← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080522.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080522.2 Rolnummer: C.07.0172.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Unierecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 431 - laatst gezien 2026-07-03 09:12 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer voor het Hof de vragen rijzen naar wat dient te worden verstaan onder het begrip "boeking" van de douaneschuld en naar de juridische gevolgen van het niet-boeken van het bedrag aan rechten voor de mededeling ervan aan de schuldenaar, welke vragen slechts kunnen worden opgelost door een uitlegging van de artikelen 217 en 221 van het Communautair Douanewetboek, is het Hof verplicht daaromtrent prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Douaneschuld - Invordering - Mededeling aan de schuldenaar - Verplichting tot voorafgaande "boeking" - Begrip - Gevolgen van niet-boeking - Artikelen 217 en 221 Communautair Douanewetboek - Uitlegging - Prejudiciële vraag - Verplichting voor het Hof Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1989 - Art. 2.c Huishoudelijk Reglement - Artt. 217 en 221 Fiche 2 Wanneer voor het Hof de vragen rijzen naar wat dient te worden verstaan onder het begrip "boeking" van de douaneschuld en naar de juridische gevolgen van het niet-boeken van het bedrag aan rechten voor de mededeling ervan aan de schuldenaar, welke vragen slechts kunnen worden opgelost door een uitlegging van de artikelen 217 en 221 van het Communautair Douanewetboek, is het Hof verplicht daaromtrent prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Artikelen 217 en 221 Communautair Douanewetboek - Uitlegging - Hof van Cassatie - Verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1989 - Art. 2.c Huishoudelijk Reglement - Artt. 217 en 221 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0172.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de Gewestelijke directeur der douane en Accijnzen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen DIRECT PARCEL DISTRIBUTION BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 2800 Mechelen, Egide Walschaertstraat 20, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 november 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN De gegevens van de zaak zijn de volgende:

  1. Op 18 november 1999 diende de nv Boeckmans België een summiere aangifte in bij de administratie der douane en accijnzen te Antwerpen betreffende een container bakkerijproducten met de verweerster als bestemmeling.
  2. De container werd aan de verweerster geleverd zonder dat de aangifte bij de administratie was aangezuiverd waardoor de container aan het douanetoezicht werd onttrokken.
  3. Bij brief van 26 mei 2000 liet de administratie aan de nv Boeckmans België weten dat de termijn voor aanzuivering reeds ruim was verstreken zodat een douaneschuld was ontstaan.
  4. Op 3 oktober 2000 stelde de administratie een minnelijke schikking voor aan de nv Boeckmans België, waartegen deze laatste bezwaar aantekende. Het bezwaar werd op 10 januari 2001 afgewezen.
  5. De nv Boeckmans België betwistte tot betaling van de douaneschuld te zijn gehouden en liet de eiser op 2 februari 2001 dagvaarden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. Bij dagvaarding van 8 februari 2001 werd de verweerster door de nv Boeckmans België in vrijwaring geroepen voor alle vorderingen die de eiser lastens de nv Boeckmans België had gesteld.
  6. De eiser stelde vervolgens een tussenvordering in strekkende tot de hoofdelijke veroordeling van de verweerster en de nv Boeckmans België tot betaling van de verschuldigde rechten.
  7. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen verklaarde op 7 april 2004 de vordering van de nv Boeckmans België ten aanzien van de eiser ongegrond en veroordeelde deze nv en de verweerster tot betaling van de verschuldigde rechten.
