id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080522.3 Rolnummer: F.06.0077.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 732 - laatst gezien 2026-07-03 15:50 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080522.3 Fiche 1 Dat de motivering van het dwangbevel inzake successierechten 'afdoende' moet zijn, betekent dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen en dat de motivering evenredig moet zijn met de belangrijkheid van de genomen beslissing en de aard van de bevoegdheid van de overheid, en de bestemmeling moet toelaten de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt; zulks zal afhangen van alle omstandigheden van de zaak, inzonderheid van de voorafgaande effectieve kennis die de bestemmeling heeft van de gegevens van het dossier
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Algemeen (successierechten) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Dwangbevel - Afdoende motivering Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - Art. 142/2, eerste lid Wet - 29-07-1991 - Artt. 1, 2 en 3 Fiche 2 Het staat aan de feitenrechter om in feite te oordelen of de motivering van een dwangbevel inzake successierechten afdoende is; hij mag daarbij evenwel het wettig begrip van de motiveringsplicht van de overheid niet schenden
(1).
(1)Zie concl. O.M.. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Algemeen (successierechten) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Dwangbevel - Afdoende motivering - Toetsing door de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - Art. 142/2, eerste lid Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - 30-11-1939 - Art. 220 Wet - 29-07-1991 - Artt. 1, 2 en 3 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 22 mei 2008, AR F.06.0077.N, A.C., 2008, nr. ... . Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Algemeen (successierechten) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Dwangbevel - Afdoende motivering Dwangbevel - Afdoende motivering - Toetsing door de rechter Annotaties Publicaties: RGCF - Eric VAN BRUSTEM; Que reste-il de l'obligation de motivation formelle de la contrainte en matière d'impôts après les arrêts de la Cour de cassation des 20 mars et 22 mai 2008? - 2009, 5-22 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0077.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger van het derde kantoor der registratie te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Gulden Vlieslaan 36, eiser, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1.
- a)D. S.P., 1.
- b)D. S. B., 1.
- c)D. S. C., 1.
- d)D. S. J., 1.
- e)D. S. M., 1.
- f)D. S. A., allen in hun hoedanigheid van wettige erfgenamen van wijlen S. Godelie¬ve, 2. S. M., 3. S. M., 4. S. Y., 5. S. A., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 69, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 20 september 2005 en 20 december 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; - artikel 142/1 van het koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936 houdende het wetboek der successierechten en artikel 220 van het koninklijk besluit nr. 64 van 30 november 1939 houdende het Wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten, dat ingevolge de bepaling van voormeld artikel 142/1 terzake toepasselijk is; - de artikelen 15, 47, 100, 108, 126 in de versie zoals van kracht voor de wijziging bij de wet van 22 juli 1993, 137, 3°, en 140/1 van koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936 houdende het Wetboek der Successierechten. Aangevochten beslissingen Het eindarrest van 20 december 2005 "verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt het bestreden vonnis, doch met deze enkele wijziging dat de oorspronkelijke tegenvordering van (de eiser) niet ‘ontvankelijk doch ongegrond' wordt verklaard, maar ‘onontvankelijk wegens verjaring' wordt verklaard. Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige. Veroordeelt (de eiser) tot de kosten". Het aldus bevestigde vonnis was gemotiveerd als volgt: "32.3. Het dwangbevel inzake successierechten vormt de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van de successierechten lastens een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld en waardoor de Belgische Staat in de regel tot dadelijke uitwinning kan overgaan. Het dwangbevel inzake successierechten is een beslissing van een administratieve overheid, die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen schept, en eenzijdig verbindend en uitvoerbaar is. Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991. De wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren. Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende: ‘De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; Zij moet afdoende zijn': Het bestreden dwangbevel motiveert als volgt: ‘Aangezien uit een administratief onderzoek is gebleken dat de echtgenoten V.-S. titularissen waren van een KB Lux rekening, met een saldo op datum van 2 oktober 1989 van 889.233.133,50 BEF. Aangezien deze rekening op grond van artikel 108 van het Wetboek der Successierechten, geacht wordt in de nalatenschap aanwezig te zijn, tot bewijs van het tegendeel. Aangezien dit tegenbewijs niet werd geleverd'. Samen met de eisers stelt de rechtbank vast dat in het bestreden dwangbevel elke feitelijke motivering achterwege blijft. Er wordt geen concreet feitenrelaas weergegeven omtrent de manier waarop ‘uit een administratief onderzoek is gebleken dat de echtgenoten V.-S. titularissen waren van een KB Lux rekening, met een saldo op datum van 2 oktober 1989 van 889.233.133,50 BEF. Verder wordt er in het dwangbevel van 24 april 2001 nergens verwezen naar processen-verbaal of andere stukken uit het gerechtsdossier waaruit het bestaan van de beweerde KB Lux rekening zou blijken. De motivering is in casu niet voldoende om de vordering gestand te houden. Zij was niet dragend. Een dergelijke niet-voldoende motivering van het dwangbevel levert zonder meer de illegaliteit op van de bestuurshandeling wegens schending van een substantieel vormvoorschrift. Tenslotte is het evident dat de nietigheidsregeling voorzien in de artikelen 860 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek hier niet van toepassing is aangezien het dwangbevel niet als een proceshandeling kan worden beschouwd. 3.3. Nopens de tegenvordering Gelet op de gegrondheid van de hoofdvordering, dient de tegenvordering als ongegrond te worden afgewezen". In het tussenarrest van 20 september 2005 wordt de beoordeling van de eerste rechter door het hof van beroep bevestigd met aanhaling van de volgende motivering: "2. a. Artikel 1422, eerste lid, Wetboek van Successierecht bepaalt dat de vervolgingen en gedingen door de Staat of de belastingplichtige in te spannen tot verkrijging van de betaling of van de teruggaaf van rechten, intresten en boeten, geschieden op de wijze en volgens de vormen vastgesteld inzake registratie, voor zoveel er door het Wetboek van Successierecht niet van afgeweken wordt. Artikel 220 Wb. Reg. bepaalt dat de eerste akte van vervolging ter invordering van fiscale rechten of boeten en bijkomende sommen een dwangschrift is. Artikel 220, tweede lid, Wb. Reg. bepaalt dat het wordt uitgevaardigd door de met de invordering belaste ontvanger en door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard en bij exploot van gerechtsdeurwaarder betekend. Dit dwangbevel is niet alleen een akte bestemd om een uitvoerbare titel te leveren, maar ook de akte waarin de bevoegde ambtenaar de omvang van de belastingschuld en haar oorzaak bepaalt, en de belastingschuldige aanwijst. In dit laatste opzicht is het dwangbevel een bestuurshandeling zoals omschreven in artikel 1, eerste gedachtestreepje, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen nl. een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Zodoende dient dit dwangbevel krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 uitdrukkelijk te worden gemotiveerd. b. Artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat die motivering afdoende moet zijn. Met dit laatste wordt bedoeld dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen, en het veronderstelt eveneens dat er evenredigheid bestaat