← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080603.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080603.5 Rolnummer: P.08.0729.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-06-12 Raadplegingen: 446 - laatst gezien 2026-07-03 09:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - TENUITVOERLEGGING VAN DE STRAFFEN - Externe rechtspositie veroordeelden - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. P.08.0729.N J H S D, veroordeelde tot een vrijheidsstraf, eiser, met als raadsman mr. Jeroen De Bruyn, advocaat bij de balie te Hasselt. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen, van 29 april

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 57 Wet Strafuitvoering: het bestreden vonnis bepaalt geen datum waar de eiser een nieuw verzoek omtrent een strafmodaliteit kan indienen of de directeur hieromtrent een nieuw advies moet uitbrengen.
  3. Wanneer de strafuitvoeringsrechtbank met toepassing van de artikelen 64 en 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering, de voorwaardelijke invrijheidstelling herroept en het gedeelte van de straf die nog moet ondergaan worden, bepaalt, is de daaropvolgende procedure tot toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de vrijheidstraffen van meer dan drie jaar geregeld door de artikelen 47 tot 58 van dezelfde wet. Hieruit volgt dat, in de regel ook de strafuitvoeringsrechtbank die de voorwaardelijke invrijheidstelling herroept, met toepassing van artikel 57 Wet Strafuitvoering in het vonnis de datum moet bepalen waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen of de datum waarop de directeur een nieuw advies moet uitbrengen.
  4. De strafuitvoeringsrechtbank moet deze verplichting evenwel niet naleven wanneer de herroeping gegrond is op artikel 64, 1 °, Wet Strafuitvoering, dit is wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de proeftermijn een wanbedrijf of een misdaad heeft gepleegd. In dat geval is het immers gelet op de eventuele straf die de veroordeelde ingevolge de nieuwe veroordeling moet ondergaan, en het ogenblik waarop de tenuitvoerlegging van die straf een aanvang neemt, mogelijk dat de veroordeelde binnen de door artikel 57 Wet Strafuitvoering bepaalde termijn nog niet in aanmerking komt voor een strafmodaliteit als bedoeld in Titel V van de voornoemde wet.
  5. Het bestreden vonnis beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van de eiser te herroepen op grond van artikel 64, 1 °, Wet Strafuitvoering. De strafuitvoeringrechtbank was derhalve niet verplicht de datum te bepalen waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen of de datum waarop de directeur een nieuw advies moet uitbrengen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is niet afdoende gemotiveerd daar het oordeelt dat het arrest van 5 maart 2008 van het Hof van Beroep te Antwerpen de eiser tot straf veroordeelt wegens mensenhandel terwijl het vermelde arrest hem voor dit feit vrijspreekt.
  7. Een onjuiste motivering levert geen motiveringsgebrek op. In zoverre faalt het middel naar recht.
  8. Artikel 64, 1 °, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het openbaar ministerie met het oog op de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit, de zaak bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig kan maken wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de proeftermijn een wanbedrijf of een misdaad heeft gepleegd.
  9. Het bestreden vonnis stelt vast dat het arrest van 5 maart 2008 van het Hof van Beroep te Antwerpen de eiser veroordeelt wegens "exploitatie van een minderjarige prostituee" en dat dit feit gepleegd werd tijdens de proeftermijn. Op grond van die reden is de beslissing de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen, naar recht verantwoord. Het middel dat niet opkomt tegen die reden, kan niet tot cassatie leiden en is in zoverre bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 5,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 3 juni 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080603.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180418.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.