← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080529.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080529.4 Rolnummer: C.07.0260.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-24 Raadplegingen: 286 - laatst gezien 2026-07-03 04:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer de aannemer tijdig zijn verweermiddelen doet gelden na ontvangst van een proces-verbaal waarin zijn tekortkomingen worden vastgesteld, vervallen de vermoede erkenning van aansprakelijkheid door de aannemer en het hieruit volgend recht aan het bestuur toegekend om de in artikel 48, § 4 ,genoemde maatregelen van ambtswege te treffen, met dien verstande dat het verval van de ambtshalve maatregelen zich niet voltrekt, ongeacht de beoordeling ten gronde van voormeld verweer

(1).
(1)Zie Cass., 20 mei 1994, AR 8301, A.C., 1994, nr. 256, en de noot van M.A. FLAMME onder dit arrest in T. Aann., 4-95,
(372), 377. Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Algemeen Vrije woorden: Algemene aannemingsvoorwaarden - Aanneming - Aannemer - Tekortkomingen - Proces-verbaal - Verweermiddelen - Ambtshalve maatregelen van het bestuur Wettelijke bepalingen: Ministerieel Besluit - 10-08-1977 - Artt. 47, eerste en tweede lid, en 48, § 4 - 30 Link Justel databank 19770810-30 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0260.N DE VRIESE RAF, naamloze vennootschap, met zetel te 8810 Lichtervelde, Potteriestraat 22, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 9, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 november 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 47, tweede lid, en 48, §4, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten (hierna AAV
(1977)), zoals vervangen door artikel 20, §2, tweede lid, en §6, en artikel 48, §3, 1°, van de bijlage "Algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken" bij het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. Aangevochten beslissing De appelrechters verklaren in het bestreden arrest het hoger beroep van de verweerster deels gegrond, doen het bestreden vonnis gedeeltelijk teniet en verklaren dienvolgens de vordering van de eiseres strekkende tot het betalen van een schadevergoeding wegens verbreking van de overeenkomst, evenals de daaraan gekoppelde vordering tot kapitalisatie van de interesten ongegrond. Zij steunen deze beslissing voornamelijk op de volgende overwegingen: "14. Het geschil tussen partijen betreft in wezen de verschillende lezing die zij geven aan de in dit geval toepasselijke artikelen 47 en 48 AAV 1977 en de daaraan verbonden rechtsgevolgen. 15. Artikel 47 AAV
(1977)luidde als volgt: ‘Al de tekortkomingen op de bepalingen van het contract daarin begrepen het niet-naleven van de bevelen van het bestuur, worden bij een proces-verbaal vastgesteld, waarvan een afschrift onmiddellijk per aangetekende brief aan de aannemer wordt gezonden. De aannemer dient zonder verwijl zijn tekortkomingen te herstellen. Hij kan per aangetekende brief aan het bestuur, verzonden binnen de vijftien kalenderdagen volgend op de postdatum van het toezenden van het proces-verbaal, zijn verweermiddelen doen gelden. Zijn stilzwijgen na die termijn geldt als een erkenning van de vastgestelde feiten'. 16. Artikel 48, §4, AAV
(1977)luidde als volgt: ‘Maatregelen van ambtswege: Indien de aannemer, na het verstrijken van de in artikel 47 hiervoren gestelde termijn om zijn verweermiddelen te doen gelden, inaktief is gebleven is het bestuur gerechtigd een van de volgende maatregelen te treffen: 1° de opdracht verbreken; 2° de werken in eigen beheer uitvoeren 3° een of meer overeenkomsten voor rekening met een of meer derden aangaan. Van de beslissing van het bestuur tot het nemen van maatregelen van ambtswege wordt bij een ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de in gebreke gestelde aannemer kennis gegeven. (...)'.
