id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.2 Rolnummer: C.07.0121.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-07-01 Raadplegingen: 644 - laatst gezien 2026-07-03 09:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De appelrechter die het beroepen vonnis wijzigt en bijgevolg anders dan de eerste rechter uitspraak doet over het geschil, dient de zaak niet naar de eerste rechter te verwijzen, ook al bevestigt hij de in het beroepen vonnis bevolen onderzoeksmaatregel
(1)Cass., 26 jan. 2007, AR C.06.0077.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.2, A.C., 2007, nr. ... In het dictum verwijst het geannoteerde arrest de zaak evenwel "terug" naar het(zelfde) hof van beroep. Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering Vrije woorden: Onterechte beslissing in hoger beroep tot verwijzing naar de eerste rechter - Vernietiging zonder verwijzing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1068 en 1110 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0121.N AVECOR CARDIOVASCULAR LIMITED, vennootschap naar Schots recht, in vereffening, met zetel te London W1 H7LW (Verenigd Koninkrijk), One Great Cumberland, Place Marble Arch, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. TWINS, naamloze vennootschap, met zetel te 1910 Kampenhout, Oudestraat 83, 2. Q P & S, naamloze vennootschap, met zetel te 1910 Kampenhout, Oudestraat 83, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 september 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het aangevochten arrest bevestigt de bestreden vonnissen, in zoverre de vorderingen van de eerste verweerster ontvankelijk werden verklaard en de vorderingen tot het betalen van een schadevergoeding wegens miskenning van de goede trouw en wegens diverse fouten voor de opzegging en tijdens de opzegperiode ongegrond werden verklaard en een onderzoeksmaatregel werd bevolen, doch doet de bestreden vonnissen teniet voor het overige en opnieuw beslissend, stelt, onder meer, voor recht dat (
- i)de eiseres een opzegtermijn van vierentwintig maanden had moeten toekennen zodat de eerste verweerster aanspraak mag maken op een vervangende opzegvergoeding berekend op grond van een bijkomende opzegtermijn van veertien maanden, alsmede dat (
- ii)de eerste verweerster een aanspraak mag maken op een billijke bijkomende vergoeding voor aanbreng van cliënteel, gelijk aan negen maande brutowinst en, tenslotte, dat (iii) het aan de eerste rechter behoort verder uitspraak te doen over deze beider vergoedingen en verwijst de zaak opnieuw naar de eerste rechter, op grond van de volgende motieven: "De eerste rechter heeft een deskundige aangesteld met als opdracht zijn advies te verstrekken voor deze vergoeding, rekening houdend met de gemiddelde nettowinst (voor belastingen) die (de eerste verweerster) verwezenlijkte tijdens een periode van twee jaren voor de opzegging, vermeerderd met de niet-samendrukbare kosten, voortvloeiend uit de distributierelatie en die ondanks de beëindiging van deze relatie een kost zullen blijven uitmaken voor de concessiehouder. Hiermee heeft hij uiteraard de nettowinst en kosten bedoeld die verband houden met de producten die het voorwerp uitmaken van de door (de eiseres) verleende concessie. Aangezien het niet mogelijk is een beslissing te nemen over de gevorderde opzegvergoeding, zonder deze te gronden op de resultaten van deze onderzoeksmaatregel en de beoordeling daarvan, moet deze maatregel worden bevestigd en moet, krachtens artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de zaak op dit punt worden verzonden naar de eerste rechter". Grieven Na in zijn eerste lid de algemene draagwijdte van de devolutieve kracht van het hoger beroep te hebben geponeerd, dat zowel inzake hoger beroep gericht tegen een eindvonnis als tegen een vonnis alvorens recht te doen de gehele zaak aanhangig maakt bij de appelrechter, formuleert artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, in zijn tweede lid, een uitzondering op deze algemene regel met name dat de appelrechter de zaak "alleen dan naar de eerste rechter, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt". Deze uitzonderingsregel geldt echter niet wanneer de appelrechter, na het beroepen vonnis te hebben tenietgedaan, op eigen gronden een onderzoeksmaatregel beveelt. Alsdan vermag hij de zaak niet terug te verwijzen naar de eerste rechter, zelfs al wordt voor het geheel of voor een deel van de punten waarover de appelrechter