  8. Bij arrest van 7 november 2006 hervormde het Hof van Beroep te Antwerpen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg en verklaarde het recht van de eiser om tot navordering van de douaneschuld over te gaan, vervallen. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 217, 218, 219, 220 en 221 van de Verordening (EG) nr. 2913/92/EG van 12 oktober 1992 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (verder afgekort: CDW); - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het recht van de eiser om tot navordering over te gaan vervallen op grond dat niet was bewezen dat de eiser de douaneschuld had geboekt. Het bestreden arrest oordeelde dat het niet inboeken van een douaneschuld de invordering van de douaneschuld in de weg staat en verwees in dat verband naar rechtspraak van het Hof van Justitie en naar de conclusie van advocaat-generaal Jacobs bij het arrest van 23 februari 2006 van het Hof van Justitie inzake Molenbergnatie: "In het arrest Molenbergnatie van 23 februari 2006, nr.C-201/04 heeft het Hof van Justitie uitdrukkelijk gesteld: Artikel 221, lid 1, van het douanewetboek eist dat het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer wordt geboekt alvorens het aan de schuldenaar wordt medegedeeld. In zijn conclusies van 30 juni 2005 in voormelde zaak stelt advocaat-generaal F.G. Jacobs het volgende:
  9. Volgens artikel 221, lid 1, van het douanewetboek moet het bedrag aan rechten ‘onmiddellijk na de boeking' aan de schuldenaar worden medegedeeld. Deze formulering, die wordt bevestigd door andere taalversies, kan onmogelijk verwijzen naar een andere volgorde dan boeking gevolgd door mededeling.
  10. Naar mijn mening wordt deze uitlegging niet op losse schroeven gezet door de arresten De Haan, aangehaald in Antero, of Covita, aangehaald in De Haan, in die zin dat de niet-inachtneming van de in de artikelen 3 en 5 van verordening nr. 1854/89 gestelde termijnen navordering niet onmogelijk maakt, aangezien deze termijnen alleen relevant zijn in de betrekkingen tussen de lidstaten en de Gemeenschap met het oog op het waarborgen van een snelle en uniforme toepassing van deze regels door de douaneautoriteiten.
  11. In de eerste plaats betreffen de termijnen waaraan in die zaken wordt gerefereerd, boekingen binnen een welbepaalde periode nadat de autoriteiten het bestaan van de schuld hebben vastgesteld, en niet de kennisgeving aan de schuldenaar binnen een welbepaalde periode na de boeking. In de tweede plaats is artikel 221 van het douanewetboek een nieuwe bepaling met een nieuw opzet: het legt een rechtstreeks verband tussen de aan de verordening nr. 1854/89 ontleende definitie van boeking en de aan verordening nr. 1697/79 ontleende termijn voor kennisgeving aan de schuldenaar. Dit artikel kan niet aldus worden gelezen dat het alleen de betrekkingen tussen de lidstaten en de Gemeenschap regelt.
  12. Derhalve ben ik van mening dat op de tweede vraag van de verwijzende rechter moet worden geantwoord dat artikel 221 van het communautair douanewetboek eist dat het bedrag aan rechten wordt geboekt alvorens het aan de schuldenaar wordt meegedeeld. Het (Hof van Justitie) overweegt als volgt:
  13. Uit de formulering van artikel 221, lid 1, van het douanewetboek, dat volstrekt ondubbelzinnig is, zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusies heeft opgemerkt, volgt dat de boeking, die erin bestaat dat het bedrag aan rechten door de douaneautoriteiten wordt geregistreerd in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, noodzakelijkerwijs moet voorafgaan aan de mededeling van het bedrag van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer aan de schuldenaar.
  14. Een dergelijk chronologisch verloop van de boeking en de mededeling van het bedrag van de rechten, dat ook blijkt uit het opschrift zelf van afdeling I van hoofdstuk 3 van titel VII van het douanewetboek - Boeking en mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar - dient in acht te worden genomen om te voorkomen dat de belastingplichtigen verschillend worden behandeld en dat de harmonieuze werking van de douane-unie wordt geschaad. Diezelfde benadering was ook terug te vinden in verordening nr. 1854/89 in de vierde overweging van de considerans waarvan sprake was van de ‘termijnen (...) waarbinnen de geboekte bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer dienen te worden voldaan'.
