← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080603.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080603.6 Rolnummer: P.08.0828.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-06-12 Raadplegingen: 634 - laatst gezien 2026-07-03 14:32 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Zo de ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter, voorafgaand aan het verlenen van een bevel tot aanhouding, een substantiële vormvereiste is die verband houdt met het recht van verdediging, is het bevel tot aanhouding evenwel regelmatig verleend wanneer de wettelijke verplichting van het voorafgaand verhoor niet kan worden nagekomen wegens overmacht

(1).
(1)Zie Cass., 8 nov. 2006, AR P.06.1391.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061108.11, met concl. van advocaat-generaal Vandermeersch; K.I. Gent, 27 april 2006, N.C., 2007, 79 met noot I. Mennes. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Aanhouding Vrije woorden: Ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter - Niet nakoming wegens overmacht Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2 Fiche 2 Een miskenning van het recht van verdediging kan niet worden afgeleid uit het enkele feit dat de verdachte, ingevolge overmacht niet werd ondervraagd door de onderzoeksrechter vooraleer deze een bevel tot aanhouding lastens hem verleend heeft
(1).
(1)Zie Cass., 8 nov. 2006, AR P.06.1391.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061108.11, met concl. van advocaat-generaal Vandermeersch; K.I. Gent, 27 april 2006, N.C., 2007, 79 met noot I. Mennes. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Aanhouding Vrije woorden: Bevel tot aanhouding - Ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter - Niet nakoming wegens overmacht Tekst van de beslissing Nr. P.08.0828.N H T D A, verdachte, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Liesbet Cottenie, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 mei
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 2, Wet Voorlopige Hechtenis: het bevel tot aanhouding is niet regelmatig bij afwezigheid van de verplichte voorafgaande ondervraging van de eiser door de onderzoeksrechter; bij gebreke hieraan werd eisers recht van verdediging miskend; de appelrechters hebben ten onrechte geoordeeld dat er te dezen sprake was van medische overmacht.
  3. Artikel 16, § 2, Wet Voorlopige Hechtenis bepaalt: "Tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, moet de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen horen. Bij ontstentenis van deze ondervraging, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld. Hij moet de verdachte eveneens meedelen dat tegen hem een aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en hij moet hem in zijn opmerkingen ter zake horen. Bij ontstentenis van de naleving van deze voorwaarden, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld. Al deze gegevens worden vermeld in het proces-verbaal van verhoor. Wanneer het bevel tot aanhouding wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 19, § 1bis, gebeurt deze ondervraging door middel van radio, telefoon, audiovisuele of andere technische middelen die een rechtstreekse overbrenging van de stem tussen de onderzoeksrechter en de verdachte toelaten en de vertrouwelijkheid van hun gesprek waarborgen."
  4. De ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter, voorafgaand aan het verlenen van een bevel tot aanhouding, is een substantiële vormvereiste die verband houdt met het recht van verdediging. Het bevel tot aanhouding is evenwel regelmatig verleend wanneer de wettelijke verplichting van het voorafgaand verhoor niet kan worden nagekomen wegens overmacht.
  5. De rechter beoordeelt in feite of de aangevoerde omstandigheden een geval van overmacht uitmaken. Het Hof is alleen bevoegd om te onderzoeken of de rechter uit de omstandigheden die hij in aanmerking neemt, al dan niet wettig overmacht heeft kunnen afleiden.
  6. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechters en het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
  7. De appelrechters stellen met verwijzing naar stukken vast dat de eiser weliswaar niet verhoord werd door de onderzoeksrechter, voorafgaand aan het verlenen van een bevel tot aanhouding, maar dat: - de onderzoeksrechter op 4 mei 2008 om 10.30 uur door de wetsgeneesheer ingelicht werd dat de eiser onverhoorbaar was tot 48 uren na zijn volledige ontlasting; - de onderzoeksrechter op 4 mei 2008 aan de gerechtelijke politie opdracht gaf contact te houden "met het CMC van de gevangenis te Sint-Gillis om betrokkene uit te halen en te verhoren nadat er 48 uur zullen verlopen zijn na zijn laatste ontlasting met bolletas" en vervolgens met hem contact op te nemen om de eiser voor te leiden; - deze plicht niet onmiddellijk kon uitgevoerd worden omdat de eiser na zijn laatste ontlasting op 5 mei 2008 om 11.10 uur in quarantaine verbleef ingevolge het vermoeden van een besmetting (attest van dokter de Dorlodot); - deze geneesheer pas op 14 mei 2008 gesteld heeft dat de eiser niet aan een besmettelijke ziekte lijdt zodat hij op 15 mei 2008 om 10.00 uur door de gerechtelijke politie verhoord werd.
  8. Op grond van die feitelijke vaststellingen vermochten de appelrechters wettig te oordelen dat de eiser ingevolge overmacht door de onderzoeksrechter niet kon verhoord worden, voorafgaand aan het verlenen van een bevel tot aanhouding, en dat het bevel tot aanhouding dat in die omstandigheden werd verleend, door geen onregelmatigheid is aangetast. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Voor het overige verloopt de rechtspleging tot handhaving van de voorlopige hechtenis volgens het voorschrift van de artikelen 21, 23 en 30 Wet Voorlopige Hechtenis op tegenspraak.
  10. Een miskenning van het recht van verdediging kan niet worden afgeleid uit het enkele feit dat de eiser, te weten de verdachte, ingevolge overmacht niet werd ondervraagd door de onderzoeksrechter vooraleer deze een bevel tot aanhouding lastens hem verleend heeft.
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de raadsman van de eiser de mogelijkheid werd verleend inzage in het dossier te hebben en de eiser vertegenwoordigd heeft zowel voor de raadkamer als voor de kamer van inbeschuldigingstelling alwaar namens de eiser een conclusie werd neergelegd. Aldus hebben de appelrechters met kennis van zaken, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van hun uitspraak en zonder miskenning van eisers recht van verdediging, uitspraak gedaan over de handhaving van diens voorlopige hechtenis. In zoverre kan het middel eveneens niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 53,99 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 3 juni 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080603.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131211.4 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170531.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061108.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110906.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120814.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121107.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.