  1. In dit geval is bij proces-verbaal van 30 april 1999 vastgesteld dat de ‘werken nog niet gestart zijn', is dit proces-verbaal bij aangetekende brief aan de aannemer verzonden op 3 mei 1999 en heeft de aannemer bij aangetekende brief van 17 mei 1999 zijn verweermiddelen doen gelden als volgt: ‘(...). In bijlage laten wij u overzicht geworden van het verloop van bovenvermeld dossier. Op basis daarvan willen wij de bemerking maken dat de Administratie LIN partij en rechter is inzake niet enkel het goedkeuren van de studies maar ook bij het bepalen van de categorie van de wegen naar klasse I of II. Wij kunnen niet akkoord gaan met de inhoud van bovenvermeld proces-verbaal gezien wij meer dan 5 pct. schade hebben opgelopen door de wereldmarktprijzen die stijgen in combinatie met een nieuwe herziening. Wij willen u dan ook vragen om een bijakte voor deze opgelopen schade op te maken en dit voor uitvoering'.
  2. Het bestuur heeft, bij aangetekende brief van 2 juli 1999, aan de aannemer geschreven: ‘In aansluiting met mijn schrijven van 25 juni 1999 deel ik u hierbij mee dat mijn afdeling overgaat tot het toepassen van ambtshalve maatregelen zoals voorzien in artikel 48, §3, van de Algemene Aannemingsvoorwaarden. Dientengevolge is het u vanaf heden niet meer toegestaan om de werf te betreden. Bovendien zullen de werken opnieuw aanbesteed worden en zullen de daaruit voortvloeiende meerkosten ten uwen laste zijn'.
  3. Het standpunt dat door de aannemer wordt verdedigd komt erop neer dat het bestuur geen ambtshalve maatregelen mag nemen in de zin van artikel 48 AAV
(1977)indien de aannemer binnen de termijn van artikel 47 AAV
(1977)zijn verweermiddelen heeft doen gelden. Hij motiveert dit standpunt door te wijzen op de tekst van voormelde wetsartikelen en op een arrest van het Hof van Cassatie van 20 mei 1994, met als beslissende overweging: ‘Overwegende dat, als de aannemer tijdig zijn verweermiddelen doet gelden na ontvangst van een proces-verbaal waarin zijn tekortkomingen worden vastgesteld, de vermoede erkenning van aansprakelijkheid door de aannemer en het hieruit volgend recht aan het bestuur toegekend, de in artikel 48, alinea 4, genoemde maatregelen van ambtswege te treffen, vervallen'. 20. Het standpunt dat door het bestuur wordt verdedigd komt erop neer dat het bestuur wel degelijk ambtshalve maatregelen mag nemen in de zin van artikel 48 AAV
(1977)zelfs indien de aannemer zijn verweermiddelen heeft doen gelden binnen de termijn, indien blijkt dat de aannemer na die termijn inactief blijft en indien zijn verweermiddelen ongegrond zijn. Het bestuur motiveert dit standpunt door eveneens te verwijzen naar de tekst van voormelde wetsartikelen en op de rechtsgeleerde commentaar waartoe voormeld arrest van het Hof van Cassatie aanleiding gaf. 21. De in artikel 47 AAV
(1977)verwoorde rechtsregel beoogde het bewijs te regelen van de vaststelling van de niet-uitvoering van de overheidsopdracht door de aannemer: alle contractuele tekortkomingen en onder meer ook het niet-naleven van bevelen van het bestuur moesten worden vastgesteld bij een proces-verbaal. Bovendien beoogde die rechtsregel de bescherming van de aannemer door de formalisering van de ingebrekestelling (proces-verbaal, verzending per aangetekende brief) en door hem de mogelijkheid te bieden verweermiddelen te doen gelden binnen een welbepaalde termijn en eveneens onder een bepaalde vorm (binnen vijftien kalenderdagen en per aangetekende brief). Aldus werden de wanprestatie(s) en het verweer daarop gefixeerd, vastgesteld ter latere beoordeling. 22. Deze geformaliseerde vastlegging van de vaststelling van de niet-uitvoering en van het verweer daarop, betekende echter niet dat het bestuur slechts gerechtigd was tot het treffen van ambtshalve maatregelen in de zin van artikel 48 AAV
(1977)indien de aannemer zijn verweermiddelen met betrekking tot een door het bestuur vastgestelde wanprestatie niet binnen de termijn bedoeld in artikel 47 AAV
(1977)had doen gelden. Die ambtshalve maatregelen waren steeds mogelijk, ook in de hiervoor vermelde hypothese, met dien verstande dat de beslissing daartoe onderworpen was aan rechterlijke controle binnen de door de wet georganiseerde bewijsregeling. Anders gezegd, het recht dat het bestuur putte uit artikel 48 AAV
(1977)kon door de rechter gecontroleerd worden door de inhoud van het proces-verbaal te vergelijken met het tijdige verweer. Artikel 47 AAV
(1977)sloot deze rechterlijke controle niet uit, doch bemoeilijkte enkel het verweer van de aannemer in de mate hij dat verweer niet tijdig had geformuleerd. In dat geval immers voorzag artikel 47 AAV
(1977)in een erkenning door de aannemer van de vastgestelde feiten.
