id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.4 Rolnummer: C.07.0294.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2008-07-01 Raadplegingen: 252 - laatst gezien 2026-07-03 04:18 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Behoudens wanneer het optreden van de rechter in kort geding niet verenigbaar is met de wetten en beginselen houdende regeling van de bevoegdheid van de strafgerechten, vormt de omstandigheid dat de ogenschijnlijk onrechtmatige handeling van de overheid afhangt van een strafvordering geen beletsel voor dat optreden
(1).
(1)Zie Cass., 21 maart 1985, AR 7189, A.C., 1984-1985, nr. 445. Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Ogenschijnlijk onrechtmatige overheidshandeling die afhangt van een strafvordering - Dringende en voorlopige maatregelen - Bevoegdheid van de rechter in kort geding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, tweede lid Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Ogenschijnlijk onrechtmatige overheidshandeling die afhangt van een strafvordering - Dringende en voorlopige maatregelen - Bevoegdheid van de rechter in kort geding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, tweede lid Fiche 3 In tegenstelling tot de beslissingen van de commissie tot bescherming van de maatschappij die het statuut van de geïnterneerde niet wijzigen en slechts een uitvoeringsmaatregel van de internering betreffen, maakt de bevestiging van de afwijzing van de invrijheidstelling een noodzakelijke aanvulling uit van het vonnis of arrest dat de internering voor onbepaalde tijd heeft gelast en vertoont deze beslissing het karakter van een jurisdictionele beslissing
(1).
(1)Zie Cass., 3 maart 1998, AR P.97.1683.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980303.6, A.C., 1998, nr.
- Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - COMMISSIE TOT BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - Rechtspleging UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Beslissing tot afwijzing van de invrijheidstelling - Karakter van de beslissing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 18, eerste en tweede lid, 19bis en 19ter Fiches 4 - 5 Wanneer de kortgedingrechter een justitiële beslissing inzake internering van de hiertoe wettelijk bevoegde instantie ongedaan maakt, weze het voorlopig, is een onverenigbaarheid met de wetten en beginselen houdende regeling van de bevoegdheid van de strafgerechten voorhanden en overschrijdt hij aldus zijn beoordelingsbevoegdheid. Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Bevoegdheid - Justitiële beslissing inzake internering door wettelijk bevoegde instantie - Dringende en voorlopige maatregelen - Bevoegdheid van de rechter in kort geding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Justitiële beslissing inzake internering door wettelijk bevoegde instantie - Dringende en voorlopige maatregelen - Bevoegdheid van de rechter in kort geding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584 Annotaties Publicaties: T.Straf. - X; Noot - 2009, 19-20 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0294.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kantoor te 1040 Brussel, Handelsstraat 76-80, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen H.P., aan wie rechtsbijstand werd verleend op 3 juli 2007 onder nummer G.07.0150.N, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 maart 2007 gewe¬zen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 8, 9, 556, 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1, 7, 16, 18, 19 en 19ter van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Ontvangt het hoger beroep en het incidenteel beroep; Verklaart het incidenteel beroep ongegrond en het hoger beroep in de volgende mate gegrond; hervormt de bestreden beschikking in de mate dat het de vordering van (de verweerder) ongegrond heeft verklaard en desbetreffend opnieuw recht sprekend: Schorst de beslissingen van de Commissie tot bescherming van de maatschappij van 18 september 2006 en van de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij van 19 oktober 2006 bij hoogdringendheid voorlopig op en beveelt de voorlopige invrijheidsstelling van (de verweerder) uit de instelling in Merksplas, tenzij hij voor andere redenen zou zijn aangehouden; (...) Verwijst (de eiser) in de kosten van beide aanleggen, begroot in hoofde van (de verweerder) op (...)". Op grond van de motieven op p. 6: "Terecht heeft de kortgedingrechter zich ter zake bevoegd verklaard. (De verweerder) voert de hoogdringendheid aan. Hij voert een schending van zijn subjectieve rechten aan doordat hij geïnterneerd blijft terwijl hij door de correctionele rechter sedertdien toerekeningsvatbaar werd verklaard op basis van het advies van vier psychiaters, bij vonnis dat definitief is. Hij beroept zich tevens op artikel 5.
