicaal mandaat van (de verweerster) ten conservatieve titel te worden gestaakt zoals door (de verweerders) gevorderd worden". (10e blad, midden, t.e.m. 18e blad, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest) Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van de kosten van beide instanties (20e blad, laatste alinea, van het bestreden arrest) Grieven Het arbeidshof overweegt dat "daar waar (de eiseres) het heeft over het ontslag van (de verweerster) zij hiertoe nog geen rechtshandeling in de zin van voormelde rechtspraak en rechtsleer blijkt te hebben gesteld" (17e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt tevens dat "evenmin (de eiseres), gezien hetgeen voorafgaat, de door haar gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht bezwaarlijk als een gegeven ontslag kan interpreteren zoals kwestieuze vaststelling evenmin van haar impliciete wil tot ontslag zou kunnen doen blijken bij gebrek niet alleen aan een hiertoe noodzakelijk vereiste expliciete wilsuiting maar voornamelijk ook bij gebrek aan een geoorloofde oorzaak" (17e blad, derde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof beslist aldus op grond van die overwegingen dat de tussen de eiseres en de verweerster gesloten arbeidsovereenkomst niet door ontslag werd beëindigd. Het arbeidshof beslist dienvolgens dat de volgehouden verhindering van zowel de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als van de uitoefening van het vakbondsmandaat dient te worden gestaakt (18e blad, derde alinea, van het bestreden arrest) en dat de eiseres aldus een onmiddellijk einde dient te stellen aan de door haar gecreëerde discriminatoire toestand (20e blad, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest).

  1. Eerste onderdeel 2.1.
  2. Overeenkomstig artikel 1148 van het Burgerlijk Wetboek is overmacht een oorzaak van het bevrijden van een partij van haar verbintenissen. Artikel 26, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet, bepaalt dat de door overmacht ontstane gebeurtenissen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet tot gevolg hebben wanneer zij slechts tijdelijk de uitvoering van de overeenkomst schorsen. Overeenkomstig artikel 32, 5°, van de Arbeidsovereenkomstenwet. kunnen de verbintenissen voortspruitende uit een arbeidsovereenkomst een einde nemen door overmacht. Beëindigende overmacht veronderstelt een aan de schuldenaar ontoerekenbare gebeurtenis die de uitvoering van de arbeidsovereenkomst definitief onmogelijk maakt. Overmacht beëindigt de arbeidsovereenkomst evenwel niet van rechtswege. Opdat overmacht tot het einde van de arbeidsovereenkomst zou leiden, is vereist dat één van de partijen zich op de beëindigende overmacht beroept. Overeenkomstig artikel 32, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet nemen de verbintenissen voortspruitende uit een arbeidsovereenkomst een einde door de wil van één der partijen (wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten). Uit die bepaling en de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet volgt dat het ontslag ook impliciet kan worden gegeven of genomen. Ontslag is de handeling waarbij een partij aan de andere partij ter kennis brengt dat zij besloten heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Ontslag veronderstelt een eenzijdige wilsuiting tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het ontslag is een eenzijdige rechtshandeling die aan geen vormvereisten is onderworpen. De partij die zich ten onrechte beroept op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht, brengt, door beëindigende overmacht in te roepen, aan haar wederpartij ter kennis dat zij de arbeidsovereenkomst als beëindigd wenst te aanzien. Die partij heeft aldus zelf ontslag gegeven of genomen en de arbeidsovereenkomst aldus beëindigd. Wie zich beroept op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, geeft inderdaad te kennen dat hij die als beëindigd beschouwt. 2.1.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en uit de vaststellingen van het arbeidshof blijkt dat de eiseres zich beriep op de beëindiging van de tussen haar en de verweerster gesloten arbeidsovereenkomst wegens overmacht (zie o.m. 15e blad, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof is van oordeel dat de eiseres op een ongeoorloofde wijze aan de oorzaak lag van de intrekking van de veiligheidsbadge, zodat zij "een oneigenlijk gebruik maakt van het begrip overmacht, minstens door een verkeerde interpretatie ervan" (16e blad, eerste t.e.m. derde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt dat "de juridisch verkeerde interpretatie van het begrip overmacht voor gevolg heeft dat (de eiseres) zich op deze vermeende overmacht bezwaarlijk kan steunen om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vast te stellen, wat trouwens zou neerkomen op een verkeerde interpretatie van voormeld artikel 32, 5°, AOW, dat hier zodoende bezwaarlijk toepassing kan vinden" (16e blad, vierde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof is aldus van oordeel dat de eiseres zich ten onrechte heeft beroepen op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht. Het arbeidshof overweegt dat "daar waar (de eiseres) het heeft over het ontslag van (de verweerster) zij hiertoe nog geen rechtshandeling in de zin van voormelde rechtspraak en rechtsleer blijkt te hebben gesteld" (17e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest). Vervolgens overweegt het arbeidshof dat "evenmin (de eiseres), gezien hetgeen voorafgaat, de door haar gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht bezwaarlijk als een gegeven ontslag kan interpreteren zoals kwestieuze vaststelling evenmin van haar impliciete wil tot ontslag zou kunnen doen blijken bij gebrek niet alleen aan een hiertoe noodzakelijk vereiste expliciete wilsuiting maar voornamelijk ook bij gebrek aan een geoorloofde oorzaak (17e blad, derde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof is aldus van oordeel dat de eiseres, die zich ten onrechte beroepen heeft op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht, nog geen rechtshandeling heeft gesteld die als een ontslag kan worden geïnterpreteerd. Volgens het arbeidshof kan de eiseres de door haar gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht niet interpreteren als een gegeven ontslag. Zoals hierboven werd uiteengezet, brengt de partij die zich ten onrechte beroept op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht (de eiseres), door beëindigende overmacht in te roepen, aan haar wederpartij (de verweerster) ter kennis dat zij de arbeidsovereenkomst als beëindigd wenst te aanzien en beëindigt zij aldus zelf de arbeidsovereenkomst door ontslag. Het arbeidshof is dan ook niet wettig van oordeel dat de eiseres de door haar gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht niet als een gegeven ontslag kan interpreteren en dat die vaststelling evenmin van haar (impliciete) wil tot ontslag kan doen blijken. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eiseres nog geen rechtshandeling heeft gesteld die als een ontslag kan worden geïnterpreteerd en dat zij de door haar gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht niet kan interpreteren als een gegeven ontslag (schending van de artikelen 1134 en 1148 van het Burgerlijk Wetboek, 26, eerste lid, 32, 3° en 5°, en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). De beslissingen van het arbeidshof dat de arbeidsovereenkomst niet werd beëindigd, dat de volgehouden verhindering van zowel de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als van de uitoefening van het vakbondsmandaat dient te worden gestaakt en dat de eiseres aldus een onmiddellijk einde dient te stellen aan de door haar gecreëerde discriminatoire toestand, kunnen dan ook op grond van die overwegingen niet naar recht worden verantwoord (schending van de artikelen 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en 19, §1, eerste lid, en, voor zoveel als nodig, 2, §