tussen het gewicht en de motivering van de beslissing. Het bestreden dwangbevel stelt te dezen een schuld vast van niet minder dan 400.154.913 BEF (9.919.581,18 euro), hetzij 133.384.971 BEF (3.306.527,06 euro) successierechten meer 266.769.942 BEF (6.613.054,12 euro) boete. Gezien de zeer belangrijke omvang van dergelijke schuld dient de motivering in verhouding hiertoe te staan en mogen de belastingschuldigen er zich aan verwachten dat de motivering uitvoerig zal zijn. Het belang dat zij hebben te verdedigen is groot en zij hebben in die omstandigheden het recht gedetailleerd te worden geïnformeerd over de gegevens die de administratie ertoe gebracht hebben te beslissen het vermeld hoger bedrag met haar dwangbevel in te vorderen, zodat de belastingschuldigen ook de mogelijkheid krijgen zich op gedetailleerde wijze te verdedigingen tegen deze motieven. Zij dienen hierbij in staat te worden gesteld met kennis van zaken te beoordelen of zij het dwangbevel moeten aanvechten met alle middelen die de wet hun ter beschikking stelt. De enige als enigszins feitelijk aan te merken overwegingen (zie artikel 3 van de wet van 29 juli 1991) die in het dwangbevel aangehaald worden zin aldus: "Aangezien uit een administratief onderzoek is gebleken dat de echtgenoten V.-S. titularissen waren van een KB Lux rekening, met een saldo op datum van 2 oktober 1989 van 889.233.133,50 BEF'. In de gegeven omstandigheden vereiste een afdoende motivering dat door de administratie in het dwangbevel zou aangehaald worden welke de feitelijke gegevens waren van het administratief onderzoek die tot het vermeld besluit van dit administratief onderzoek geleid hebben. De enkele verwijzing naar het administratief onderzoek is te dezen ontoereikend. De motivering is dan ook niet afdoende. c. Tevergeefs roept de (eiser) in dat door de werking van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek de nietigheidsregeling van het Gerechtelijke Wetboek van toepassing is, wat dan de (eiser) toelaat te stellen dat het dwangbevel niet nietig is zo de (verweerder) niet bewijst in zijn belangen te zijn geschaad (artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek), dat nietigheid in geval van schending van de motiveringsplicht niet is voorzien (artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek), dat het normdoel is bereikt (artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek). Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de in het Gerechtelijke Wetboek gestelde regels van toepassing zijn op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel is er evenwel nog geen rechtspleging en het dwangbevel is dan ook geen proceshandeling. De artikelen 2 en 860 tot 867 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen derhalve geen toepassing vinden op het dwangbevel. Dit neemt niet weg dat de (verweerders) van een belang moeten laten blijken bij het middel van schending van de formele motiveringsplicht. Wanneer het doel van die formele motiveringsplicht bereikt is, beschikken de (verweerders) niet meer over het vereiste belang om de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren (vergelijk met veelvuldige rechtspraak van de Raad van State en o.m. recent met RvS, Pirard, nr. 143.076 dd. 14.4.2005 ; RvS, Beckers, nr; 142.944 dd. 11.4.2005, RvS, Van Hemelrijck-Bicke, nr. 142.943 dd. 11.4.2005; RvS, Graf, nr. 141.828 dd. 10.3.2005; RvS, Comans en Nysten, nr. 140.730 dd. 16.2.2005). De formele motiveringsplicht van het dwangbevel heeft tot doel de belastingschuldige in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat hij met kennis van zaken kan beoordelen of hij het dwangbevel moet aanvechten met alle middelen die de wet hem ter beschikking stelt. Om te oordelen of hij dient te ageren tegen het dwangbevel is evident vereist dat de belastingschuldige zou ingelicht zijn over de afdoende motieven ten laatste op het ogenblik dat het dwangbevel hem wordt betekend. Zijn de motieven hem op dat ogenblik niet ter kennis gebracht dan kan hij niet met kennis van zaken beoordelen of hij tegen het dwangbevel moet optreden, en zijn zijn belangen