  15. Deze oplossing is niet in tegenspraak met de door de Commissie aangehaalde rechtspraak van het (Hof van Justitie) volgens welke de overschrijding van de termijnen waarbinnen de douaneautoriteiten het bedrag aan rechten in de boekhouding dienen te registreren, niet in de weg staat aan de navordering ervan, waarbij de niet-inachtneming van de voor de boeking vastgestelde termijnen alleen ertoe kan leiden dat de betrokken lidstaat in het kader van de terbeschikkingstelling van de eigen middelen vertragingsrente moet betalen (zie in die zin met name arrest van 26 november 1998, Covita, C-370/96, Jurispr. Blz. 1-7711, punten 36 en 37, en arrest De Haan, reeds aangehaald, punt 34). In deze arresten wordt immers alleen uitspraak gedaan over de gevolgen die aan vertraging bij de boeking zijn verbonden, en zij betreffen uitsluitend de betrekkingen tussen de lidstaten en de Gemeenschap.
  16. Bijgevolg dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 221, lid 1, van het douanewetboek eist dat het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer wordt geboekt alvorens het aan de schuldenaar wordt medegedeeld. Het (Hof van Justitie) verklaart voor recht: 2) Artikel 221, lid 1, van verordening nr. 2913/92 eist dat het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer wordt geboekt alvorens het aan de schuldenaar wordt medegedeeld. 2.1.
  17. (De eiser) blijft derhalve ten onrechte voorhouden dat de datum van boeking irrelevant is. (p.15, 2.1.
  18. t.e.m. p.17, 2.1.3., eerste alinea). Het bestreden arrest stelde vervolgens vast dat eiser geen stuk heeft voorgelegd waaruit blijkt dat de boeking van de douaneschuld in casu was gebeurd: In fine van zijn conclusies stelt (de eiser) dat te dezen de schuld geboekt werd op 3 oktober
  19. Het stuk dat (de eiser) daaromtrent voorlegt is een aangetekend schrijven uitgaande van de administratie der douane en accijnzen, gewestelijke directie Antwerpen, gericht aan Boeckmans, houdende een ‘voorstel tot minnelijke schikking voor het niet - zuiveren van de vrachtlijst 126 E nr. 873025L8710716 van 18.11.1999 van Antwerpen DE (artikel 5)'. Dit stuk is geen bewijs van boeking van de douaneschuld en door (de eiser) wordt geen ander stuk voorgelegd waaruit blijkt dat de boeking is gebeurd. (De verweerster) heeft reeds in het schrijven van haar raadsman van 25 april 2002 houdende bezwaar/beroep tegen de mededeling van schuldvordering onder vorm van tegeneis/tussenvordering door de administratie in conclusies in de zaak AR 01/1015/A ingeroepen dat de administratie niet bewijst dat er boeking voorafging aan de tegeneis/tussenvordering. (De eiser) heeft het nooit nodig geacht een bewijs van boeking voor te leggen, zodat er geen reden is om hem alsnog de mogelijkheid te geven dit bewijs bij te brengen (voor zover er al een boeking is gebeurd). Het (Hof van Justitie) dient derhalve te besluiten dat het recht van (de eiser) om tot navordering over te gaan vervallen is. Bijgevolg dienen de ander middelen en argumenten niet verder onderzocht te worden". Grieven Luidens artikel 217 CDW dient elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient dit bedrag aan rechten door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking). De artikelen 218 en 219 CDW bepalen de termijnen waarbinnen de rechten door de administratie moeten worden geboekt. Artikel 220 CDW bepaalt dat, indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet geboekt is overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten dient te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd. Luidens artikel 221, eerste lid, CDW, dient het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld. Volgens het derde lid van deze bepaling moet de mededeling aan de schuldenaar plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep. Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, mag de mededeling van de wettelijk verschuldigde bedragen, overeenkomstig de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voorwaarden, nog na het verstrijken van de in lid 3 bedoelde termijn aan de schuldenaar worden gedaan, aldus het vierde lid van artikel