§4

, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof veroordeelt dienvolgens de eiseres niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 2.

  1. Tweede onderdeel 2.2.
  2. Het arbeidshof is van oordeel dat de door de eiseres gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht niet zou kunnen doen blijken van haar impliciete wil tot ontslag bij gebrek aan een hiertoe noodzakelijk vereiste expliciete wilsuiting (17e blad, derde alinea, tweede zinsdeel, van het bestreden arrest). Het arbeidshof is aldus van oordeel dat een impliciet ontslag een expliciete wilsuiting vereist. 2.2.
  3. Overeenkomstig artikel 32, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet nemen de verbintenissen voortspruitende uit een arbeidsovereenkomst een einde door de wil van één der partijen (wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten). Ontslag is de handeling waarbij een partij aan de andere partij ter kennis brengt dat zij besloten heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Ontslag veronderstelt een eenzijdige wilsuiting tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het ontslag is een eenzijdige rechtshandeling die aan geen vormvereisten is onderworpen. Ontslag kan aldus niet alleen uitdrukkelijk (op onregelmatige wijze) worden gegeven of genomen, maar ook impliciet. Uit de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 32, 3°, en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, volgt inderdaad dat ontslag ook impliciet kan worden gegeven of genomen. Een impliciet ontslag, dat twee vormen kan aannemen (wanprestatie met de bedoeling de arbeidsovereenkomst te beëindigen en belangrijke eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst), vereist uiteraard niet het bestaan van een expliciete wilsuiting. Het is precies kenmerkend voor de rechtsfiguur van het impliciet ontslag dat de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen niet expliciet, maar impliciet wordt geuit. Het arbeidshof is dan ook niet wettig van oordeel dat een impliciet ontslag een expliciete wilsuiting vereist. Conclusie Het arbeidshof overweegt niet wettig dat de door de eiseres gedane vaststelling van het einde van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht niet van haar impliciete wil tot ontslag zou kunnen doen blijken bij gebrek aan een hiertoe noodzakelijk vereiste expliciete wilsuiting (schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 32, 3°, en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). De beslissingen van het arbeidshof dat de arbeidsovereenkomst niet werd beëindigd, dat de volgehouden verhindering van zowel de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als van de uitoefening van het vakbondsmandaat dient te worden gestaakt en dat de eiseres aldus een onmiddellijk einde dient te stellen aan de door haar gecreëerde discriminatoire toestand, kunnen dan ook op grond van die overweging niet naar recht worden verantwoord (schending van de artikelen 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en 19, §1, eerste lid, en, voor zoveel als nodig, 2, §