geschaad. Het feit dat hij nadien steeds verzet kan aantekenen is dan ook zonder invloed gezien het niet tot gevolg heeft dat het normdoel van de formele motiveringsplicht bereikt is. Uit de enkele mogelijkheid tot inzage van het administratief dossier en de enkele inzage ervan door de rechtsvoorgangster van de (verweerders) of haar raadsman voor het dwangbevel blijkt evenmin het gebrek aan belang van de (verweerders). Dergelijke inzage kan de bij de wet van 21 juli 1991 gewenste aanwijzing van de dragende motieven niet vervangen. De (verweerders) hebben derhalve belang bij het aanvoeren van de schending van de formele motiveringsplicht. d. Gelet op hetgeen voorafgaat heeft de eerste rechter terecht het bestreden dwangbevel vernietigd. De motivering voorzien bij artikel 3 van de wet van 21 juli 1991 is een substantiële vormvereiste, waarvan de miskenning tot vernietiging moet leiden". Vervolgens wordt in het tussenarrest van 20 september 2005 vastgesteld dat er nog te vonnissen blijft over de ingestelde tegenvordering, waarvan de ontvankelijkheid wordt erkend. Daartoe worden de debatten heropend en werden de partijen uitgenodigd te concluderen over de eventuele verjaring van de tegenvordering. In het eindarrest van 20 december 2005 wordt vastgesteld dat de laatste nuttige dag voor de invordering van de successierechten verschuldigd op de nalatenschap van wijlen A. V. 3 mei 2001 was, en dat de aangehaalde tegenvordering pas op 30 mei 2002 werd ingesteld. Het hof van beroep oordeelt dat het op 24 april 2001 betekend dwangbevel met bevel tot betaling de verjaring niet kan stuiten, gelet op de uitgesproken nietigheid ervan. Grieven 1. Wat betreft het tussenarrest van 20 september 2005 Eerste onderdeel In artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, wordt voorgeschreven dat de aan deze wet onderworpen akten de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze motivering moet afdoende zijn. Het dwangbevel, dat het voorwerp van het onderhavig geschil uitmaakt, is aan dit voorschrift onderworpen. In het tussenarrest wordt terecht gesteld dat het dwangbevel "niet alleen een akte (
- is)bestemd om een uitvoerbare titel te leveren, maar ook de akte waarin de bevoegde ambtenaar de omvang van de belastingschuld en haar oorzaak bepaalt, en de belastingschuldige aanwijst" (fol. 1081, punt 2, a, derde alinea). Daaruit moet afgeleid worden dat de motivering van het dwangbevel de reden kenbaar moet maken die de administratie ertoe leidt om van de aangeduide belastingschuldige, wegens de aangeduide oorzaak, de aangeduide belastingschuld te vorderen. Het in onderhavige zaak besproken dwangbevel geeft aan de betrokken belastingschuldige kennis van de reden waarom de administratie tot de invordering van de aangeduide belastingschuld overgaat, met name het invorderen van de vermelde belastingschuld. Het preciseert de aard en omvang van het belastbaar feit, het bedrag van de fiscale schuld en de wetsbepalingen die deze schuld doen ontstaan. Het bestaan van deze gegevens wordt in het arrest niet ontkend. De administratie stelt het bestaan vast van een fiscale schuld. Zij moet in het dwangbevel het belastbaar feit aanduiden en, zoals in het arrest vermeld, aan de belastingschuldige de omvang en de oorzaak van de fiscale schuld aanwijzen. De omstandigheden waardoor zij in kennis van het belastbaar feit is gekomen maken van de vereiste motivering geen deel uit. De stelling, volgens welke de vereiste motivatie van het dwangbevel niet alleen "de juridische en feitelijke motivering moet vermelden, die aan de beslissing ten grondslag liggen", (fol. 1081, voorlaatste alinea), maar ook vereist dat "door de administratie... zou aangehaald worden welke de feitelijke gegevens waren van het administratief onderzoek die tot het voormeld besluit... geleid hebben" (fol. 1083, derde alinea), is met de toepassing van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 onverenigbaar. Deze aanvullende, door het arrest als vereist beschouwde verantwoording, behoort niet meer tot het gebied van de motivering van het dwangbevel, maar eerder tot