- e, EVRM en stelt dat hij ten onrechte in een psychiatrische instelling gehouden wordt hoewel vaststaat dat hij niet in staat van krankzinnigheid of ernstige staat van geestesstoornis of zwakzinnigheid verkeert. De kortgedingrechter is bevoegd om deze feitelijkheid bij hoogdringendheid te beoordelen. Het incidenteel beroep is dan ook ongegrond". Grieven De rechter in kort geding is bevoegd op grond van de artikelen 8, 9, 556, 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek om in de gevallen die hij spoedeisend acht bewarende maatregelen te nemen als een bestuurshandeling een ogenschijnlijke foutieve aantasting van subjectieve rechten inhoudt en hij kan de schorsing van die akte bevelen wanneer het geschil rechtstreeks betrekking heeft op de miskenning door het bestuur van het bestaan van een subjectief recht of op het herstel van de schade die volgt uit zijn miskenning. Maar op grond van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter in kort geding evenwel niet tussenkomen wanneer het aan hem gevraagde optreden onverenigbaar is met een wetsbepaling of rechtsbeginsel dat de strafvordering beheerst, met inbegrip van de bevoegdheidsregels en de regeling inzake de uitoefening en de in staatstelling van de strafvordering, alsook de daaropvolgende berechting, bestraffing en duur van de effectieve vrijheidsberoving. De beslissing waarbij de Commissie tot bescherming van de maatschappij, bij toepassing van artikel 18 van de aangehaalde wet van 9 april 1930, of de hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij, bij toepassing van artikel 19 van voormelde wet in graad van beroep, uitspraak doet over de vraag of de geïnterneerde voorgoed of op proef in vrijheid zal worden gesteld, wanneer zijn geestestoestand voldoende verbeterd is en de voorwaarden van zijn reclassering vervuld zijn, de werkelijke duur van de door het strafgerecht bevolen vrijheidsberoving nader bepaalt en het statuut van de geïnterneerde wijzigt. Artikel 18, lid 4, van voormelde wet voorziet zelfs dat de voorzitter van de Commissie tot bescherming van de maatschappij de voorlopige invrijheidsstelling van de geïnterneerde kan gelasten in dringende gevallen. Als noodzakelijke aanvulling van het vonnis of arrest dat de internering voor onbepaalde tijd heeft gelast, hebben voormelde beslissingen betrekking op de persoonlijke vrijheid en vertonen zij het karakter van een gerechtelijke beslissing, die uiteindelijk vatbaar is voor cassatieberoep krachtens de artikelen 19 en 19ter van de aangehaalde wet van 9 april
- De gerechtelijke beslissingen in uitvoering van de bevoegdheidstoebedelingen waarvan sprake omtrent de invrijheidsstelling van de geïnterneerde behoren tot de wettelijke regeling van de vrijheidsberoving in strafzaken en verzetten zich tegen het optreden van de rechter in kort geding in deze materie. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat de rechter in kort geding bevoegd is om bij hoogdringendheid de beslissingen van de Commissie tot bescherming van de maatschappij van 18 september 2006 en van de Hoge Commissie tot Bescherming van de maatschappij van 19 oktober 2006 te schorsen en de voorlopige invrijheidstelling van de verweerder uit de instelling in Merksplas te bevelen, omdat dit gevraagde optreden (schending van de artikelen 8, 9, 556, 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek) krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek onverenigbaar is (schending van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek) met de wettelijke regeling van de vrijheidsberoving via internering in strafzaken (schending van de artikelen 1, 7, 16, 18, 19 en 19 ter van de aangehaalde wet van 9 april 1930). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 9, 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 18 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Ontvangt het hoger beroep en het incidenteel beroep; Verklaart het incidenteel beroep ongegrond en het hoger beroep in de volgende mate gegrond; hervormt de bestreden beschikking in de mate dat het de vordering van (de verweerder) ongegrond heeft verklaard en desbetreffend opnieuw recht sprekend: Schorst de beslissingen van de Commissie tot bescherming van de maatschappij van 18 september 2006 en van de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij van 19 oktober 2006 bij hoogdringendheid voorlopig op en beveelt de voorlopige invrijheidsstelling van (de verweerder) uit de instelling in Merksplas, tenzij hij voor andere redenen zou zijn aangehouden; (...) Verwijst (de eiser) in de kosten van beide aanleggen, begroot in hoofde van (verweerder) op (...)". na vastgesteld te hebben op p. 5: "De Commissie tot bescherming van de maatschappij besliste in haar vergadering van 18 september 2006 tot het behoud van (de verweerder) in Merksplas ‘aangezien uit de bestanddelen van de zaak te besluiten is dat de geestestoestand van (de verweerder) niet voldoende verbeterd is en dat er zich geen mogelijkheid van wederaanpassing aftekent die voor de maatschappij voldoende waarborgen zou bieden tegen gevaar'. (De verweerder) tekende beroep aan en