§4

, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof veroordeelt dienvolgens de eiseres niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 2.

  1. Derde onderdeel Het arbeidshof overweegt dat algemeen aangenomen wordt dat voor het ontslag als eenzijdige rechtshandeling dezelfde geldigheidsvoorwaarden van toepassing zijn als voor een overeenkomst (16e blad, laatste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt dat die voorwaarden betrekking hebben op de toestemming van de partij die zich verbindt, haar rechtsbekwaamheid, een bepaald voorwerp en een geoorloofde oorzaak (17e blad, bovenaan, van het bestreden arrest). Volgens het arbeidshof veronderstelt het ontslag een volwaardige wilsuiting die niet aangetast mag zijn door wilsgebreken (17e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt dat "daar waar (de eiseres) het heeft over het ontslag van (de verweerster) zij hiertoe nog geen rechtshandeling in de zin van voormelde rechtspraak en rechtsleer blijkt te hebben gesteld" (17e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest). Vervolgens overweegt het arbeidshof dat "evenmin (de eiseres), gezien hetgeen voorafgaat, de door haar gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht bezwaarlijk als een gegeven ontslag kan interpreteren zoals kwestieuze vaststelling evenmin van haar impliciete wil tot ontslag zou kunnen doen blijken bij gebrek niet alleen aan een hiertoe noodzakelijk vereiste expliciete wilsuiting maar voornamelijk ook bij gebrek aan een geoorloofde oorzaak (17e blad, derde alinea, van het bestreden arrest). 2.
  2. Eerste subonderdeel 2.3.1.
  3. Overeenkomstig artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek is voor de geldigheid van een overeenkomst een geoorloofde oorzaak vereist. Artikel 1133 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de oorzaak ongeoorloofd is wanneer zij door de wet verboden is of wanneer zij strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde. Overeenkomstig artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek kan een verbintenis aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak geen gevolg hebben. Een rechtshandeling met een ongeoorloofde oorzaak is op grond van dit artikel in beginsel vernietigbaar. Overeenkomstig artikel 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten nemen de verbintenissen voortspruitende uit een arbeidsovereenkomst een einde door de wil van één der partijen. Op grond van artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek dient het ontslag als eenzijdige rechtshandeling een geoorloofde oorzaak te hebben. Het ontslag is een onherroepelijke en definitieve rechtshandeling waarop de partij aan wie het gericht is, zich kan beroepen en waarop de partij die tot ontslag overgaat, niet eenzijdig kan terugkomen. Elke partij bij een arbeidsovereenkomst heeft steeds de mogelijkheid de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan de andere partij op te dringen, zonder dat deze laatste het recht heeft de verdere uitvoering van de overeenkomst te vorderen. Wanneer een partij bij een arbeidsovereenkomst beslist de overeenkomst te beëindigen, kan de rechter de partijen niet verplichten de arbeidsovereenkomst voort uit te voeren. Dit wordt de macht tot ontslag genoemd. Het beginsel van de ontslagmacht (van de werkgever) vindt zijn grondslag in het verbod van dwanguitoefening op de persoon van de schuldenaar ter zake de nakoming van verbintenissen om iets te doen of niet te doen (zoals neergelegd in artikel 1142 van het Burgerlijk Wetboek), het verbod tot het opleggen van een dwangsom met betrekking tot vorderingen tot nakoming van arbeidsovereenkomsten (zoals neergelegd in artikel 1385bis, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), het recht op gezagsuitoefening door de werkgever (zoals vastgelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten), de bescherming van de individuele vrijheid (zoals (o.m.) vastgelegd in artikel 12, eerste lid, van de gecoördineerde Grondwet (dat de vrijheid van de persoon waarborgt) en artikel 7 van het decreet van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van het gildenwezen (dat de vrijheid van handel en nijverheid waarborgt), het verbod op levenslange binding (zoals neergelegd in de