  20. Eerste onderdeel De verplichting die voor de eiser voortvloeit uit artikel 217 CDW om een douaneschuld in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te registreren of te boeken, binnen de termijnen bepaald in de artikelen 218 en 219 CDW, behelst een verplichting die uitsluitend kadert in de relatie tussen de Europese Unie en de lidstaten en die losstaat van de relatie lidstaat-belastingplichtige. Blijkens de structuur van hoofdstuk III van Titel VII van het CDW, dat gewijd is aan de invordering van het bedrag van de douaneschuld, en waarvan de artikelen 217 t.e.m. 221 deel uitmaken, zijn de in dit hoofdstuk opgenomen regels inderdaad hoofdzakelijk gericht tot de lidstaten zelf en hun douaneautoriteiten en niet tot de belastingplichtigen. De verplichting om tot boeking over te gaan betreft derhalve een louter technisch voorschrift dat ertoe strekt de lidstaten aan te zetten om het correcte bedrag aan rechten tijdig ter beschikking te stellen van de Europese Gemeenschap. In dat opzicht kan de overschrijding door de douaneautoriteiten van de boekingstermijnen ertoe leiden dat de betrokken lidstaat vertragingsrente aan de Gemeenschap is verschuldigd in zoverre die lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen inzake de navordering en de terbeschikkingstelling van de eigen middelen. Het niet of niet-tijdig boeken van een douaneschuld raakt bijgevolg niet aan de opeisbaarheid zelf van de douaneschuld en staat er niet aan in de weg dat de douaneautoriteit tot navordering kan overgaan bij de belastingplichtige. De boeking van een douaneschuld, die de mededeling van de douaneschuld, in beginsel, moet voorafgaan (artikel 221, eerste lid, CDW), maakt inderdaad geen substantiële, voorafgaande geldigheidsvoorwaarde uit voor de mededeling en invordering van die schuld en is krachtens artikel 217 CDW, noch enige andere bepaling, niet voorgeschreven op straffe van nietigheid of verval van de invordering. Het bestreden arrest oordeelde dat zowel de boeking als het tijdstip van de boeking van invloed zijn op het recht van de eiser om tot navordering over te gaan en verklaarde de eiser vervallen van dit recht op grond dat niet was bewezen dat de douaneschuld in kwestie, ontstaan op het ogenblik dat de goederen, bestemd voor verweerster, aan het douanetoezicht waren onttrokken, door de eiser was ingeboekt. Hieruit volgt dat het bestreden arrest de eiser niet wettig op deze grond vervallen heeft verklaard van het recht om tot navordering over te gaan jegens de verweerster (schending van de artikelen 217, 218, 219, 220 en 221 CDW). Tweede onderdeel Anders dan het bestreden arrest beslist, werd door de eiser wel een stuk voorgelegd waaruit blijkt dat de eiser daadwerkelijk tot boeking van de douaneschuld en de landbouwheffingen was overgegaan. In zijn tweede hernemende beroepsbesluiten van 4 juli 2006 had de eiser, onder uitdrukkelijke verwijzing naar een regelmatig ter griffie neergelegd stuk 9, aangevoerd dat deze schulden effectief op 3 oktober 2000 waren geboekt: "Niettegenstaande dat de administratie der douane en accijnzen ervan overtuigd is dat de boekingsverplichtingen in casu volstrekt irrelevant zijn, wenst zij het hof toch te informeren dat de schuld geboekt werd op 3 oktober 2000, zodat de mededeling van de douaneschuld aan (verweerster) bij conclusie van 15 februari 2002, hoe dan ook voldoet aan alle vereisten van het CDW (zie stuk 9)" (p. 20, tweede alinea). Het stuk 9 werd in de inventaris van het stukkenbundel aangeduid als volgt "Administratief beroep CHRONOPOST/ Boekingstuk". Dit stuk omvatte, enerzijds, een schrijven van 24 december 2002, waarin de verweerster administratief beroep instelde tegen de beslissing van de Gewestelijke Directeur van 24 september 2002, anderzijds, een schermafdruk van de boekhouding en de fiche 1552B, dat