de bewijsvoering van de fiscale schuld. Met deze overweging wordt de wettelijkheid van het dwangschrift aan een voorwaarde onderworpen, die in de wet niet voorkomt. De vermelding van de oorzaak van de bevonden belastingschuld zou niet meer volstaan. Ook zou moeten melding worden gemaakt van de gegevens van het onderzoek, die tot de kennis van het belastbaar feit hebben geleid. Dat de motivering, volgens de termen van de wet, "afdoende" moet zijn, betekent dat de beslissing door de aangevoerde motieven moet gedragen worden. Dit benadrukt een relatie tussen de beslissing en de aangevoerde motieven, maar laat de rechten van beide partijen met betrekking tot het bewijs van de aangevoerde feiten onaangeraakt. In de beoordeling over de wettelijkheid van de bestreden bestuurshandeling moet een onderscheid gemaakt worden tussen, enerzijds, de motivering die de administratie tot het invorderen van een verschuldigde belasting en daartoe ook tot het uitvaardigen van een dwangbevel hebben geleid, en, anderzijds, het onderzoek waarbij dit belastbaar feit ter kennis van de administratie is gekomen. De motieven van het dwangbevel zijn van dit onderzoek afgeleid, maar de gegevens van dit onderzoek blijven van deze motieven te onderscheiden. Louter aanvullend moet overigens erop gewezen worden dat ten deze de bewijslast, in toepassing van artikel 108 Wb. Succ., op de erfgerechtigde rustte. Uit het feit dat het dwangbevel de gegevens niet zou bevatten van het onderzoek dat tot de vaststelling van de gevorderde fiscale schuld heeft geleid, kan bijgevolg niet afgeleid worden dat de beslissing om een dwangbevel uit te vaardigen niet gemotiveerd is. De administratie, handelend binnen de perken van haar gebonden bevoegdheid, heeft tot plicht een dwangbevel uit te vaardigen wanneer zij, in het gebied van de successierechten, kennis krijgt van een belastbaar feit, het bedrag ervoor vaststelt, en van de belastingschuldige de vrijwillige betaling ervan niet bekomt. Het arrest, dat deze gegevens onvoldoende verklaart om het dwangbevel te motiveren, miskent de wetsbepalingen die in dit geval het uitvaardigen van een dwangbevel opleggen (schending in hoofdzaak van artikel 142/1 W. Succ., en artikel 220 W. Reg.) ; het geeft aan het begrip "afdoende motivering" een betekenis die met de termen en de strekking van de wet onverenigbaar is (schending van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen), en miskent aanvullend de overige in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen. Tweede onderdeel In het arrest wordt als vereiste voor de motivering van het dwangbevel aangeduid dat de beslissing van de administratie door de aangevoerde motivering moet worden gedragen (fol. 1081, voorlaatste alinea), en dat de aangesproken belastingschuldigen "het recht (hebben) gedetailleerd te worden geïnformeerd over de gegevens die de administratie ertoe gebracht hebben te beslissen het vermeld hoger bedrag met haar dwangbevel in te vorderen, zodat de belastingschuldigen ook de mogelijkheid krijgen zich op gedetailleerde wijze te verdedigen tegen deze motieven..." (arrest, fol. 1082, eerste alinea). De voorwaarde volgens welke "er evenredigheid (moet bestaan) tussen het gewicht en de motivering van de beslissing (fol. 1081, voorlaatste alinea en 1082, eerste alinea) is niet in de wet te vinden. Deze formule is betwistbaar. Er kan niet als een vereiste voor de correcte toepassing van de wet aangenomen worden dat de administratie, in het motiveren van een "zware" beslissing, andere inlichtingen moet verstrekken dan hetgeen voor een "lichte" beslissing volstaat. Het dwangbevel is een instrument, door de wet omschreven om als invorderingstitel van een fiscale schuld te dienen. De geldigheidsvoorwaarden ervan zijn niet van het bedrag van de schuld afhankelijk. Het arrest, dat met deze overwegingen beslist dat de motivering van het dwangbevel, in de onderhavige zaak, vereisten stelt die voor andere zaken niet gelden, miskent aldus het wettelijk begrip dwangbevel en de wetsbepalingen die in het onderhavig geschil het uitvaardigen van een dwangbevel opleggen (schending in hoofdorde van artikel 142/1, W. Succ., en artikel 220 W. Reg., en aanvullend de overige in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen. Derde onderdeel In het arrest wordt gesteld dat het dwangbevel een akte is "waarin de bevoegde ambtenaar de omvang van de belastingschuld en haar oorzaak bepaalt, en de belastingschuldige aanwijst". In zoverre het arrest zo te begrijpen is dat deze gegevens in het dwangbevel niet zouden voorkomen, miskent het de bewijskracht ervan: elkeen van de aangeduide gegevens wordt in de tekst van het dwangbevel, in het arrest overgenomen, expliciet vermeld (schending van de artikelen 1319 tot 1322 van het Burgerlijk Wetboek). II. Wat betreft het eindarrest van 20 december 2005 De gronden van dit eindarrest, met name de vernietiging van het dwangbevel, vallen weg indien het tussenarrest vernietigd wordt. De cassatie van het tussenarrest moet bijgevolg tot het eindarrest uitgebreid worden. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 142/1 van het koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936 houdende het wetboek der successierechten en artikel 220 van het koninklijk besluit nr. 64 van 30 november 1939 houdende het Wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten, dat ingevolge de bepaling van voormeld artikel 142/1 terzake toepasselijk is; - de artikelen 15, 47, 100, 108, 126 in de versie zoals van kracht voor de wijziging bij de wet van 22 juli 1993, 137, 3° en 140/1 van koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936 houdende het Wetboek der Successierechten; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het eindarrest van 20 december 2005, in acht genomen de beslissing die reeds in het tussenarrest van 20 september 2005 uitgesproken werd, "Verklaart het hoger beroep ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, doch met deze enkele wijziging dat de oorspronkelijke tegenvordering van (de eiser) niet ‘ontvankelijk doch ongegrond' wordt verklaard, maar ‘onontvankelijk wegens verjaring' wordt verklaard, bevestigt het bestreden vonnis voor het overige, veroordeelt (de eiser) tot de kosten". Deze uitspraak is gesteund op de volgende motieven. "Artikel 140/1 Wb. Succ. bepaalt dat de verjaringen voor de invordering van rechten, intresten en boeten worden gestuit op de wijze en onder de voorwaarden voorzien door de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Steeds volgens zelfde bepaling is er een nieuwe verjaring die op dezelfde wijze kan worden gestuit verworven twee jaar na de laatste akte of handeling waardoor de vorige verjaring werd gestuit indien er geen geding aanhangig is voor het gerecht. Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen. Het bevel tot betaling is maar als stuitend te beschouwen in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek mits dit bevel tot betaling gebeurt krachtens een uitvoerbare titel, d.i. een geldige titel. Is er geen geldige uitvoerbare titel dan is er geen stuitend bevel tot betaling in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek (vergelijk o.m. met Laurent, F., Principes de Droit Civil, deel XXXII, Brussel, Bruylant, 1878, nr. 107 p. 120; De Page, H., Traité de Droit Civil Belge, Tome VII, Brussel, Bruylant, 1943, nr. 1183, voetnoot 3, p. 1073, met verwijzingen ; Cass. 21.02.2003, Pas., nr. 124 p. 385 ; Cass. 10.10.2002, Pas. nr. 526, p. 1892). Het dwangbevel van 24 april 2001 dat werd betekend op 26 april 2001 met bevel tot betaling, is een nietig dwangbevel (zie daaromtrent het hoger vermeld tussenarrest) en is derhalve geen geldige titel op grond waarvan een bevel tot betaling met stuitende werking kon betekend worden. De verjaring werd dan ook niet gestuit door de betekening van dit dwangbevel op 26 april 2001. In zoverre uit de conclusies van (de eiser) moet worden afgeleid (zie bvb. de conclusie van (de eiser) neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 24 november 2005, p. 3, derde paragraaf) dat hij aanvoert dat het dwangbevel zelf de verjaring heeft gestuit, moet worden vastgesteld dat het dwangbevel in kwestie nietig is, en hoe dan