artikelen 1780 van het Burgerlijk Wetboek en 7, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet) en het eigendomsrecht van de werkgever over de productiemiddelen (zoals vastgelegd in artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek). Die ontslagmacht houdt in dat de partijen bij een arbeidsovereenkomst de feitelijke macht hebben de arbeidsovereenkomst met miskenning van de (arbeidsrechtelijke en gemeenrechtelijke) ontslagrechtsregels eenzijdig te beëindigen. De miskenning van een ontslagrechtsregel kan in principe slechts aanleiding geven tot een louter pecuniaire sanctie. De ontslagmacht vrijwaart de doelmatigheid van het ontslag gegeven in strijd met een ontslagrechtsregel. Enkel de niet-naleving van de civielrechtelijke ontslagrechtsregels die de volwaardigheid van de wil van de auteur van de rechtshandeling beogen te beschermen en aldus het wilsmechanisme vrijwaren, kunnen tot vernietiging van het ontslag leiden. De niet-naleving van de civielrechtelijke ontslagrechtsregel volgens welke de oorzaak van het ontslag geoorloofd moet zijn, kan niet tot vernietiging van het ontslag leiden. De vereiste van de geoorloofdheid van de oorzaak beoogt immers niet de volwaardigheid van de wilsuiting te vrijwaren. De ontslagmacht vindt toepassing bij de bestraffing van die regel: het ontslag gegeven in strijd met de regel volgens welke de oorzaak ervan geoorloofd moet zijn, blijft op grond van het beginsel van de ontslagmacht bestaan. Het ontslag met een ongeoorloofde oorzaak is aldus niet (ver)nietig(baar) en/of onbestaande. Op grond van de afwezigheid van geoorloofde oorzaak kan aldus niet wettig besloten worden dat geen wil tot ontslag voorhanden is, noch dat die wil tot ontslag nietig is. 2.3.1.
  4. Het arbeidshof is van oordeel dat de door de eiseres gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht niet zou kunnen doen blijken van haar impliciete wil tot ontslag (voornamelijk ook) bij gebrek aan een geoorloofde oorzaak (17e blad, derde alinea, tweede zinsdeel, van het bestreden arrest). Het arbeidshof is aldus van oordeel dat de afwezigheid van een geoorloofde oorzaak die aan het ontslag ten grondslag ligt, toelaat vast te stellen dat geen (impliciete) wil tot ontslag voorhanden is, dan wel dat (die wil tot) het ontslag nietig is. Zoals hierboven uiteengezet, volgt uit het beginsel van de ontslagmacht dat het ontslag met een ongeoorloofde oorzaak niet onbestaande en/of (ver)nietig(baar) is en kan aldus uit de afwezigheid van geoorloofde oorzaak niet wettig afgeleid worden dat geen wil tot ontslag voorhanden is, noch dat die wil tot ontslag nietig is. Het arbeidshof oordeelt aldus niet wettig dat de afwezigheid van een geoorloofde oorzaak die aan het ontslag ten grondslag ligt, toelaat vast te stellen dat geen (impliciete) wil tot ontslag voorhanden is, dan wel dat (die wil tot) het ontslag nietig is. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de door de eiseres gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht niet zou kunnen doen blijken van haar impliciete wil tot ontslag (voornamelijk ook) bij gebrek aan een geoorloofde oorzaak (schending van de artikelen 544, 1108, 1131, 1133, 1142 en 1780 van het Burgerlijk Wetboek, 1385bis, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, 2, 3, 7, tweede lid, en 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, 12, eerste lid, van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 en 7 van het decreet van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van het gildenwezen). De beslissingen van het arbeidshof dat de arbeidsovereenkomst niet werd beëindigd, dat de volgehouden verhindering van zowel de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als van de uitoefening van het vakbondsmandaat dient te worden gestaakt en dat de eiseres aldus een onmiddellijk einde dient te stellen aan de door haar gecreëerde discriminatoire toestand, kunnen dan ook op grond van die overweging niet naar recht worden verantwoord (schending van de artikelen 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en 19, §1, eerste lid, en, voor zoveel als nodig, 2, §

§ 4

, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof veroordeelt dienvolgens de eiseres niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 2.3.

