← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080527.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080527.12 Rolnummer: P.08.0402.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2008-06-04 Raadplegingen: 548 - laatst gezien 2026-07-03 15:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Teneinde van een akte een juiste uitlegging te geven kan de rechter steunen niet enkel op de bewoordingen zelf van die akte, maar ook op andere feitelijke gegevens die de juiste draagwijdte van de gebruikte bewoordingen toelichten. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijskracht UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Algemeen (bewijs (strafrecht) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM Vrije woorden: Bewijskracht van een proces-verbaal - Juiste uitlegging van de akte - Bevoegdheid van de rechter - Elementen waarop de rechter kan steunen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1319, 1320 en 1322 Fiche 2 De redelijke termijn binnen dewelke eenieder recht heeft op de berechting van zijn zaak begint te lopen vanaf het ogenblik dat de beklaagde kennis heeft dat tegen hem een strafvervolging is ingesteld en niet vanaf het ogenblik dat het strafbare feit is gepleegd

(1).
(1)Zie Cass., 19 sept. 1989, AR 1545, A.C., 1989-90, nr. 41; Cass., 8 feb. 2005, AR P.04.1317.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4, A.C., 2005, nr. 77. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Algemeen (bewijs (strafrecht) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM Vrije woorden: Redelijke termijn - Strafzaken - Beginpunt Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Tekst van de beslissing Nr. P.08.0402.N B. M. A. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Siffert, advocaat bij de balie te Brussel, tegen 1. F. A., burgerlijke partij, 2. K. U., burgerlijke partij, 3. M. K., burgerlijke partij, 4. M. B., burgerlijke partij, 5. B. U., burgerlijke partij, 6. CENTRUM VOOR GELIJKHEID VAN KANSEN EN VOOR RACISMEBESTRIJDING, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 31 januari 2008. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert miskenning van de bewijskracht van een akte aan: het arrest geeft van een proces-verbaal dat een bericht van een collega van de eiser weergeeft, een onjuiste uitlegging. 2. Teneinde van een akte een juiste uitlegging te geven, kan de rechter steunen niet enkel op de bewoordingen zelf van die akte maar ook op andere feitelijke gegevens die de juiste draagwijdte van de gebruikte bewoordingen toelichten. 3. Het arrest (blz. 18 tot 26) beoordeelt eisers verweer dat wat betreft de feiten van de telastleggingen B.II, D, E.III, G.II , H en I, hij het slachtoffer is van een complot van een aantal collega's. Het arrest onderzoekt de inhoud van de verklaringen van de klagers en van de getuigen, de context en periode waarin die verklaringen werden afgelegd, en de houding van de eiser. Het arrest oordeelt vervolgens: "De bewering van de (eiser) dat al de hem ten laste gelegde feiten (...) gebaseerd zijn op verklaringen van collega's die hem zogezegd hebben willen ‘flikken', is weerlegd door al de voornoemde elementen. In het bericht ingesproken door T. H. en gericht aan A. M. is er sprake van ‘(eiser) te flikken'. Hiermee werd niet bedoeld dat men onjuiste en negatieve zaken over (
  1. de)beklaagde zou gaan verklaren. Deze terminologie is niet meer en niet minder dan de uiting van een eigen ruw taalgebruik waarmee in feite bedoeld werd dat men de daden van beklaagde eindelijk zou gaan openbaren en dat iedereen voor zichzelf de waarheid zou gaan zeggen". Hierdoor situeert het arrest het mondelinge bericht van T. H. "we moeten er maar ene flikke(n)" in zijn context en geeft het van de bewoordingen van het proces-verbaal waar dit bericht is weergegeven een uitlegging die met de bewoordingen van die akte niet onverenigbaar is. 4. Door de uitlegging die het van het hierboven vermelde bericht geeft, legt het arrest het proces-verbaal van 26 juni 2003 dat dit bericht niet weergeeft, niet uit en miskent het bijgevolg de bewijskracht van die akte niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 5. Voor het overige verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11, 12 en 14 Grondwet alsmede een motiveringsgebrek: het oordeel dat de eiser schuldig is aan de telastleggingen I.I en