het boekingstuk is waarop de Europese Commissie zijn boekhoudkundige controles uitoefent (aangeduid als stuk 9b). Uit deze schermafdruk en fiche blijkt dat, naar aanleiding van een "niet zuivering vrachtlijst", in het dossier met nummer 2000/855/2822 (Boeckmans), de eigen middelen werden geboekt op 3 oktober 2000 onder het volgnummer 1718 voor een bedrag van 40.773,35 euro aan landbouwheffingen en 3.069,05 euro aan douanerechten. Het bestreden arrest oordeelde derhalve ten onrechte dat de eiser geen boekingstuk heeft neergelegd en dat stuk 9 betrekking heeft op "een aangetekend schrijven uitgaande van de administratie der douane en accijnzen, gewestelijke directie Antwerpen, gericht aan Boeckmans, houdende een ‘voorstel tot minnelijke schikking voor het niet-zuiveren van de vrachtlijst 126E nr. 873025L8710716 van 18.11.1999 van Antwerpen de (artikel 5)'". Het bedoelde voorstel tot minnelijk schikking bevond zich integendeel onder stuk 4 van het stukkenbundel (zie inventaris: "Stuk 4: voorstel tot minnelijke schikking van 3 oktober 2000"). De bewijskracht van een akte wordt miskend wanneer de rechter iets vermeldt dat in de akte niet voorkomt of iets niet vermeldt dat er wel in voorkomt. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder schending van de bewijskracht van het neergelegde stuk 9

(9b)en van de inventaris gevoegd bij het stukkenbundel, heeft kunnen oordelen, enerzijds, dat dit stuk 9
(9b)geen bewijs van boeking van de douaneschuld uitmaakt, en, anderzijds, dat door eiser geen stuk werd voorgelegd waaruit blijkt dat de boeking is gebeurd (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Waar het bedoelde stuk 9
(9b)wel degelijk het bewijs van de boeking van de douaneschuld aantoonde, heeft het bestreden arrest bijgevolg niet wettig kunnen oordelen dat het recht van de eiser om tot navordering over te gaan, is vervallen bij gebrek aan boeking (schending van de artikelen 217, 218, 219, 220 en 221 CDW). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
  1. Het onderdeel voert aan dat de eiser in zijn dossier voor de appelrechters een stuk 9b heeft neergelegd waarin de boeking voorkwam van de betwiste verrichting.
  2. Uit het arrest blijkt niet dat dit stuk 9b werd neergelegd. Uit de conclusie van de eiser van 27 februari 2006 blijkt evenmin dat de eiser dat stuk zou hebben neergelegd. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  3. Volgens het bestreden arrest is de vordering van de eiser vervallen aangezien hij geen bewijs van voorafgaande boeking heeft voorgelegd, zoals bepaald door artikel 221.1 van Verordening 2913/92 van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek (hierna: Communautair Douanewetboek). Het arrest oordeelt dat de Belgische Staat ten onrechte voorhoudt dat de datum van boeking irrelevant is. De appelrechters oordelen: "In fine van zijn conclusies stelt de Belgische Staat dat te dezen de schuld geboekt werd op 3 oktober
  4. Het stuk dat de Belgische Staat daaromtrent voorlegt is een aangetekend schrijven uitgaande van de administratie der douane en accijnzen, gewestelijke directie Antwerpen, gericht aan Boeckmans, houdende een ‘voorstel tot minnelijke schikking voor het niet-zuiveren van de vrachtlijst 126E nr. 873025L8710716 van 18.11.1999 van Antwerpen DE (artikel 5)'. Dit stuk is geen bewijs van boeking van de douaneschuld en door de Belgische Staat wordt geen ander stuk voorgelegd waaruit blijkt dat de boeking is gebeurd. Chronopost heeft reeds in het schrijven van haar raadsman van 25 april 2002 ingeroepen dat de administratie niet bewijst dat er boeking voorafging aan de tegeneis/tussenvordering. De Belgische Staat heeft het nooit nodig geacht een bewijs van boeking voor te leggen, zodat er geen reden is om hem alsnog de mogelijkheid te geven dit bewijs bij te brengen (voor zover er al een boeking is gebeurd). Het hof dient derhalve te besluiten dat het recht van de Belgische Staat om tot navordering over te gaan vervallen is".
