← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080522.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080522.5 Rolnummer: C.05.0592.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-06-30 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-07-03 04:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Rechtsweigering GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Beschikkingsbeginsel Tekst van de beslissing Nr. C.05.0592.N D.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.K., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 september 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift elf middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel

  1. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat het geen zelfstandige grieven bevat.
  2. Het middel bevat geen zelfstandige grieven, doch enkel een conclusie uit de overige cassatiemiddelen.
  3. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Tweede middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel
  4. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is daar artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek niet als geschonden wordt aangevoerd.
  5. Krachtens artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek, bestaat er rechtsweigering wanneer de rechter weigert recht te spreken onder enig voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wet. De grief dat het bestreden arrest zou hebben nagelaten uitspraak te doen over een punt van eisers vordering, betreft niet een schending van artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek, maar wel een schending van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
  6. Nu artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek niet als geschonden werd aangevoerd, is het middel niet ontvankelijk. Derde middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel
  7. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang.
  8. Het middel komt niet op tegen een beschikkend gedeelte van het arrest, doch enkel tegen een "omschrijving" in het arrest van de door de eiser ter staving van zijn tegenvordering ingeroepen feiten. Het middel kan derhalve niet leiden tot de vernietiging van een dictum van het arrest.
  9. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel
  10. Wat betreft verweersters hoofdvordering in echtscheiding vermeldt het bestreden arrest de redenen die in de beroepen beslissing voorkomen en beoordeelt het de waarde hiervan op grond van een eigen onderzoek van de stukken. Het hof van beroep dat de motieven van de beroepen beslissing niet overneemt, maar zijn beslissing op eigen motieven steunt, hoeft niet te antwoorden op een conclusie waarin onregelmatigheden van de beroepen beslissing worden aangevoerd. Gelet op de eigen beoordeling van het bewijs van het door de verweerster tot staving van haar echtscheidingsvordering ingeroepen fysiek geweld tegen haarzelf en de zoon, behoefde het arrest niet te antwoorden op de conclusie waarin de onregelmatig¬heid van de beroepen beslissing werd aangevoerd.
  11. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. Het in het onderdeel ingeroepen verweer maakt deel uit van eisers verweer dat de feiten in hun ware context van de echtelijke moeilijkheden tussen partijen moeten worden geplaatst.
  13. Het bestreden arrest oordeelt in verband met het fysiek geweld tegen de verweerster op 6 februari 2001 dat ook de door de eiser ingeroepen omstandigheid dat die feiten moeten worden gekaderd in de echtscheidingsproblematiek, hier niet kan gelden: fysiek geweld tussen echtgenoten is niet te tolereren en vormt een grove tekortkoming aan de huwelijksplicht.
  14. Aldus beantwoordt het bestreden arrest de conclusie van de eiser. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  15. Het onderdeel preciseert niet op welke vordering, verweer of exceptie het arrest niet geantwoord heeft en stelt het Hof derhalve niet in staat na te gaan of het arrest de bekritiseerde beslissing toepast zonder te antwoorden op de conclusie van de eiser.
  16. Het onderdeel is niet ontvankelijk wegens onduidelijkheid. Vierde onderdeel
  17. Het onderdeel vermeldt niet in welke akten of conclusies de eiser het onbeant¬woord gebleven verweer heeft voorgedragen.
  18. Het onderdeel is niet ontvankelijk wegens vaagheid. Vijfde middel
  19. Blijkens de inventarissen gevoegd bij verweersters conclusies, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, werd onder stuk 6 het proces-verbaal van 7 februari 2001 met betrekking tot de poging tot wurging op 6 februari 2001, overgemaakt. Dat dit proces-verbaal werd overgemaakt werd niet betwist door de eiser, die in conclusie ook zelf naar het proces-verbaal verwees.
  20. In zoverre het bestreden arrest, wat betreft het fysiek geweld tegen de verweerster op 6 februari 2001, steunt op "de omstandig gerelateerde eigen vaststellingen van de verbalisanten", kan worden aangenomen dat het voormeld proces-verbaal van 7 februari 2001 wordt bedoeld.
  21. Er blijkt niet dat het arrest zijn beslissing zou gesteund hebben op stukken die niet aan de eiser zouden zijn overgemaakt. Het middel mist feitelijke grondslag. Zesde middel Middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening
  22. De verweerster voert aan dat de voorziening, in zoverre zij opkomt tegen de afwijzing van het verzoek om nieuwe conclusietermijnen, niet ontvankelijk is op grond van artikel 748, §2, van het Gerechtelijk Wetboek.