uitspraak doet een aan de eerste rechter gelijklopende opdracht aan dezelfde deskundige toevertrouwd. In casu oordeelde de eerste rechter dat de eiseres een opzegtermijn van twintig maanden had dienen te geven en eerste verweerster, bijgevolg, gelet op de gegeven opzeg van tien maanden, nog recht had op een compensatoire opzeggingsvergoeding van tien maanden. Ter berekening van deze vergoeding werd een gerechtsdeskundige aangesteld. Aangaande de bijkomende billijke cliënteelvergoeding beval de eerste rechter een heropening van de debatten. De door de eerste rechter bevolen expertisemaatregel steunt op de noodzaak de gemiddelde nettowinst vóór belastingen van de eerste verweerster tijdens een periode van twee jaren vóór de opzegging, vermeerderd met de niet-samendrukbare kosten, voortvloeiend uit de distributierelatie en die ondanks de beëindiging van deze relatie een kost zullen blijven uitmaken voor de concessiehouder, te berekenen met het oog op de bepaling van de compensatoire opzeggingsvergoeding. Alhoewel deze expertisemaatregel door het aangevochten arrest wordt bevestigd, vernietigt dit laatste evenwel de bestreden vonnissen, onder meer, op het punt van de berekening van de compensatoire opzeggingsvergoeding en van de billijke bijkomende vergoeding op grond waarvan precies de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel was geschraagd. Opnieuw wijzend beslist het aangevochten arrest op eigen gronden, als volgt: Terwijl de eerste rechter een opzegtermijn van twintig maanden had toegekend, kennen de appelrechters er één van vierentwintig maanden toe. De beslissing tot expertisemaatregel steunt dus noodzakelijkerwijze op eigen motieven en is dus geen bevestiging van de instructiemaatregel zoals bevolen door de eerste rechter. Ook op het punt van de billijke bijkomende vergoeding beslist het aangevochten arrest anders dan de eerste rechter: het aangevochten arrest kent de eerste verweerster een billijke bijkomende vergoeding toe van negen maanden terwijl de eerste rechter op dit punt slechts de heropening van de debatten had bevolen. Van enige deskundige opdracht zoals bevolen door de eerste rechter aangaande dit deel van de vordering was dan ook geen sprake zodat het aangevochten arrest bovendien desaangaande zelfs geen onderzoeksmaatregel toegekend door de eerste rechter überhaupt kon bevestigen. Na het beroepen vonnis, onder meer, op het punt van de opzegtermijn en compensatoire opzeggingsvergoeding alsmede op het punt van de billijke bijkomende vergoeding te hebben tenietgedaan, en, in strijd met hetgeen de eerste rechter had beslist, een langere opzegtermijn en een billijke bijkomende vergoeding te hebben toegekend, vermocht het aangevochten arrest, zelfs indien het, zoals de eerste rechter, een expertisemaatregel beval, de zaak niet terug te verwijzen naar de eerste rechter zonder artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek te schenden. Door de betwisting aangaande de billijke bijkomende vergoeding waarvan hij gevat was in hoger beroep terug te zenden naar de eerste rechter die op dit punt slechts de debatten had heropend en zich desaangaande nog niet had uitgesproken, miskent het aangevochten arrest bovendien het beginsel van de devolutieve kracht van het hoger beroep en, mitsdien, artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 742 (zoals gewijzigd door de artikel 9 van de wet van 24 juni 1970), 743 (zoals vervangen door artikel 18 van de wet van 3 augustus 1992), 744, 745 (zoals toegevoegd door artikel 19 van de wet van 3 augustus 1992), 746, 747, §2, (zoals vervangen door artikel 20 van de wet van 3 augustus 1992 en vervangen (door) artikel 1, 1°, van de wet van 23 maart 1995 en aangevuld door artikel 38 van de wet van 23 december 2005), 748 (zoals vervangen door artikel 21 van de wet van 3 augustus 1992 en gewijzigd door artikel 2 van de wet van 23 maart 1995) en 807 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat het respect van de rechten van de verdediging oplegt; - het beschikkingsbeginsel. Aangevochten beslissingen Het aangevochten arrest veroordeelt de eiseres tot het betalen aan de eerste verweerster van een provisioneel bedrag van 100.000,00 euro op grond van de volgende motieven: "Op de pleitzitting van 23 mei 2006 heeft (de eerste verweerster) gevraagd dat, indien het hof de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel zou bevestigen en nog geen definitieve uitspraak zou doen over de gevorderde vervangende