  1. Tweede subonderdeel Het arbeidshof beslist dat de eiseres t.o.v. de verweerders een discriminatoire toestand heeft gecreëerd (door met name het laten intrekken van de badge, het verhinderen van de uitoefening van het mandaat van personeelsvertegenwoordiger en vakbonds-afgevaardigde, het verhinderen van de toegang tot de werkomgeving en het verhinderen van de uitvoering van de bedongen arbeid) (20e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest). Uit de overweging van het arbeidshof dat de door de eiseres gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht niet zou kunnen doen blijken van haar impliciete wil tot ontslag (voornamelijk ook) bij gebrek aan een geoorloofde oorzaak (17e blad, derde alinea, tweede zinsdeel, van het bestreden arrest), blijkt dat het arbeidshof ervan uitgaat dat het ontslag, in geval het wordt gegeven om discriminatoire redenen (en dus in strijd met de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, hieronder afgekort als Antidiscriminatiewet), geen geoorloofde oorzaak heeft. Het ontslag dient op grond van artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek een geoorloofde oorzaak te hebben. Artikel 1133 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de oorzaak ongeoorloofd is wanneer zij door de wet verboden is of wanneer zij strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde. 2.3.2.
  2. Eerste subsubonderdeel Het begrip oorzaak verwijst naar de doorslaggevende beweegredenen van de partijen. Uit de loutere omstandigheid dat het ontslag werd gegeven in strijd met de Antidiscriminatiewet, kan niet wettig worden afgeleid dat het ontslag geen geoorloofde oorzaak heeft. Conclusie Het arbeidshof leidt uit de omstandigheid dat het ontslag werd gegeven in strijd met de Antidiscriminatiewet, niet wettig af dat het ontslag geen geoorloofde oorzaak heeft en overweegt dan ook niet wettig dat de door de eiseres gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht niet zou kunnen doen blijken van haar impliciete wil tot ontslag (voornamelijk ook) bij gebrek aan een geoorloofde oorzaak (schending van de artikelen 1108 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek). De beslissingen van het arbeidshof dat de arbeidsovereenkomst niet werd beëindigd, dat de volgehouden verhindering van zowel de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als van de uitoefening van het vakbondsmandaat dient te worden gestaakt en dat de eiseres aldus een onmiddellijk einde dient te stellen aan de door haar gecreëerde discriminatoire toestand, kunnen dan ook op grond van die overweging niet naar recht worden verantwoord (schending van de artikelen 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en 19, §1, eerste lid, en, voor zoveel als nodig, 2, §

§4

, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof veroordeelt dienvolgens de eiseres niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 2.3.2.2. Tweede subsubonderdeel Zoals uiteengezet in het eerste middel, beslist het arbeidshof niet wettig dat de eiseres een discriminatoire toestand heeft gecreëerd (en aldus de Antidiscriminatiewet heeft geschonden). Aangezien het arbeidshof niet wettig beslist dat de eiseres een discriminatoire toestand heeft gecreëerd (en aldus de Antidiscriminatiewet heeft geschonden), gaat het er in elk geval niet wettig van uit dat het ontslag geen geoorloofde oorzaak heeft (wegens strijdigheid met de Antidiscriminatiewet). Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de door de eiseres gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht niet zou kunnen doen blijken van haar impliciete wil tot ontslag (voornamelijk ook) bij gebrek aan een geoorloofde oorzaak (schending van de artikelen 1108 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek). De beslissingen van het arbeidshof dat de arbeidsovereenkomst niet werd beëindigd, dat de volgehouden verhindering van zowel de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als van de uitoefening van het vakbondsmandaat dient te worden gestaakt en dat de eiseres aldus een onmiddellijk einde dient te stellen aan de door haar gecreëerde discriminatoire toestand, kunnen dan ook op grond van die overweging niet naar recht worden verantwoord (schending van de artikelen 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en 19, § 1, eerste lid, en, voor zoveel als nodig, 2, §

§4

, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof veroordeelt dienvolgens de eiseres niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