  1. Deze rechterlijke controle diende het treffen van ambtshalve maatregelen niet vooraf te gaan in de tijd. De gemeenrechtelijke rechtsregel die vervat is in artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek en die, in de regel, zoals verwoord in de laatste alinea van dit wetsartikel, een aan de ontbinding voorafgaande rechterlijke tussenkomst voorschrijft, is niet toepasselijk inzake overheidsopdrachten. De overheidsopdrachtenwetgeving behoort tot het publiek of administratief recht, waaruit volgt dat een voorafgaandelijke rechterlijke controle van door de wet toegelaten ambtshalve maatregelen onverstaanbaar is met de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling (het zogenaamde ‘privilège du préalable', dit is het vermoeden van gelijkvormigheid met het recht van de eenzijdige beslissing van het bestuur), met dien verstande dat achteraf rechterlijke controle mogelijk is.
  2. Uit de feiten in dit geval blijkt dat het niet-aanvangen van de werken, ondanks bevelen daartoe van het bestuur, uitsluitend te wijten was aan de aannemer en dat zijn verweer tegen deze vaststelling bij proces-verbaal ongegrond was.
  3. De aannemer betwist niet dat het bestuur hem bevel tot aanvang der werken heeft gegeven per 14 december
  4. Uit de datumstempel van de aannemer blijkt dat de kennisgeving daartoe van het bestuur van 23 november 1998 door hem werd ontvangen op 25 november
  5. De opmerkingen die de aannemer liet gelden met betrekking tot die aanvangsdatum zijn niet meer relevant omdat evenmin betwist wordt dat uiteindelijk in gemeen akkoord de aanvangsdatum werd bepaald op 1 maart
  6. Dit blijkt uit het niet-betwiste onderhoud tussen de aannemer en de verantwoordelijke ambtenaar, de brief van de aannemer van 10 december 1998 waarin hij om bevestiging vraagt van de aanvang van de werken in maart 1999 en de betekening van het dienstorder van 12 januari 1999 met als voorwerp de verdaging van de aanvang van de werken tot 1 maart
  7. Ten onrechte zal de aannemer naderhand voorhouden dat zijn instemming met die aanvangsdatum voorwaardelijk was en met name afhankelijk van een herziening per maart 1999 in plaats van per maart
  8. De aannemer heeft weliswaar van dit verzoek gewag gemaakt in zijn brief aan het bestuur van 10 december 1998, maar het bestuur heeft dit verzoek verworpen bij brief van 12 januari 1999, en de aannemer is er niet meer op teruggekomen bij zijn eerstvolgende verzoek tot verdaging van de aanvangsdatum van de werken, vervat in zijn brief aan het bestuur van 1 april
  9. Dit laatste verzoek van de aannemer tot verdaging van de aanvangsdatum van de werken tot in augustus 1999 werd immers enkel gemotiveerd door het feit dat de werken niet konden aangevangen worden omdat de gemeente Kaprijke op een voor de uitvoering van de opdracht geplande omleggingsweg zelf werken plande. Deze reden werd overigens door het bestuur verworpen in zijn brief van 16 april 1999, en de reden van deze verwerping - volgens het bijzonder bestek is geen omlegging toegelaten - werd nadien niet betwist door de aannemer. Deze afwezigheid van redenen om de werf op te starten in maart 1999 werden nog versterkt door de vaststelling, vanaf half april 1999, dat de aannemer niet beschikte over een signalisatieplan en ook niet over een concreet uitvoeringsplan van de werken. Dit blijkt uit de verslagen van 13 april 1999 (verzonden aan de aannemer op 28 april 1999 en door hem ontvangen op 3 mei 1999, zoals blijkt uit zijn datumstempel) en van 22 april 1999 (verzonden aan de aannemer op 29 april 1999 en door hem ontvangen op 30 april 1999, zoals eveneens blijkt uit zijn datumstempel). In die context moet het proces-verbaal van 30 april 1999 gezien worden (dat aangetekend verzonden is aan de aannemer op 3 