opzegvergoeding en billijke bijkomende vergoeding, toch reeds een provisie zou worden toegekend. De rechter in hoger beroep die, na de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel te hebben bevestigd, oordeelt dat een vordering reeds gegrond voorkomt voor een provisioneel bedrag, neemt een beslissing die vreemd is aan deze onderzoeksmaatregel (Cass., 20 oktober 2000, R.W., 2000-01, 1614). Rekening houdend met alle vorige overwegingen, moet (de eiseres) worden veroordeeld tot het betalen van een provisioneel bedrag van 100.000,00 euro". Grieven Eerste onderdeel Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek is het recht van een partij om zijn vordering uit te breiden of te wijzigen onderworpen aan het bestaan van op tegenspraak genomen schriftelijke conclusies. Dit is een uiting van het beschikkingsbeginsel krachtens hetwelk de rechter zijn beslissing in geen geval vermag te steunen op feiten waarover geen debat tussen partijen is gevoerd. Zodoende schendt de rechter niet alleen het beschikkingsbeginsel doch eveneens het algemeen rechtsbeginsel dat het respect van de rechten van de verdediging oplegt hetgeen impliceert dat aan een partij, geconfronteerd met een nieuwe vordering, daarenboven voor het eerst mondeling geformuleerd tijdens de pleitzitting, de mogelijkheid wordt gegeven daarop schriftelijk te reageren. In casu vorderde eerste verweerster, zoals het aangevochten arrest het zelf benadrukt, pas "op de pleitzitting van 23 mei 2006" en op mondelinge wijze, een provisionele veroordeling zonder dat deze vordering ooit in beroepsconclusies of in de akte van hoger beroep was gevorderd geworden. De eiseres had bijgevolg niet de mogelijkheid zich daartegen schriftelijk te verweren. Door, louter op grond van een vordering voor het eerst mondeling geformuleerd op de pleitzitting van 23 mei 2006, de eiseres te veroordelen "tot het betalen van een provisioneel bedrag van 100.000,00 euro", miskent het aangevochten arrest de wettelijke term "conclusies" en mitsdien, de artikelen 742, 743, 744, 745, 746, 747, 478 en 807 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede niet enkel het beschikkingsbeginsel doch eveneens het algemeen rechtsbeginsel dat het respect van de rechten van de verdediging oplegt. Tweede onderdeel Krachtens artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek worden, onverminderd de toepassing van de uitzonderingen bedoeld in artikel 748, §§1 en 2, de conclusies die zijn overgelegd na het verstrijken van de termijnen vooropgesteld door de rechter, ambtshalve uit de debatten geweerd en kan op de rechtsdag de meest gerede partij een op tegenspraak gewezen vonnis vorderen. Paragraaf 2 van artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek laat aan een partij toe om nieuwe conclusietermijnen te verzoeken indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een "nieuw en ter zake dienend stuk of feit" heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt. Uit de samenlezing van beide artikelen volgt dat wanneer een zaak op grond van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek staat vastgesteld, tenzij "nieuw en ter zake dienend stuk of feit", de rechter het nemen van nieuwe conclusies, ook mondeling genomen, niet meer vermag toe te laten zonder de procedure vooropgesteld in beide artikelen na te leven die, onder meer, de mogelijkheid geven aan de andere in het geding zijnde partijen om aangaande de opportuniteit van nieuwe conclusies in het licht van de beweerdelijk nieuwe en dienende stukken of feiten hun opmerkingen te laten gelden. In casu vorderde de eerste verweerster, zoals het aangevochten arrest het zelf benadrukt, pas "op de pleitzitting van 23 mei 2006" en, ofschoon de zaak op grond van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek stond vastgesteld, een provisionele veroordeling zonder dat deze vordering ooit in beroepsconclusies of in de akte van hoger beroep was gevorderd geworden en zonder dat de pleegvormen van artikel 748, §2, van het Gerechtelijk Wetboek door de verweerster waren inachtgenomen, onder meer, teneinde de rechten van de verdediging van de andere in het geding betrokken partijen te beschermen. De eiseres had bijgevolg niet de mogelijkheid zich tegen deze nieuwe vordering schriftelijk te verweren noch, conform het derde lid van §2 van artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek, haar opmerkingen desaangaande te laten geworden. Door, niettegenstaande de zaak stond