  1. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 8, 9, eerste lid, 587bis, 2°, zoals vervangen door artikel 28 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en vóór de vervanging ervan door artikel 10 van de wet van 10 mei 2007 tot aanpassing van het Gerechtelijk Wetboek aan de wetgeving ter bestrijding van discriminatie en tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, 607 en 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 2, §1, 19, §1, eerste lid, en, voor zoveel als nodig, 2, §4, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekende over de vorderingen van de verweerders, het hoger beroep van de eiseres ongegrond en het incidenteel beroep van de verweerders gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof hervormt de beschikking die door de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 6 februari 2006 werd gewezen. Opnieuw recht doende, zegt het arbeidshof voor recht dat de eiseres t.o.v. de verweerders een discriminatoire toestand heeft gecreëerd door met name het laten intrekken van de badge, het verhinderen van de uitoefening van het mandaat van personeels-vertegenwoordiger en vakbondsafgevaardigde, het verhinderen van de toegang tot de werkomgeving en de verhindering van de uitvoering van de bedongen arbeid. Het arbeidshof beslist dat de volgehouden verhindering van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en van de uitoefening van het vakbondsmandaat dient te worden gestaakt en beveelt de eiseres aan de discriminatoire toestand een onmiddellijk einde te stellen. Het arbeidshof steunt die beslissing op motieven vermeld onder het opschrift "Betreffende de vaststelling door (de eiseres) van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht: "op het 10e tot en met het 17e blad van het arrest en die vermeld onder het opschrift "Betreffende de stakingsvordering" op het 17e en 18e blad van het arrest, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder op de overwegingen dat - de eiseres een oneigenlijk gebruik maakt van het begrip overmacht, minstens door een verkeerde interpretatie ervan (16e blad, derde volledige alinea, van het arrest); - de juridisch verkeerde interpretatie van het begrip overmacht tot gevolg heeft dat de eiseres zich bezwaarlijk kan steunen op die vermeende overmacht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vast te stellen, wat trouwens zou neerkomen op een verkeerde interpretatie van artikel 32, 5°, van de Arbeidsovereenkomstenwet (16e blad, vierde volledige alinea, van het arrest); blijkt dat de eiseres, waar zij het heeft over ontslag van de verweerster, nog geen rechtshandeling heeft gesteld die als ontslag kan worden beschouwd (17e blad, tweede volledige alinea, van het arrest); - de eiseres evenmin de door haar gedane vaststelling van het einde van de overeenkomst wegens overmacht als een gegeven ontslag kan interpreteren, zodat die vaststelling evenmin van haar impliciete wil tot ontslag zou kunnen doen blijken bij gebreke niet alleen van een hiertoe noodzakelijk vereiste expliciete wilsuiting, maar voornamelijk ook bij gebreke van een geoorloofde oorzaak (17e blad, derde volledige alinea, van het arrest). Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van de kosten van beide instanties (20e blad, laatste alinea, van het bestreden arrest). Grieven 3.
  2. Artikel 8 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de bevoegdheid de macht is van de rechter om kennis te nemen van een vordering die voor hem is gebracht. Overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de volstrekte (materiële) bevoegdheid de rechtsmacht bepaald naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisend karakter van de vordering of de hoedanigheid van de partijen. Overeenkomstig artikel 587bis, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek (in zijn in deze zaak toepasselijke versie) doet de voorzitter van de arbeidsrechtbank uitspraak over de vordering tot staking en legt de maatregelen van openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht, krachtens artikel 19 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (hieronder afgekort als Antidiscriminatiewet). Artikel 19, §1, eerste lid, van de Antidiscriminatiewet bepaalt dat op verzoek van het slachtoffer of van een van de in artikel 31 bedoelde groeperingen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naar gelang van de aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, het bestaan vaststelt van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van deze wet worden overtreden en de staking ervan beveelt. 3.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en de vaststellingen van het arbeidshof blijkt dat de verweerders een vordering tot staking op grond van artikel 19, §1, van de Antidiscriminatiewet hebben ingesteld bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Brussel (zie o.m. 3e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest). De vordering van de verweerders strekte er meer bepaald toe het bestaan te horen vaststellen van discriminatoire praktijken, waaronder de inhouding van de badge, de verhindering van de uitoefening van de mandaten van personeelsafgevaardigde, de verhindering van de toegang tot de werkomgeving en de verhindering van de uitoefening van de bedongen arbeid en de staking ervan te horen bevelen onder verbeurte van een dwangsom (zie 3e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest). Krachtens artikel 607 van het Gerechtelijk Wetboek, neemt het arbeidshof kennis van het hoger beroep tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen door de voorzitters van de arbeidsrechtbanken. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en de vaststellingen van het arbeidshof blijkt dat bij het arbeidshof hoger beroep werd ingesteld tegen de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Brussel van 6 februari 2006 waarin uitspraak werd gedaan over de door de verweerders op grond van artikel 19, §1, van de Antidiscriminatiewet ingestelde stakingsvordering. Uit de artikelen 8, 9, eerste lid, 587bis, 2°, 607 van het Gerechtelijk Wetboek en 19, §1, van de Antidiscriminatiewet volgt dat de rechter bij wie hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank waarin hij uitspraak doet over een bij hem op grond van artikel 19, §1, van de Antidiscriminatiewet ingestelde stakingsvordering, enkel bevoegd is om het bestaan vast te stellen van een daad waardoor de bepalingen van de Antidiscriminatiewet worden overtreden en desgevallend de staking ervan te bevelen. Hij kan zich aldus enkel uitspreken over het al dan niet bestaan van een daad waardoor de bepalingen van de Antidiscriminatiewet worden overschreden en kan enkel, bij bevestigend antwoord op die vraag, de staking van die daad bevelen. 3.
  4. Het arbeidshof, bij wie hoger beroep werd ingesteld tegen de beschikking van de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 6 februari 2006 waarin uitspraak werd gedaan over de door de verweerders op grond van artikel 19, §1, van de Antidiscriminatiewet ingestelde stakingsvordering, doet uitspraak over de vragen of de eiseres zich al dan niet terecht heeft beroepen op beëindigende overmacht (15e blad, midden t.e.m. 16e blad, midden, van het bestreden arrest) en of de arbeidsovereenkomst al dan niet werd beëindigd (m.a.w. of al dan niet ontslag werd gegeven) (16e blad, midden t.e.m. 17e blad, derde alinea, van het bestreden arrest). Zoals hierboven uiteengezet, kan het arbeidshof zich evenwel enkel uitspreken over het al dan niet bestaan van een daad waardoor de bepalingen van de Antidiscriminatiewet worden overschreden en kan hij enkel, bij bevestigend antwoord op die vraag, de staking van die daad bevelen. Het arbeidshof is in het kader van deze procedure, zijnde een stakingsprocedure ingesteld op grond van artikel 19, §1, van de Antidiscriminatiewet, niet bevoegd om zich uit te spreken over de vragen of de eiseres zich al dan niet terecht heeft beroepen op beëindigende overmacht en of de arbeidsovereenkomst al dan niet werd beëindigd. Conclusie Het arbeidshof spreekt zich niet wettig uit over de vragen of de eiseres zich al dan niet terecht heeft beroepen op beëindigende overmacht en of de arbeidsovereenkomst al dan niet werd beëindigd (schending van de artikelen 8, 9, eerste lid, 587bis, 2°, zoals vervangen door artikel 28 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en vóór de vervanging ervan door artikel 10 van de wet van 10 mei 2007 tot aanpassing van het Gerechtelijk Wetboek aan de wetgeving ter bestrijding van discriminatie en tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, en 607 van het Gerechtelijk Wetboek, 19, §1, eerste lid, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof beslist dienvolgens niet wettig dat de eiseres t.o.v. de verweerders een discriminatoire toestand heeft gecreëerd (schending van artikel 2, §1, en voor zoveel als nodig, 2, §4, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racis¬mebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof beslist dienvolgens evenmin wettig dat de volgehouden verhindering van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en van de uitoefening van het vakbondsmandaat dient te worden gestaakt en dat de eiseres aan de discriminatoire toestand een einde dient te stellen (schending van artikel 19, §1, eerste lid, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, voor de opheffing ervan door artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie). Het arbeidshof veroordeelt de eiseres dan ook niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
  5. Betreffende de door de eiseres ingeroepen discriminatie oordeelt het arrest dat artikel 2, §1, van de wet van 25 februari 2003 bepaalt dat er sprake is van directe discriminatie indien een verschil in behandeling niet objectief en redelijkerwijze wordt gerechtvaardigd. Het subonderdeel geeft geen conclusie van de eiseres aan waarin is aangevoerd dat de ongelijke behandeling wel objectief en redelijk verantwoord was. Bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie dienden de appelrechters niet uitdrukkelijk te vermelden dat de ongelijke behandeling niet objectief en redelijkerwijze verantwoord was. Hieruit volgt dat, bij gebrek aan een daartoe strekkende conclusie, uit het enkele feit dat de appelrechters niet uitdrukkelijk hebben vermeld dat de ongelijke behandeling niet objectief en redelijkerwijze verantwoord was, niet blijkt dat dit niet door de appelrechters is onderzocht. Het subonderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
  6. In zoverre het subonderdeel aanvoert dat de appelrechters niet hebben vastgesteld dat de ongelijke behandeling niet objectief en redelijk gerechtvaardigd was, is het afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde grief dat de appelrechters dit niet hebben onderzocht, mitsdien niet ontvankelijk. Tweede subonderdeel