  5. In zijn cassatieberoep gaat de eiser ervan uit dat gelet op de structuur van hoofdstuk III van Titel VII van het Communautair Douanewetboek, dat gewijd is aan de invordering van het bedrag van de douaneschuld, en waarvan de artikelen 217 tot en met 221 deel uitmaken, de in dit hoofdstuk opgenomen regels hoofdzakelijk gericht zijn tot de lidstaten zelf en hun douaneautoriteiten en niet tot de belastingplichtigen. Daarom is volgens de eiser de verplichting om tot boeking over te gaan een louter technisch voorschrift dat ertoe strekt de lidstaten aan te zetten om het correcte bedrag aan rechten tijdig ter beschikking te stellen van de Europese Gemeenschap. Het niet boeken of het niet-tijdig boeken van een douaneschuld zou bijgevolg niet raken aan de opeisbaarheid zelf van de douaneschuld en er niet aan in de weg staan dat de douaneautoriteit tot navordering kan overgaan bij de belastingplichtige. De eiser houdt voor dat de boeking van een douaneschuld, die de mededeling van de douaneschuld, in beginsel, moet voorafgaan, geen substantiële, voorafgaande geldigheidsvoorwaarde uitmaakt voor de mededeling en invordering van die schuld. Noch krachtens artikel 217 van het Communautair Douanewetboek, noch enige andere bepaling, zou deze boeking voorgeschreven zijn op straffe van nietigheid of verval van de invordering.
  6. Artikel 217.1, eerste lid, van het Communautair Douanewetboek, bepaalt dat elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna "bedrag aan rechten" genoemd, door de douaneautoriteiten dient te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet te worden geregistreerd. Deze definitie van het begrip boeking is ontleend aan artikel 2.c), van Verordening 1854/89 van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoert, dit is "de inschrijving in de boeken of met gebruikmaking van enige andere drager door de douaneautoriteit van het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer dat overeenkomt met een douaneschuld". Artikel 6.1 van Verordening 1854/89 bepaalt dat onmiddellijk na de boeking het bedrag van de rechten op de voorgeschreven wijze aan de tot betaling gehouden persoon dient te worden medegedeeld. De artikelen 218 tot en met 221 van het Communautair Douanewetboek bepalen binnen welke termijnen het bedrag aan rechten moet worden geboekt. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C-201/04, r.o. 48, staat de overschrijding van de termijnen waarbinnen de douaneautoriteiten het bedrag aan rechten in de boekhouding dienen te registreren, niet in de weg aan de navordering ervan. De niet-inachtneming van de voor de boeking vastgestelde termijnen kan er alleen toe leiden dat de betrokken lidstaat in het kader van de terbeschikkingstelling van de eigen middelen vertragingsrente moet betalen. Het Hof van Justitie verwijst daarbij naar de arresten van het Hof van 26 november 1998, Covita, C-370/96, en van 7 september 1999, De Haan, C-61/98, waarin uitspraak wordt gedaan over de gevolgen die aan vertraging bij de boeking zijn verbonden en die uitsluitend de betrekkingen tussen de lidstaten en de Gemeenschap betreffen.
  7. Wat betreft de mededeling van het bedrag aan rechten aan de douaneschuldenaar, bepaalt artikel 221.1 van het Communautair Douanewetboek, dat het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar dient te worden medegedeeld. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap van 23 februari 2006, in de zaak C-201/04, Molenbergnatie, r.o. 49, eist vermeld artikel 221.1 dat het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer wordt geboekt alvorens het aan de schuldenaar wordt medegedeeld. Het Hof van Justitie betrekt evenwel geen gevolg aan de niet-nakoming van deze vereiste.