de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij wees bij beslissing van 19 oktober 2006 zijn beroep af met de motivering: ‘(...) dat uit het onderzoek van het dossier en de debatten blijkt dat de geestestoestand van (de verweerder) onvoldoende is verbeterd en dat de voorwaarden voor zijn reclassering niet zijn vervuld; meer bepaald tekenen zich onvoldoende concrete mogelijkheden tot reclassering af wat betreft nuttige werkzaamheden, vaste verblijfplaats en inkomen, die voor de maatschappij voldoende waarborgen tegen gevaar veroorzaakt door de betrokkene bieden'. en op p. 6: "Zowel de beslissing van de Commissie als die van de Hoge Commissie hebben het behoud van (de verweerder) in Merksplas beslist op basis van het feit dat zijn geestestoestand onvoldoende is verbeterd en dat zijn reclasseringsvoorwaarden niet vervuld zijn". Grieven Eerste onderdeel Naar luid van de artikelen 9, 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, doet de rechter in kort geding bij voorraad uitspraak in de gevallen die hij spoedeisend acht. Overeenkomstig artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht bevelen indien er een schijn van recht is die het nemen van een beslissing verantwoordt. De rechter in kort geding overschrijdt de grenzen van zijn bevoegdheid, als hij bij zijn onderzoek van de ogenschijnlijke rechten van partijen, rechtsnormen betrekt of weigert te betrekken in zijn redenering, op een wijze die de voorlopige maatregelen die hij beveelt niet redelijk (kunnen) schragen. Krachtens artikel 18 van de aangehaalde wet van 9 april 1930 kan de geïnterneerde "(...) voorgoed of op proef in vrijheid (...) worden gesteld, wanneer zijn geestestoestand voldoende verbeterd is en de voorwaarden voor zijn reclassering vervuld zijn". Derhalve de enkele verbeterde geestestoestand niet volstaat om in vrijheid te worden gesteld, vermits daarnaast ook de voorwaarden voor de reclassering vervuld moeten zijn. Aldus kan een bevolen voorlopige invrijheidstelling niet redelijk geschraagd worden door de enkele vastgestelde verbetering van de geestestoestand van de verweerder, zonder dat tevens vastgesteld is dat de voorwaarden voor de reclassering vervuld zijn. De appelrechter (houdt) met deze wettelijke vereiste geen rekening (...) op kennelijk onredelijke wijze. Hieruit volgt dat het bestreden arrest door, bij hoogdringendheid de beslissingen van de Commissie tot bescherming van de maatschappij van 18 september 2006 en van de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij van 19 oktober 2006 te schorsen en de voorlopige invrijheidstelling van verweerder uit de instelling in Merksplas te bevelen, de grens van zijn bevoegdheid overschrijdt (schending van de artikelen 9, 584, en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek), door op kennelijk onredelijke wijze in zijn redenering de wettelijk gestelde vereiste niet te betrekken, dat dergelijke voorlopige invrijheidsstelling slechts kan dan mits ook de voorwaarden voor de reclassering van de verweerder vervuld zijn (schending van artikel 18 van de aangehaalde wet van 9 april 1930) en niet wettig verantwoord is door niet vastgesteld te hebben dat hieraan voldaan was (schending van artikel 18 van de aangehaalde wet van 9 april 1930). Tweede onderdeel De eiser in regelmatig genomen conclusie in beroep, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 29 januari 2007, opwierp op p. 8 en 9: "
- De beslissing van de Commissie en de Hoge Commissie is bovendien niet kennelijk onrechtmatig. Dat de maatregel van kracht gebleven is ook na de veroordeling door de Correctionele Rechtbank te Veurne van 27 juni 2006 is volledig conform de wet. De maatregel van internering (die geen straf is!) is immers in essentie een beschermingsmaatregel voor onbepaalde termijn. De internering is een niet-repressieve vrijheidsberoving die in essentie van onbepaalde duur is. De latere veroordeling door de Correctionele Rechtbank te Veurne doet daaraan geen afbreuk. De commissies dienen te onderzoeken of al dan niet een invrijheidstelling op proef kan worden toegekend. Om deze invrijheidstelling te genieten moet de (geïnterneerde) volgens artikel 18 van 1 juli 1964 voldoen aan twee voorwaarden, die cumulatief dienen vervuld te zijn:
- de geestestoestand moet voldoende verbeterd zijn en
- de voorwaarden, voor reclassering moeten vervuld zijn. Volgens de recentste verslagen lijdt (de verweerder) niet meer aan een geestesstoornis die het hem onmogelijk maakt zijn daden te controleren. De CBM oordeelt echter autonoom of die gegevens voldoende zijn om aan te nemen dat de geestestoestand van de betrokkene voldoende verbeterd is om hem in vrijheid te stellen op proef. (De verweerder) is ervan overtuigd dat hij niet meer in de voorwaarden voor een interneringsmaatregel verkeert. Het enkele feit dat (de verweerder) toerekeningsvatbaar zou zijn is echter onvoldoende om tot invrijheidstelling te beslissen. Indien men toerekeningsvatbaar zou zijn verklaard, dan is het immers bovendien nog vereist dat de voorwaarden voor de reclassering vervuld zijn. Uit de voorliggende rapporten bleek echter dat er van een reëel reclasseringsplan geen sprake was.