  7. Het subonderdeel geeft niet aan hoe en waardoor het arrest op grond van zijn feitelijke vaststellingen en overwegingen niet wettig heeft kunnen afleiden dat er sprake is van een directe discriminatie in de zin van artikel 2, §1, van de te dezen toepasselijke wet van 5 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. Het subonderdeel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel komt op tegen een ten overvloede gegeven reden en is mitsdien bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  9. Het ontslag is de handeling waarbij de werkgever aan de werknemer ter kennis brengt dat hij de arbeidsovereenkomst beëindigt. De vaststelling dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens overmacht is niet gelijk te stellen met een ontslag. Indien de als overmacht ingeroepen feiten geen overmacht uitmaken, heeft de werkgever in de voormelde omstandigheden niet zijn wil uitgedrukt zelf de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
  10. De eiseres kan derhalve haar onterechte vaststelling van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht niet beschouwen als een door haar zelf gegeven ontslag. Het middel, in zoverre het er van uitgaat dat de eiseres tot ontslag is overgegaan, kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Als de werkgever zich ten onrechte op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht beroept, kan de werknemer dit beschouwen als een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bij betwisting van de overmacht staat het dan aan de werknemer de eenzijdige onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever vast te stellen. Bij gebreke hiervan blijft de arbeidsovereenkomst dan in beginsel bestaan.
  12. Het middel dat er van uitgaat dat de eiseres de arbeidsovereenkomst eenzijdig beëindigd heeft door ten onrechte de beëindiging ervan wegens overmacht in te roepen, zonder dat het arrest heeft vastgesteld dat de eerste verweerster de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de eiseres heeft ingeroepen, kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  13. Het onderdeel gaat ervan uit dat ontslag werd gegeven door de eiseres. Uit het antwoord op het eerste en het tweede onderdeel van het middel blijkt dat het op discriminatoire wijze inroepen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van een niet voorhanden zijnde overmacht, te dezen geen ontslag inhoudt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  14. Artikel 19, §1, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van de discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, hierna genoemd Antidiscriminatiewet, voor de opheffing ervan bij artikel 51 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie bepaalt dat, op verzoek van het slachtoffer of van een van de bij artikel 31 van die wet bedoelde groeperingen, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naar gelang de aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, het bestaan vaststelt van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van die wet worden overtreden en de staking ervan beveelt. Krachtens artikel 587bis, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen door artikel 28 van de voormelde Antidiscriminatiewet en voor de vervanging ervan door artikel 10 van de wet van 10 mei 2007 tot aanpassing van het Gerechtelijk Wetboek aan de wetgeving ter bestrijding van discriminatie en tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, doet de voorzitter van de arbeidsrechtbank uitspraak over de vorderingen tot staking en legt hij de maatregelen van openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht. Uit die wetsbepalingen volgt dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank die moet oordelen over een vordering van een werknemer tot staking van discriminerende verhindering door de werkgever van zowel de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als van een syndicaal mandaat, bevoegd is te oordelen over het door de werkgever ingeroepen verweer dat de arbeidsovereenkomst beëindigd werd door voorhanden zijnde overmacht of ingevolge ontslag als relevant gegeven bij de beoordeling van de gevorderde maatregelen om de discriminatoire handelingen te doen ophouden.
  15. Het arrest stelt vast dat de verweerders in hoofdzaak beogen het bestaan te horen vaststellen van jegens hen discriminatoire prakrijken uitgaande van de nv B.G.S., rechtsvoorganger van de eiseres, waaronder de inhouding van de badge, de verhindering van de mandaten van personeelsafgevaardigde, de verhindering van de toegang tot de werkomgeving en de verhindering van de uitoefening van de bedongen arbeid en de staking ervan te horen bevelen onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro per dag. Aldus was het noodzakelijk voor het nut van de gevorderde stakingsmaatregelen te onderzoeken en te beslissen of er overmacht was en of de arbeidsovereenkomst al dan niet was beëindigd, zodat het arbeidshof bevoegd was daarover te oordelen in het kader van de stakingsvordering. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 172,30 euro jegens de eisende partij en op de som van 275,07 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 19 mei 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080519.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2019:ARR.20190717.5 ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20100108.13 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140310.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241223.3F.1 ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081008.13 ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20081112.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.