← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.2 Rolnummer: C.06.0366.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-06-23 Raadplegingen: 938 - laatst gezien 2026-07-03 14:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De fout van een magistraat waarvoor de Staat, op basis van de artikelen 1382 en 1383 B.W., aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen; wanneer de betwiste handeling van een magistraat bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen voor diens fout aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm

(1).
(1)Zie Cass., 19 dec. 1991, AR 8970, A.C., 1991-92, nr. 215, met concl. eerste adv.-gen. VELU in Pas., 1992, nr. 215; Cass., 8 dec. 1994, AR C.93.0303.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941208.10, A.C., 1994, nr.
  1. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid - Rechterlijke macht Vrije woorden: Magistraat - Fout waarvoor de Staat aansprakelijk wordt gesteld Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid - Rechterlijke macht Vrije woorden: Fout van een magistraat - Handeling van de rechtsprekende functie - Aansprakelijkheid van de Staat Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Fiche 3 Met de toestand dat een betwiste handeling van een magistraat door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm, moet de toestand worden gelijkgesteld waarin de benadeelde buiten zijn toedoen tegen de litigieuze handeling geen rechtsmiddel kan aanwenden omdat de beslissing zelf ingetrokken is en de gelaedeerde juridisch geen aantoonbaar belang meer heeft om te vragen dat de litigieuze beslissing zou worden opzij geschoven. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid - Rechterlijke macht Vrije woorden: Magistraat - Betwiste handeling - Intrekking Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0366.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 115, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D. E., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest op 30 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. FEITEN
  2. In het raam van een strafonderzoek naar sigarettensmokkel wordt de verweerder op 12 juni 1985 aangehouden op bevel van de onderzoeksrechter, samen met andere verdachten. Hij was destijds hoofd van de dienst misdrijfvoorkoming. Hij wordt verdacht van mededaderschap aan misbruik van vertrouwen en passieve omkoping. Hij wordt op secreet geplaatst op bevel van de onderzoeksrechter tot 14 juni
  3. Op 14 juni 1985 bevestigde de Raadkamer het bevel tot aanhouding, maar oordeelde dat voorwaarden voor verdere hechtenis niet langer meer vervuld waren. Op het hoger beroep van het Openbaar Ministerie werd betrokkene ingevolge arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen op 25 juni 1985 in voorlopige vrijheid gesteld. Uiteindelijk werd betrokkene door de Raadkamer op 21 maart 1988 buiten vervolging gesteld, evenals alle andere inverdenkinggestelden op grond van een territoriale onbevoegdheid van de Belgische strafrechtbanken.
  4. Op 15 juli 1988 ging de verweerder over tot dagvaarding van de eiser voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel tot verkrijgen van schadevergoeding. Deze wees zijn vordering af als ongegrond.
  5. Op het hoger beroep van de verweerder wordt bij arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 30 mei 2005 een schadevergoeding toegekend ten bedrage van 3.000,00 euro, meer de vergoedende interest sedert 11 juni 1985 en de gerechtskosten van beide aanleggen ten laste van de eiser gelegd. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 12 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 1, 2, 3, 4 en 8 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis; - het algemeen rechtsbeginsel houdende het gezag van gewijsde in strafzaken; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet, uitgezonderd in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaarde en de kosten begrootte. Veroordeelt (de eiser) om aan (de verweerder) een bedrag van 3.000,00 euro te betalen, te vermeerderen met vergoedende interesten vanaf 11 juni 1985 tot op heden, vervolgens met moratoire interesten op het geheel vanaf heden. Veroordeelt partijen elk tot de helft der kosten van beide aanleggen". Het stelt het volgende vast op p. 2: "In het kader van een strafonderzoek wegens het verdwijnen van 15.000 kisten sigaretten voor een waarde van 2.500.000 USD werd (de verweerder) toen hoofd van de dienst misdrijfvoorkoming, met de titel van adjunct-commissaris-hoofdinspecteur, aangehouden met andere verdachten met in wezen, volgende motivering in het bevel van aanhouding van 11 juni 1985: ‘Aangezien er ernstige en uitzonderlijke omstandigheden bestaan die de openbare veiligheid raken en waarop de aanhouding van (de verweerder) gegrond is. (...) dat er ernstige bezwaren bestaan mede gezien de eensluidende verklaringen onder eed afgelegd die wijzen op corruptie; dat het onderzoek doet vermoeden dat er nog andere personen betrokken zijn en de vraag naar de motieven nog openblijft. Dat gezien de beroepsbekwaamheid en de mogelijkheden die daaruit voortvloeien om personen te benaderen en het onderzoek tegen te werken, (de verweerder) niet in vrijheid kan gesteld worden'. (De verweerder) werd verdacht van A. mededaderschap misbruik van vertrouwen, B. passieve omkoping van openbare ambtenaren om een misdaad of een wanbedrijf te plegen. Dit aanhoudingsbevel werd aan (de verweerder) betekend op 12 juni 1985 om 00.25 uur. Een beschikking van vrij verkeer werd op zelfde datum van 11 juni door de onderzoeksrechter uitgevaardigd en opgeheven vanaf 14 juni