- Ter illustratie verwijst (de eiser) naar het verslag van Drs. psychiaters De Laender en Geens van 5 september 2006 (stuk 5): "Bij reconstructie van de feiten in de voorgeschiedenis blijkt dat hij vaak reeds tijdens de voorbereidingsfase van een reclassering doelbewust leugens voorwendt om op die manier de basis voor een toekomstige oplichting te leggen! (...) Gezien de recente gang van zaken zijn wij echter vanuit het team van mening dat een voorlopig behoud - zondermeer - aan de orde is". In het advies van de directie van 7 september 2006 (stuk 4) staat te lezen: "Overwegende - (...) - dat tot op heden geen enkele ambulante piste enig soelaas heeft gebracht naar recidivebeperking toe, - dat betrokkene zich verder moet openstellen aan de spiraal van feiten die hij de laatste 5 jaar pleegde en de schendingen van de voorwaarden bij vop's. Hij dient dit te doen in samenwerking met de psd adviseren wij behoud te Merksplas + opstarten regeling voor maandelijkse betaling van burgerlijke partijen". Zowel de Commissie als de Hoge Commissie hebben autonoom geoordeeld dat aan de voorwaarde van reclassering niet voldaan is. Het feit dat (de verweerder) in beroep in de recentste (verslagen) toerekeningsvatbaar wordt verklaard, is wettelijk onvoldoende om te beslissen tot in vrijheidstelling. Ook het feit dat men pessimistisch is over de toekomstperspectieven en de slaagkansen van een therapie, doet niets ter zake. Wel integendeel: de Commissie dient vast te stellen dat de voorwaarden voor reclassering onvoldoende gerealiseerd zijn en dat bovendien weinig hoop bestaat dat er een ernstige reclassering mogelijk is". De eiser aldus aanvoerde dat de invrijheidstelling van de verweerder ook vereist dat de voorwaarden voor zijn reclassering vervuld zijn en dit niet het geval was. Het bestreden arrest, dat hierop met geen enkel motief antwoordt, niet naar genoegen van recht gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid
- De verweerder werpt op dat het middel niet tot cassatie kan leiden omdat de beslissing naar recht verantwoord blijft door de niet bekritiseerde reden dat de appelrechter oordeelt zich niet in de plaats te stellen van de commissie of van de hoge commissie tot bescherming van de maatschappij.
- Het middel dat opkomt op tegen het optreden van de rechter in kort geding inzake schorsing van de beslissing van de commissie tot bescherming van de maatschappij en voorlopige invrijheidstelling van de verweerder op grond van onverenigbaarheid met de wettelijke regeling van vrijheidsberoving via internering in strafzaken met verwijzing naar de specifieke procedure en beoordelingsorganen, komt hierdoor op tegen voormeld oordeel van de appelrechter. De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Middel zelf
- Naar luid van artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, doet de rechter in kort geding bij voorraad uitspraak in de gevallen die hij spoedeisend acht en kan hij maatregelen tot bewa¬ring van recht bevelen indien er een schijn van recht is die het nemen van een beslissing verantwoordt. De kortgedingrechter is tevens bevoegd om dringende en voorlopige maatregelen te bevelen die nodig zijn om een einde te stellen aan een ogenschijnlijke foutieve krenking van een subjectief recht door een overheid of om dergelijke krenking te voorkomen. De omstandigheid dat de ogenschijnlijk onrechtmatige handeling van de overheid afhangt van een strafvordering, vormt geen beletsel voor dat optreden, behoudens wanneer het optreden van de rechter in kort geding niet verenigbaar is met de wetten en beginselen houdende re¬geling van de bevoegdheid van de strafgerechten.