mei 1999 en door hem ontvangen is op 5 mei 1999) met de vaststelling dat de werken nog niet zijn gestart, zoals aangevuld door de schriftelijke vaststelling op 7 mei 1999 dat de voorziene uitvoeringstermijn van 30 werkdagen, gerekend vanaf 1 maart 1999, rekening gehouden met de weerverletdagen, verstreken was. In zijn verweer van 17 mei 1999 riep de aannemer twee middelen in, en koppelde aan het tweede middel een voorwaarde. Zijn eerste middel had betrekking op zijn bewering dat ‘de Administratie LIN partij en rechter is inzake niet enkel het goedkeuren van de studies maar ook bij het bepalen van de categorie van de wegen naar klasse I of II'. Hij refereerde daarmee aan de door het bestek vereiste keuring en registratie van de asfaltmengsels. Zijn bewering is niet relevant: als inschrijver op de aanbesteding had hij er zich toe verbonden om, krachtens het bestek, voor de toplaag en de onderlaag welbepaalde, gekeurde en geregistreerde asfaltmengsels aan te wenden; uit de feiten blijkt dat hij asfaltmengsels voorstelde die niet overeenstemden met de besteksvereisten en dat hij zulks ook niet betwistte vermits hij, na afkeuring, zelf het nodige deed om nieuwe proeven te doen uitvoeren en nieuwe attesten te bemachtigen, zonder dat hij op één ogenblik inriep dat het onderscheid in categorieën voor hem bezwaar opleverde. Zijn tweede middel formuleerde hij als volgt: ‘Wij kunnen niet akkoord gaan met de inhoud van bovenvermeld proces-verbaal gezien wij meer dan 5 pct. schade hebben opgelopen door de wereldmarktprijzen die stijgen in combinatie met een nieuwe herziening'. Hij refereerde daarmee aan zijn vroeger al geformuleerde maar daarna nooit meer herhaald middel van de herziening. Ook dit middel is ongegrond. Zoals terecht door het bestuur geantwoord, was er geen enkele rechtsgrond voorhanden om die herziening af te dwingen. Bovendien blijkt uit de feiten dat het verdagen van de aanvangsdatum van de werken louter en alleen te wijten was aan de aannemer die, vanaf het bevel tot aanvang der werken op 23 november 1998, aanstuurde op verdaging ervan of die een werkelijk aanvang onmogelijk maakte doordat geen gekeurde, geregistreerde mengsels voorhanden waren. De voorwaarde die hij aan dit tweede middel koppelde (‘Wij willen u dan ook vragen om een bijakte om deze opgelopen schade op te maken en dit voor uitvoering') werd terecht door het bestuur verworpen. De beslissing tot het nemen van ambtshalve maatregelen was, in die omstandigheden, verantwoord, temeer daar het bestuur slechts overging tot het nemen van deze ambtshalve maatregelen nadat het de aannemer uitdrukkelijk in gebreke had gesteld om de werken onmiddellijk te starten binnen de vijftien kalenderdagen (aangetekende brief van 25 mei 1999) en nadat die termijn verstreken was (aangetekende brief van 2 juli 1999). Het werfverbod dat het bestuur aan de aannemer ter kennis bracht bij voormelde aangetekende brief van 2 juli 1999 was geen eenzijdige, onrechtmatige verbreking van de overeenkomst. De vordering van de aannemer tot het bekomen van een schadevergoeding wegens eenzijdige, onrechtmatige verbreking van de overeenkomst is ongegrond. De daaraan gekoppelde vordering tot kapitalisatie van de intresten is eveneens ongegrond. Het hoger beroep is op dit punt gegrond". (bestreden arrest, pagina 3 zevende alinea tot en met pagina 7, eerste alinea). Grieven
  10. Krachtens artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek moet de schuldenaar, bij wanuitvoering van een contractuele verplichting, volledig instaan voor het verlies van de schuldeiser en voor de winst die hij heeft moeten derven, behoudens de toepassing van de artikelen 1150 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek. Waar in artikel 47, eerste lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten (AAV