ook geen stuitend effect kan hebben, zodat dit middel niet verder dient te worden onderzocht. Op het ogenblik van het instellen van de tegenvordering, 30 mei 2002, was de tegenvordering derhalve, bij gebrek aan stuiting (of schorsing) ten laatste op 3 mei 2001, verjaard, zodat zij om die reden als onontvankelijk dient te worden beschouwd. Er dient derhalve te worden ingegaan op de vordering van (de verweerders) voor het hof van beroep dat de tegenvordering onontvankelijk zou worden verklaard. Te dezen roept (de eiser) ten onrechte het adagium ‘contra non valentem agere non currit praescriptio' in (vrij vertaald uit het Latijn als de verjaring loopt niet tegen hem die niet vorderen kan). (De eiser) gaat hierbij ten onrechte uit van de onderstelling dat hij zich geen uitvoerbare titel kon verschaffen. (De eiser) kon dit wel, nl. een rechtsgeldig dwangbevel, zodat de toepasselijkheid van het vermeld adagium niet verder moet worden onderzocht". Grieven In verband met dit middel moet een opmerking gemaakt worden inzake de gebruikte terminologie. Een onderscheid moet gemaakt worden tussen : (
- a)het dwangbevel (commandement) als bedoeld in artikel 148, 1°, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek der Inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB) en (
- b)het dwangschrift (contrainte) waarvan het uitvaardigen door de artikelen 142/1 W. Succ. en 220 W. Reg. voorgeschreven wordt. Het dwangbevel, als bedoeld in artikel 148 KB/WIB is een verwittiging, door de ontvanger aan de belastingschuldige toegezonden, die op grond van een uitvoerbaar kohier de invordering van de belasting nastreeft. Het dwangschrift, als bedoeld in artikel 220 W. Reg. met toepassing, onder meer, inzake successierechten is een uitvoerbare titel, uitgevaardigd door de bevoegde ontvanger, geviseerd en uitvoerbaar verklaard zoals in de wet voorgeschreven, en aan de belastingschuldige (in casu) per deurwaardersexploot betekend. Deze twee rechtsfiguren zijn grondig van elkander verschillend. Nochtans wordt het dwangschrift (contrainte) zeer dikwijls in de praktijk, en ook in de onderhavige zaak, "dwangbevel" genoemd. In onderhavig verzoekschrift wordt ook de term "dwangbevel" gebruikt, om bij de terminologie van de arresten aan te sluiten. Hierna wordt nochtans van dit gebruik afgeweken. Naar luid van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring van een schuldvordering gestuit, onder meer, door een bevel. De wet bevat geen voorwaarde met betrekking tot het feit dat dit bevel zou gesteund zijn op, of samengaan met een uitvoerbare titel. Integendeel wordt door de wetgever de nadruk gelegd op het inzicht van de schuldeiser om de verjaring van zijn rechten te voorkomen, waaruit kan afgeleid worden dat het stuitingseffect aan dit inzicht eerder dan aan formalistische voorwaarden moet verbonden zijn. In onderhavig geschil werd aan de schuldenaar een bevel tot betalen per deurwaardersexploot betekend. Als bevel beantwoordt die betekening aan het voorschrift van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek. Het feit dat samen met dit bevel, een dwangschrift betekend werd, dat wegens een vormgebrek nietig verklaard werd, doet aan de rechtsgevolgen van de betekening van dat bevel geen afbreuk. Daaruit moet afgeleid worden dat het bevel tot betalen van de opgevorderde fiscale schuld, dat samen met de betekening van het dwangschrift aan de rechtsvoorganger van de verweerders betekend werd, stuitingseffect heeft gehad. Door te oordelen dat, om reden dat het dwangbevel (dwangschrift) nietig werd verklaard, het bevel dat in de betekening ervan geïncorporeerd was geen stuitingseffect kon hebben, heeft het arrest bijgevolg in hoofdorde artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek geschonden, en bijkomend de in de aanhef van dit middel aangeduide wetsbepalingen van het Wetboek der Successierechten. Tevens blijkt uit de overweging, die tot steun van deze beslissing naar twee arresten verwijst, welke handelen niet over een dwangschrift inzake successierechten (of andere belastingen waarvoor dezelfde rechtsfiguur bestaat), maar