- Krachtens artikel 18, eerste lid, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en ple¬gers van bepaalde seksuele strafbare feiten, kan de commissie tot bescherming van de maatschappij, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de procureur des Konings, van de geïnterneerde of van zijn advocaat, gelasten dat de geïnterneerde voorgoed of op proef in vrijheid zal worden gesteld, wanneer zijn geestestoestand voldoende verbeterd is en de voorwaarden voor zijn reclassering vervuld zijn. Krachtens artikel 18, tweede lid, van voormelde wet kan de voorzitter van de commissie in dringende gevallen de invrijheidstelling van de geïnterneerde gelasten. Artikel 19bis van voormelde wet regelt de appelprocedure voor de hoge commissie tot bescherming van de maatschappij en artikel 19ter het cassatieberoep tegen een door voormelde hoge commissie genomen beslissing die de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot invrijheidstelling van de geïnterneerde bevestigt of die het verzet van de procureur des Konings tegen de beslissing tot invrijheidstel¬ling van de geïnterneerde gegrond verklaart.
- In tegenstelling tot de beslissingen van de commissie die het statuut van de geïnterneerde niet wijzigen en slechts een uitvoe¬ringsmaatregel van de internering betreffen, maakt de bevestiging van de afwijzing van de invrijheidstelling een noodzakelijke aanvul¬ling uit van het vonnis of arrest dat de internering voor onbepaalde tijd heeft gelast en vertoont deze beslissing het karakter van een jurisdictionele beslissing.
- Uit de samenlezing van hetgeen voorafgaat volgt dat een onvere¬nigbaarheid met de wetten en beginselen houdende regeling van de be¬voegdheid van de strafgerechten voorhanden is wanneer de kortgedingrechter een justitiële beslissing inzake internering van de hiertoe wettelijk bevoegde instantie ongedaan maakt, weze het voorlopig.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt: - de verweerder werd bij beslissing van de raadkamer van de Rechtbank te Mechelen van 20 juni 1995 geïnterneerd; - bij vonnis van de Correctionele Rechtbank van Veurne van 27 juni 2006 werd hij tot 18 maanden cel veroordeeld nadat een college van deskundigen, aangesteld door de correctionele rechtbank, had geadviseerd dat hij "thans niet (verkeert) in staat van krankzinnigheid, niet in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid die hem ongeschikt maakte of maakt tot het controleren van zijn daden" dit voor feiten gepleegd tijdens de momenten van strafonderbreking of penitentiair verlof of nadat hij na een uitgangspermissie niet was teruggekeerd; - de commissie tot bescherming van de maatschappij beslist op 18 september 2006 tot het behoud in Merksplas aangezien uit de bestanddelen van de zaak te besluiten is dat de geestestoestand van de geïnterneerde niet voldoende verbeterd is en dat er zich geen mogelijkheid van wederaanpassing aftekent die voor de maatschappij voldoende waarborgen zou bieden tegen gevaar; - de hoge commissie tot bescherming van de maatschappij wijst het hoger beroep van de verweerder af bij beslissing van 19 oktober
- De appelrechter oordeelt: - zowel de beslissing van de commissie als die van de hoge com¬missie hebben het behoud van de verweerder in Merksplas beslist op basis van het feit dat zijn geestestoestand onvoldoen¬de is verbeterd en dat zijn reclasseringsvoorwaarden niet ver¬vuld zijn. Deze algemene motivering is onverenigbaar met de vaststellingen van de vier voornoemde psychiaters en van de correctionele rechtbank die de verweerder veroordeeld heeft tot een effectieve gevangenisstraf van 18 maanden, waaruit noodzakelijkerwijze volgt dat op hem niet meer de wet tot be¬scherming van de maatschappij kan worden toegepast; - door aldus voorlopig te beslissen op grond van "feitelijkheden", stelt het hof van beroep zich niet in de plaats van de commissie of van de hoge commissie. Vervolgens schorst het arrest de beslissingen van 18 september en 19 oktober 2006 bij hoogdringendheid voorlopig op en beslist het tot de invrijheidstelling van de verweerder.
- Door aldus te oordelen, overschrijdt de kortgedingrechter zijn beoordelingsbevoegdheid. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep toelaatbaar verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigd arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 12 juni 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081119.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980303.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div