vastgesteld op grond van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, de eiseres, op grond van een vordering vanwege de verweerster voor het eerst mondeling geformuleerd op de pleitzitting van 23 mei 2006, te veroordelen "tot het betalen van een provisioneel bedrag van 100.000,00 euro", miskent het aangevochten arrest de draagwijdte van de artikelen 747, §2, en 748 van het Gerechtelijk Wetboek evenzoals het algemeen rechtsbeginsel dat het respect van de rechten van de verdediging oplegt alsmede de artikelen 742, 743, 744, 745 en 746 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Luidens artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, verwijst de rechter in hoger beroep de zaak alleen dan naar de eerste rechter indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt. 2. Wanneer de appelrechter het beroepen vonnis wijzigt en bijgevolg anders dan de eerste rechter uitspraak doet over het geschil, dient hij de zaak niet naar de eerste rechter te verwijzen, ook al bevestigt hij de in het beroepen vonnis bevolen onderzoeksmaatregel. 3. De appelrechters wijzigen het beroepen vonnis en doen uitspraak, anders dan de eerste rechter, over de compensatoire opzeggingsvergoeding en over een billijke bijkomende vergoeding voor aanbreng van cliënteel die de eiseres, ingevolge de beëindiging van de concessieovereenkomst, aan de eerste verweerster moet betalen. Voorts bevestigen de appelrechters de in het beroepen vonnis bevolen onderzoeksmaatregel op grond van de gewijzigde beslissing. 4. De appelrechters die de zaak verwijzen naar de eerste rechter, miskennen voormelde wetsbepaling. Het middel is gegrond. Tweede middel Eerste onderdeel 5. Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. De vermindering door een partij van haar oorspronkelijke vordering tot een louter provisionele veroordeling voor een deel van het oorspronkelijk bedrag, maakt geen uitbreiding of wijziging van vordering uit in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek en kan dienvolgens mondeling en ook bij verstek worden geformuleerd. 6. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de vraag van een partij vooralsnog provisioneel een deel van haar vordering toe te kennen, gelijkstaat met een uitbreiding of wijziging van vordering in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek en die zodoende bij conclusie op tegenspraak moet plaatsvinden, faalt naar recht. 7. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 742 tot en met 748 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals van het algemeen rechtsbeginsel dat strekt tot eerbiediging van het recht van verdediging en het beschikkingsbeginsel, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 8. Het onderdeel gaat er volledig van uit dat de vraag van een partij om vooralsnog provisioneel een deel van haar vordering toe te kennen, gelijkstaat met een uitbreiding of wijziging van vordering in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek en die zodoende bij conclusie op tegenspraak moet plaatsvinden en binnen de overeenkomstig artikel 747, §2, en 748, §§1 en 2, bepaalde conclusietermijnen. 9. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat deze stelling onjuist is. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht. 10. Het onderdeel dat schending aanvoert van de artikelen 742 tot en met 746 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals van het algemeen rechtsbeginsel dat strekt tot eerbiediging van het recht van verdediging, is voorts afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 747 en 748 van hetzelfde wetboek en bijgevolg niet ontvankelijk. Verwijzing 11. Het hof van beroep dat ten onrechte de zaak heeft verwezen naar de eerste rechter, moet de zaak verder behandelen. Er is geen aanleiding tot verwijzing naar een ander hof van beroep. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de zaak verwijst naar de eerste rechter. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak terug naar het Hof van Beroep te Brussel. De kosten begroot op de som van 677,91 euro jegens de eisende partij en op de som van 163,10 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 12 juni 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.2 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080905.1 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100129.4 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051014.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div