I.II, zijnde het misdrijf bepaald in artikel 20, 1°, en 2°, van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden (hierna Antiracismewet) op de grond dat een discriminerende uitspraak in zijn aanwezigheid is gedaan, is niet naar recht verantwoord. Het middel vraagt ook de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Is artikel 20 van de Antiracismewet verenigbaar met de artikelen 12, 13 en 14 [van de Grondwet] en daarmee samenhangend artikel 7 EVRM, in die interpretatie dat een natuurlijke persoon schuldig kan zijn aan de misdrijven ‘aanzetten tot discriminatie' en ‘aanzetten tot haat of geweld' indien in zijn aanwezigheid door derden uitspraken worden gedaan die te beschouwen zijn als ‘discriminerend'?" 7. Het arrest oordeelt dat de uitspraak "Wij hebben nu vijf schapen, het offerfeest kan beginnen", discriminerend is. Het neemt aan dat niet vaststaat dat de eiser die uitspraak heeft gedaan. Het arrest stelt verder (blz. 35, in fine, en 36, eerste tot en met zesde streepje) de feitelijke gedragingen vast die het aan de eiser toeschrijft. Het oordeelt vervolgens: "Op grond van die voorliggende feitelijke gegevens staat vast dat (de eiser) zijn collega's - ondergeschikten heeft opgehitst en dat dezen zich lieten meeslepen door de opruiende taal van hun overste. (De eiser) gebruikte daarbij het meeste geweld" en "Het is duidelijk dat het door het bijzondere agressieve gedrag van de leidinggevende beklaagde is geweest dat de uitermate afwijkende behandeling van de arrestanten heeft kunnen plaatsvinden zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan. De uitspraak - door wie van de aanwezige politiefunctionarissen dan ook gedaan - is slechts de verbale veruitwendiging van de door de beklaagde gecreëerde sfeer en handelswijze en toont aan dat het optreden van de beklaagde gericht was op het afwijkend, hatelijk en gewelddadig behandelen van de arrestanten omwille van hun afkomst en etnie. Zoals uit de feitelijke gegevens blijkt heeft de beklaagde aangezet tot dit gedrag wegens de aangehaalde redenen en is derhalve na nieuw onderzoek door het hof (van beroep) zijn schuld onder de telastleggingen I.I en I.II omschreven feiten bewezen geworden". 8. Aldus oordeelt het arrest niet dat de eiser schuldig is aan het misdrijf bepaald in artikel 20 Antiracismewet omdat de uitspraak "Wij hebben nu vijf schapen, het offerfeest kan beginnen", in zijn aanwezigheid is gedaan. Het oordeelt met opgave van redenen dat de eiser door zijn persoonlijke agressieve gedraging die het arrest beschrijft, een sfeer heeft gecreëerd waarvan de bedoelde uitspraak slechts een veruitwendiging is, en zijn collega's bewust heeft aangezet tot een daad van discriminatie, haat of geweld als bedoeld in artikel 20 Antiracismewet. Het middel dat uitgaat van een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. 9. Gelet op wat voorafgaat, is er geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Derde middel 10. De eiser voert schending aan van zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn: het arrest oordeelt ten onrechte dat het procesverloop zijn normale gang kende op grond dat de eerste strafklacht tegen de eiser op 11 februari 2003 plaatsvond; de feiten van de telastleggingen B.Ia, B.I.b, B.I.c, B.I.d, B.I.e, C.II, E.II, F.I, G.I, G.III.a, en G.III.b hebben immers plaatsgevonden in de jaren 1999, 2000 en 2001 en de eiser werd daarover slechts verhoord in 2004. 11. De redelijke termijn binnen dewelke eenieder recht heeft op de berechting van zijn zaak, begint te lopen vanaf het ogenblik dat de beklaagde kennis heeft dat tegen hem een strafvervolging is ingesteld en niet vanaf het ogenblik dat het strafbare feit gepleegd is. 12. De enkele omstandigheid dat een beklaagde slechts meerdere jaren na het plegen van een strafbaar feit daarover ondervraagd wordt, brengt zijn recht op een eerlijk proces niet in het gedrang. Niets belet hem immers de voorgebrachte bewijsmiddelen te betwisten en de hem gekende gegevens à décharge voor te leggen. Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 195,06 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 27 mei 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080527.12 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4 zie ook recenter: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080131.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.