  6. Op 14 bevestigde de raadkamer het bevel tot aanhouding niet om reden dat de voorwaarden van het bevel tot aanhouding niet meer bestonden. Na het hoger beroep van het Openbaar Ministerie stelde de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen hem op 25 juni 1985 in voorlopige invrijheidstelling". Het oordeelt op grond van de motieven op p. 4-5: "Uit de lezing van het strafdossier blijkt dat de aanhouding lichtvaardig is geweest. Het Openbaar Ministerie liet voor de kamer van inbeschuldigingstelling dd. 24 juni 1985 gelden dat (de verweerder) volgens de verklaringen van twee hoge ambtenaren van de Veiligheid van de Staat een jaar voordien getuige was geweest hoe de notoire smokkelaar van de partij sigaretten door deze dienst onder druk werd gezet en verweet hem dat hij desondanks met betrokkene verder vriendschappelijke betrekkingen bleef bewaren en zijn zoon en dochter er in dienst liet gaan. Het onderzoek start met de klacht van de raadsman van een firma te Liechtenstein die vaststelt dat een partij van 15.000 sigaretten met bestemming Dublin uit een schip verdwenen is en zich in een Antwerpse loods zouden bevinden. Het onderzoek wordt geïnitieerd na contact met het kantoor van deze raadsman. N. D. biedt zich aan bij de politie en legt er een verklaring af in verband met een schip. Vervolgens wordt, steeds in september 1983, de gewezen boekhouder van N. D. verhoord die een aantal smokkelaffaires aan het licht wil brengen en onder meer de vriendschappelijke banden van D. met (verweerder) beschrijft (...).Deze vriendschappelijke relaties worden bevestigd door een gewezen bediende van D.. (De verweerder), als politieofficier, verbonden aan de vreemdelingenpolitie, zou in de loop van 1981, mogelijk begin 1982, samen met andere personen, een lopende rekening hebben gekregen bij een benzinestation waar hij gratis mocht tanken en waar later ook zijn wagen gratis werd onderhouden. Herstellingen en onderhoud werden door D. betaald. Er werd verteld dat wanneer één van de zeemannen problemen had, die snel (door de verweerder) werden opgelost. De getuige was overtuigd dat (de verweerder) elke maand geld ontving. De gehandicapte dochter van (de verweerder) was daar ook tewerkgesteld. Zijn zoon deed er ook vakantiewerk. (De verweerder) deed ook verschillende reizen, die hij via de firma van D. zou hebben geboekt, o.a. naar Griekenland. Het onderzoek verliep verder met het verhoor van verschillende personen in verband met de activiteiten van D., die beschreven werd als een multimiljonair die wel twee miljoen per maand kon uitgeven. Op 11 juni 1985 werd (de verweerder) verhoord door de onderzoeksrechter en hij bevestigde zijn vriendschappelijke banden met N. D., maar ontkende ooit geld van hem ontvangen te hebben. Op zelfde datum werd V.R. verhoord die in verband met (de verweerder) verklaard: N. D. heb ik leren kennen na een verzoek van mijn hoofdbestuur in Brussel om hem over bepaalde zaken te verhoren in juli
  7. Na dit verzoek heb ik de vreemdelingenpolitie hier in Antwerpen gecontacteerd. Vermits ik de (verweerder) van deze dienst goed ken heb ik hem over D. gesproken en hij heeft D. op mijn verzoek naar mijn bureel verwezen voor verhoor. Het verhoor had betrekking op het feit dat D. ervan verdacht werd in verbinding te staan met de ETA, en zich in te laten met wapensmokkel'. (De verweerder) werd op 11 juni 1985 met verschillende personen geconfronteerd, waaruit geen enkele bezwarende elementen te zijnen laste te weerhouden zijn, nu de feiten van de vriendschappelijke relaties en voordelen die (de verweerder) of zijn kinderen uit deze banden trokken, dateerden van lang voor de feiten waarover de klacht ging. Het verwijt dat hem werd gedaan getuige te zijn geweest hoe N. D. door de dienst van de Veiligheid van de Staat onder druk werd gezet, werd niet nagetrokken, noch vóór het bevel tot aanhouding, noch nadien en is ook niet bewezen. Deze feiten dagtekenden van meerdere jaren voordien en de bundel bevatte vóór de aanhouding geen enkel gegeven waaruit kon blijken dat N. D., die daarenboven volgens de bundel een blanco strafregister heeft, voor de hem in juli 1982 ten laste gelegde feiten werd vervolgd of veroordeeld. Het is zelfs niet duidelijk of (de verweerder) wist waarover het verhoor door de dienst voor de Veiligheid van de Staat wel ging. Hij nam alleszins aan het verhoor niet deel. Trouwens de raadkamer handhaafde de voorlopige hechtenis niet, noch de kamer van inbeschuldigingstelling. Op deze grond dat de aanhouding lichtvaardig was, alleen al, dient er een nalatigheid in hoofde van de onderzoekers te worden aangehouden die het verantwoorden de vordering van (de verweerder) principieel gegrond te verklaren". Grieven De Belgische Staat kan op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk worden verklaard voor de schade ten gevolge van een door een rechter begane fout, wanneer die magistraat binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden heeft gehandeld of ieder redelijk en voorzichtig mens moet aannemen dat hij binnen die grenzen heeft gehandeld. Indien die handeling van de rechter evenwel