(1977)) de vaststelling van de niet-uitvoering van een overheidsopdracht door een aannemer bij proces-verbaal werd opgelegd, luidde het tweede lid van deze wetsbepaling als volgt: "de aannemer dient zonder verwijl zijn tekortkomingen te herstellen. Hij kan per aangetekende brief aan het bestuur, verzonden binnen de vijftien kalenderdagen volgend op de postdatum van het toezenden van het proces-verbaal, zijn verweermiddelen doen gelden. Zijn stilzwijgen na die termijn geldt als een erkenning van de vastgestelde feiten". Artikel 48, §4, AAV
(1977)bepaalde dat "indien de aannemer na het verstrijken van de in artikel 47 hiervoren gestelde termijn om zijn verweermiddelen te doen gelden, inaktief is gebleven, het bestuur gerechtigd was (...) maatregelen van ambtswege te treffen". 2. De appelrechters gaan er te dezen van uit dat bij proces-verbaal van 30 april 1999 werd vastgesteld dat "de werken nog niet gestart zijn", dat dit proces-verbaal op 3 mei 1999 aan de eiseres werd verzonden en eiseres haar verweermiddelen deed gelden bij aangetekend schrijven van 17 mei 1999, waarna verweerster bij aangetekende brief van 2 juli 1999 de toepassing van ambtshalve maatregelen meedeelde (bestreden arrest, pagina 4, tweede alinea). Zij oordelen vervolgens dat de geformaliseerde vastlegging in artikel 47 AAV
(1977)van de vaststelling van de niet-uitvoering en van het verweer daarop niet betekende dat het bestuur slechts gerechtigd was tot het treffen van ambtshalve maatregelen in de zin van artikel 48 AAV
(1977)indien de aannemer zijn verweermiddelen met betrekking tot een door het bestuur vastgestelde wanprestatie niet binnen de door artikel 47 (AAV) 1977 bedoelde termijn had doen gelden. Die ambtshalve maatregelen waren daarentegen volgens de appelrechters steeds mogelijk, met dien verstande dat de beslissing daartoe onderworpen was aan een rechterlijke controle, welke het treffen van die ambtshalve maatregelen evenwel niet hoefde vooraf te gaan in de tijd (bestreden arrest, pagina 5, vierde alinea tot en met pagina 6, eerste alinea). Zij oordelen tenslotte dat het niet aanvangen van de werken, ondanks bevelen daartoe van de verweerster, uitsluitend aan eiseres te wijten was en dat haar verweer tegen deze vaststelling bij proces-verbaal ongegrond was (bestreden arrest, pagina 6, tweede alinea). Op grond van het voorgaande konden de appelrechters evenwel niet wettig beslissen dat de vordering van de eiseres tot het bekomen van een schadevergoeding wegens eenzijdige, onrechtmatige verbreking van de overeenkomst door de verweerster, evenals de daaraan gekoppelde vordering tot kapitalisatie van de interesten ongegrond zijn. Eerste onderdeel Uit de bepaling van artikel 47 tweede lid AAV
(1977)volgt immers dat er slechts sprake is van "inactiviteit" van de aannemer zoals vermeld in artikel 48, §4, AAV
(1977), indien de aannemer binnen de gestelde termijn de hem verweten tekortkomingen niet heeft hersteld, noch zijn verweermiddelen heeft doen gelden. De artikelen 47, tweede lid en 48, §4, AAV
(1977)moeten bijgevolg op zodanige wijze uitgelegd worden dat een aannemer welke weliswaar in gebreke blijft om binnen de gestelde termijn de hem verweten tekortkomingen te herstellen doch tijdig zijn verweer geformuleerd heeft, niet kan geacht worden `inactief' te zijn gebleven, zodat daardoor het recht van het bestuur vervalt om maatregelen van ambtswege te nemen. Door te dezen te overwegen dat de ambtshalve maatregelen steeds mogelijk waren, ook in de hypothese waarin de eiseres binnen de door artikel 47, tweede lid, AAV