  8. De vraag rijst te dezen wat dient te worden verstaan onder het begrip ‘boeking'. De vraag rijst eveneens naar de juridische gevolgen van het niet-boeken van het bedrag aan rechten vóór de mededeling ervan aan de schuldenaar. Die vragen kunnen slechts worden opgelost door een uitlegging van de artikelen 217 en 221 van het Communautair Douanewetboek. Het middel werpt dus een probleem op dat tot de uitsluitende bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap behoort. Ingevolge artikel 234, lid 3, van het EG-Verdrag, is het Hof in de regel verplicht een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap bij prejudiciële beslissing over de volgende vragen uitspraak zal hebben gedaan:
  9. Is de boeking waarvan sprake in artikel 221 van het Communautair Douanewetboek, de boeking als bedoeld in artikel 217, die erin bestaat dat het bedrag aan rechten door de douaneautoriteiten wordt geregistreerd in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet?
  10. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe dient het in artikel 217 van het Communautair Douanewetboek bepaalde voorschrift dat het bedrag van de rechten ‘in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd' te worden ingevuld? Zijn daar bepaalde technische of vormelijke minimumvereisten aan verbonden of laat artikel 217 de vaststelling van de nadere regels voor de praktijk van de boeking van de bedragen aan rechten volledig over aan de lidstaten, zonder daar enige minimumvereiste aan te verbinden? Is die boeking te onderscheiden van de opneming van het bedrag van de rechten in de boekhouding van de eigen middelen als bedoeld in het artikel 6 van Verordening 1150/2000 van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschap?
  11. Dient het artikel 221.1 van het Communautair Douanewetboek in die zin te worden begrepen dat een kennisgeving op de daartoe geëigende wijze van het bedrag aan rechten door de douaneautoriteiten aan de schuldenaar enkel dan als de in artikel 221.1 bedoelde mededeling van het bedrag aan rechten aan de schuldenaar kan worden aangemerkt, indien het bedrag aan rechten door de douaneautoriteiten werd geboekt alvorens het aan de schuldenaar werd ter kennis gebracht? Wat dient verder te worden begrepen onder de in artikel 221.1 vermelde termen ‘op een daartoe geëigende wijze'?
  12. Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, kan er een vermoeden bestaan ten voordele van de Staat dat de boeking van het bedrag aan rechten voor de mededeling ervan aan de schuldenaar heeft plaatsgevonden? Kan de nationale rechter verder uitgaan van een vermoeden van waarheid gehecht aan de verklaring van de douaneautoriteiten dat het bedrag aan rechten is geboekt voor de mededeling ervan aan de schuldenaar of dienen die autoriteiten voor de nationale rechter systematisch het schriftelijk bewijs te leveren van de boeking van het bedrag aan rechten?
  13. Moet de in artikel 221.1 van het Communautair Douanewetboek vereiste boeking van het bedrag aan rechten voor de mededeling ervan aan de schuldenaar, gebeuren op straffe van nietigheid of verval van de in- of navordering van de douaneschuld? Met andere woorden, dient het artikel 221.1 in die zin te worden begrepen dat, indien het bedrag aan rechten op de daartoe geëigende wijze door de douaneautoriteiten aan de schuldenaar ter kennis wordt gebracht, maar zonder dat het bedrag van de rechten voorafgaandelijk aan die kennisgeving door de douaneautoriteiten werd geboekt, het bedrag aan rechten niet kan worden ingevorderd, waardoor de douaneautoriteiten, om het bedrag alsnog te kunnen invorderen, het bedrag aan rechten opnieuw op de daartoe geëigende wijze ter kennis moeten brengen aan de schuldenaar nadat het bedrag van de rechten werd geboekt en voor zover zulks gebeurt binnen de in artikel 221 van het Communautair Douanewetboek geldende verjaringstermijn?
  14. Indien de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord, wat is het gevolg van de betaling door de schuldenaar van het bedrag aan rechten dat aan hem werd medegedeeld zonder dat het vooraf werd geboekt? Dient dit te worden aangezien als een onverschuldigde betaling die hij kan terugvorderen van de Staat? Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 22 mei 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080522.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.