over inkomstenbelastingen, dat de uitspraak afgeleid is van een verwarring tussen twee fundamenteel verschillende rechtsfiguren, met name, enerzijds, het dwangbevel voorzien in artikel 148, 1°, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, en, anderzijds, het dwangschrift (doorgaans ook dwangbevel genoemd) voorzien in de artikelen 220 W. Reg., terzake toepasselijk ingevolge artikel 142/1 W. Succ. Uit de aangehaalde arresten blijkt bovendien dat, in beide gevallen, er geen gedeelte van de ingekohierde aanslagen wettelijk eisbaar was. Hieruit blijkt dat de beslissing, die uit deze verwarring is afgeleid, niet wettig verantwoord is (schending van artikel 142/1 W. Succ. en 220 W. Reg.). Minstens is de beslissing van de appelrechters niet naar het grondwettelijk voorschrift gemotiveerd, nu ingevolge het aanhalen van deze niet terzake dienende rechtspraak het Hof zich in de onmogelijkheid bevindt na te gaan of de beoordeling van het arrest al dan niet gesteund is op een gelijkstelling tussen het terzake bestreden "dwangbevel" (zijnde een dwangschrift in de zin van artikel 220 W. Reg.) en een dwangbevel inzake inkomstenbelastingen als bedoeld in artikel 148 KB/WIB, waarin bovendien melding was gemaakt van niet wettelijk eisbare bedragen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Op grond van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, moet het dwangschrift inzake successierechten uitdrukkelijk worden gemotiveerd. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet bovendien afdoende zijn. 2. Dat de motivering afdoende moet zijn, betekent dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen en dat de motivering evenredig moet zijn met de belangrijkheid van de genomen beslissing en de aard van de bevoegdheid van de overheid. Een afdoende motivering moet aan de bestemmeling toelaten de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt. Of zij al dan niet afdoende is zal afhangen van alle omstandigheden van de zaak, inzonderheid van de voorafgaande effectieve kennis die de bestemming heeft van de gegevens van het dossier. 3. Het staat aan de feitenrechter om in feite te oordelen of de motivering van de beslissing afdoende is. Hij mag daarbij evenwel het wettig begrip van motiveringsplicht van de overheid niet schenden. 4. De appelrechters stellen in het arrest van 20 september 2005 vast dat de enige als feitelijk aan te merken overwegingen die in het dwangbevel zijn aangehaald luiden: "Aangezien uit een administratief onderzoek is gebleken dat de echtgenoten V.-S. titularissen waren van een KB-Lux¬rekening met een saldo op datum van 2 oktober 1989 van 889.233.133,5 BEF". Hieruit blijkt dat het dwangbevel dat aan de rechtsvoorgangster van de verweerders ter kennis is gebracht, het belastbaar feit, de omvang en de oorzaak van de fiscale schuld vermeldt, zodoende de afdoende motieven vermeldt waarop het is gesteund. Bovendien blijkt uit hetzelfde arrest dat de rechtsvoorgangster van de verweerders of haar raadsman voor het dwangbevel inzage heeft kunnen nemen en genomen heeft van het administratief dossier. De appelrechters konden dan ook niet zonder schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aannemen dat het dwangbevel dat aan de rechtsvoorgangster van de verweerders ter kennis is gebracht, niet de afdoende motieven vermeldt waarop het is gesteund. 5. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest van 20 september 2005, alsmede het arrest van 20 december 2005 dat het gevolg ervan is. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 22 mei 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080522.3 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080522.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100514.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130110.3 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150924.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170512.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240321.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170202.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div