(1977)gestelde voorwaarden haar verweermiddelen had doen gelden, met dien verstande dat de beslissing daartoe onderworpen was aan een rechterlijke controle achteraf binnen de door de wet georganiseerde bewijsregeling (bestreden arrest, pagina 5, vierde alinea tot en met pagina 6, eerste alinea), geven de appelrechters derhalve een verkeerde interpretatie van de artikelen 47, tweede lid, en 48, §4, AAV
(1977)en de daaraan verbonden gevolgen. Zij stellen daardoor immers het verval van het recht van het bestuur om ambtshalve maatregelen te treffen, welk volgt uit het feit dat de aannemer binnen de wettelijke voorwaarden zijn verweer heeft doen gelden, afhankelijk van een voorwaarde die niet besloten ligt in deze wettelijke bepalingen, met name dat de rechter a posteriori vaststelt dat de verweermiddelen van de aannemer gegrond zijn. In zoverre de appelrechters op grond van deze overweging en na vaststelling dat het door de eiseres aangevoerde verweer tegen de vaststelling van het niet-aanvangen van de werken bij proces-verbaal van 30 april 1999 ongegrond was, de vorderingen van eiseres tot het bekomen van een schadevergoeding wegens eenzijdige, onrechtmatige verbreking van de overeenkomst door de verweerster en tot kapitalisatie van de interesten afwijzen, is hun beslissing dan ook niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 47, tweede lid, en 48, §4, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten). Tweede onderdeel De appelrechters miskennen tevens het beginsel van de integrale schadeloosstelling bij contractuele aansprakelijkheid, in zoverre zij op grond van de hierboven bekritiseerde interpretatie van de artikelen 47, tweede lid en 48, §4, AAV
(1977)en na vaststelling van de ongegrondheid van de door de eiseres ingeroepen verweermiddelen, weigeren aan de eiseres een volledige vergoeding, met inbegrip van gekapitaliseerde interesten, toe te kennen voor de schade die zij geleden heeft ingevolge de verbreking van de opdracht door de verweerster (schending van artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Op de door het bestuur overeenkomstig artikel 47, eerste lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten, hierna: AAV
(1977), vastgestelde inbreuken op de bepalingen van het contract, dient de aannemer krachtens artikel 47, tweede lid, van voormelde AAV
(1977)onmiddellijk zijn tekortkomingen te herstellen. Hij kan per aangetekende brief geadresseerd aan het bestuur binnen vijftien kalenderdagen na de verzendingsdatum volgens postmerk zijn verweermiddelen doen gelden. Het stilzwijgen van de aannemer wordt, na die termijn, als een erkenning van de vastgestelde feiten uitgelegd. Wanneer de aannemer tijdig zijn verweermiddelen doet gelden na ontvangst van een proces-verbaal waarin zijn tekortkomingen worden vastgesteld, vervallen de vermoede erkenning van aansprakelijkheid door de aannemer en het hieruit volgend recht aan het bestuur toegekend, om de in artikel 48, §4, genoemde maatregelen van ambtswege te treffen, met dien verstande dat het verval van de ambtshalve maatregelen zich niet voltrekt, ongeacht de beoordeling ten gronde van voormeld verweer.
  1. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het recht van het bestuur om ambtshalve maatregelen te nemen, steeds vervalt in geval van tijdig geformuleerd verweer, ook indien dit verweer naderhand door de rechter ongegrond wordt bevonden, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  2. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel tevergeefs bekritiseerde reden, mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 500,60 euro jegens de eisende partij en op de som van 296,53 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns en in openbare terechtzitting van 29 mei 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080529.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090903.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.