  23. Krachtens artikel 748, §2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, mag een partij die conclusie genomen heeft, ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt. Krachtens artikel 748, §2, vierde en vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, doet de rechter uitspraak op stukken door middel van een beschikking en staat tegen deze beschikkingen geen enkel rechtsmiddel open.
  24. Uit de wettelijke bepaling dat tegen de in artikel 748, §2, bedoelde beschikking geen enkel rechtsmiddel openstaat, volgt dat ook een cassatieberoep is uitge¬sloten, zowel tegen de beschikking die de aanvraag afwijst, als tegen de beschikking die de aanvraag inwilligt.
  25. Het middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening, in zoverre zij opkomt tegen de afwijzing van het verzoek om nieuwe conclusietermijnen, is gegrond. Zevende middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel
  26. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang.
  27. De appelrechters oordelen dat elk van beide feiten, namelijk het fysiek geweld tegen de verweerster op 6 februari 2001 en het fysiek geweld tegen de zoon op 18 juli 2000, elk afzonderlijk beschouwd voldoende zwaarwichtig zijn om de echtscheiding ten laste van de eiser uit te spreken. Het middel dat, ook al was het gegrond, de verantwoording van de bestreden beslissing niet beïnvloedt, aangezien die beslissing ook steunt op een andere niet door het middel bekritiseerde grondslag, of in andere middelen tevergeefs bekritiseerde grondslag, die voldoende is, is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
  28. De beslissing waarbij de echtscheiding ten laste van de eiser wordt uitgesproken op grond van grove beledigingen houdt stand op grond van het als grove belediging aangezien fysiek geweld tegen de verweerster, grondslag welke tevergeefs werd aangevochten in het tweede onderdeel van het vierde middel en in het vijfde middel.
  29. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen. Achtste middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel
  30. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang.
  31. Het middel voert aan dat de overweging in het bestreden arrest dat er geen enkele reden voorhanden is om de uitspraak over hoofd- en tegeneis uit te stellen totdat ook de wedereis ten gronde kon worden behandeld, in tegenspraak is met het uiteindelijk samen behandelen van de hoofdeis en de tegeneis.
  32. De eiser heeft geen belang bij een kritiek op het dictum van het arrest dat overeenkomstig de conclusie van de eiser beslist om hoofdeis en tegeneis samen te beslechten.
  33. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen. Negende middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel
  34. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang.
  35. Het middel heeft alleen betrekking op het in aanmerking nemen door het betwiste arrest van het fysiek geweld tegen de zoon als echtscheidingsgrond. De appelrechters oordelen dat elk van beide aangehouden feiten, namelijk het fysiek geweld tegen de verweerster op 6 februari 2001 en het fysiek geweld tegen de zoon op 18 juli 2000, zelfs afzonderlijk voldoende zwaarwichtig zijn om de echtscheiding lastens de eiser uit te spreken. Het middel dat, ook al was het gegrond, de verantwoording van de bestreden beslissing niet beïnvloedt, aangezien die beslissing ook steunt op een andere niet door het middel bekritiseerde grondslag, of in andere middelen tevergeefs bekritiseerde grondslag, die voldoende is, is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
  36. De beslissing waarbij de echtscheiding ten laste van de eiser wordt uitgesproken op grond van grove beledigingen houdt stand op grond van het als grove belediging aangezien fysiek geweld tegen de verweerster, grondslag welke tevergeefs werd aangevochten in het tweede onderdeel van het vierde middel en in het vijfde middel.
  37. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen. Tiende middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel
  38. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is wegens onduidelijkheid.
  39. Niet ontvankelijk wegens onduidelijkheid is het middel dat het bestreden arrest verwijt niet te antwoorden op een conclusie, zonder evenwel de vordering, het verweer of de exceptie aan te geven waarop niet is geantwoord.
  40. Het middel stelt dat het niet in aanmerking nemen van de integraliteit van de 75 pagina's conclusies van de eiser, waarin meerdere van de op bladzijden 74 en 75 summier opgesomde feiten in detail worden beschreven, een inbreuk is op het algemeen beginsel van het recht van de verdediging en van de motiveringsplicht.
  41. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen. Elfde middel
  42. Het arrest verwerpt het gevorderde financieel onderzoek onder meer omdat dit niet van aard is enige nuttige bijdrage te kunnen leveren ter ondersteuning van enige echtscheidingsgrond.
  43. Hieruit blijkt niet dat het arrest op principiële gronden uitsluit dat "deloyale financiële vermogensverschuivingen zonder oorzaak" tussen echtgenoten, een belediging in de zin van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek zouden kunnen uitmaken.
  44. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 458,97 euro jegens de eisende partij en op de som van 243,33 euro jegens de verwerende partij Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 22 mei 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080522.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.