het rechtstreeks voorwerp is van zijn rechtsprekende functie, is de vordering tot vergoeding van de schade tegen de Belgische Staat uitgesloten als de litigieuze handeling niet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm. Aan deze voorwaarde is niet voldaan wanneer het bevel tot aanhouding, uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in zijn hoedanigheid van rechter, zoals die voortspruit uit artikel 12 van de gecoördineerde Grondwet, overeenkomstig de artikelen 1, 2, 3, 4 en 8 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis binnen vijf dagen na de ondervraging van de verdachte bij zijn eerste verschijning bevestigd wordt door de raadkamer, onder de vaststelling dat de wettelijke voorwaarden tot het afleveren van het bevel tot aanhouding ten laste van de verdachte voorhanden waren op dat tijdstip. Integendeel, alsdan bij het niet aanvechten van deze beslissing van de raadkamer, de beslissing tot aanhouding in kracht van gewijsde treedt, zodat de regelmatigheid van het verleende aanhoudingsbevel, noch de lichtvaardigheid ervan, nimmer meer ter discussie kan worden gesteld. Minstens uit artikel 4 en 8 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis volgt dat na de eerste verschijning die regelmatigheid of lichtvaardigheid van het verleende bevel tot aanhouding niet meer onderzocht kan worden. Het bestreden arrest stelt op p. 2 vast dat de raadkamer bij de eerste verschijning op 14 juni 1985 het bevel tot aanhouding niet bevestigde, niet omdat de wettelijke voorwaarden tot het afleveren ervan niet voldaan waren, maar "om reden dat de voorwaarden van het bevel tot aanhouding niet meer bestonden", terwijl dit strookt met het voor eensluidend verklaard afschrift van de voormelde beschikking van de raadkamer, waaruit blijkt dat inderdaad, eensdeels, beslist werd "dat de beweegredenen van het bevel tot aanhouding niet meer bestaan", maar dat daarentegen voordien geoordeeld werd, anderdeels, "dat de wettelijke voorwaarden tot het afleveren van het bevel tot aanhouding ten laste van (de verweerder) voorhanden waren". Aldus de aanhouding van de verweerder, die noodzakelijkerwijs enkel op bevel van de onderzoeksrechter kon worden bevolen, bij beschikking van de raadkamer van 14 juni 1985 in overeenstemming met de wet werd bevonden, wat uitsluit dat de Staat bij gebreke aan begane tekortkoming door de onderzoeksrechter aansprakelijk kan worden verklaard voor dit wettig bevonden optreden van haar orgaan. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing, dat eiser aansprakelijk is en 3.000,00 euro, meer de vergoedende interest sedert zijn aanhouding op 11 juni 1985 dient te betalen aan verweerder als schadevergoeding op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, omdat "(zijn) aanhouding lichtvaardig is geweest", niet wettig verantwoordt, nu het niet de onderzoekers zijn die tot zijn aanhouding konden overgaan, maar enkel en uitsluitend een rechter (schending van artikel 12 van de gecoördineerde Grondwet) middels een aanhoudingsbevel, afgeleverd door de onderzoeksrechter, die oordeelde dat voldaan was aan de wettelijke voorwaarden (schending van de artikelen 1, 2, 3, 4 en 8 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis) en dat zijn geldigheid heeft behouden nu het niet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm, zoals dat het geval is geweest met het bevel tot aanhouding van 11 juni 1985 van de verweerder, waarvan de wettigheid tot het afleveren ervan bij de eerste verschijning door de raadkamer op 14 juni 1985 werd bevestigd zonder dat dit oordeel bestreden werd, hetgeen elke aansprakelijkheid van de eiser uitsluit, doordat vaststaat dat de onderzoeksrechter geen enkele fout beging, laat staan overging tot een lichtvaardige aanhouding (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  8. De fout van een magistraat waarvoor de Staat, op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.
  9. Wanneer de betwiste handeling, zoals te dezen, bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm. Hiermede moet de toestand worden gelijkgesteld waarin de benadeelde buiten zijn toedoen tegen de litigieuze handeling geen rechtsmiddel kan aanwenden omdat de beslissing zelf ingetrokken is en de gelaedeerde juridisch geen aantoonbaar belang meer heeft om nog te vragen dat de litigieuze beslissing zou worden opzij geschoven.
  10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerder bij gebrek aan belang geen rechtsmiddel kon aanwenden tegen de beslissing van de raadkamer dat de wettelijke voorwaarden tot het afleveren van het bevel tot aanhouding ten laste van de verweerder voorhanden waren nu de raadkamer besliste dat de aanhouding niet langer kon worden gehandhaafd.
  11. Het middel dat er in deze omstandigheden van uitgaat dat elke aansprakelijkheid van de eiser is uitgesloten nu het aanhoudingsbevel zijn geldigheid heeft behouden omdat het niet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm, kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 176,49 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 5 juni 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181012.1 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.007 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.852 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941208.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.