id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080616.3 Rolnummer: S.07.0101.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 605 - laatst gezien 2026-07-03 09:11 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een besluit van inwendige orde dat geen rechten of plichten formuleert in hoofde van de rechtsonderhorigen, is in beginsel geen besluit dat de meerderheid van de burgers aanbelangt in de zin van artikel 56, § 1, vierde lid, van het K.B. van 18 juli 1966; nu hieronder moet worden verstaan, een besluit dat een hele categorie van in dezelfde feitelijke omstandigheden verkerende burgers betreft
(1)Zie Cass., 19 mei 1987, AR nr 793, A.C., 1986-1987, nr 552. Thesaurus CAS: OPENBARE INSTELLING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Centrum gelijke kansen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - TAAL IN BESTUURSZAKEN - Federaal - Regeling taalgebruik Vrije woorden: Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding - Besluit van inwendige orde - Publicatie in het Belgisch Staatsblad Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1966 - Art. 56, § 1, vierde lid Tekst van de beslissing Nr. S.07.0101.N FIRMA FERYN, naamloze vennootschap, met zetel te 1880 Kapelle-op-den-Bos, Mechelsesteenweg 87, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen CENTRUM VOOR GELIJKHEID VAN KANSEN EN VOOR RACISME-BESTRIJDING, publieke instelling, met burelen te 1000 Brussel, Koningsstraat 138, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 99, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 januari 2007 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 33, 37, 105, 108 en 190 van de Grondwet; - de artikelen 17 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 56, §1, vierde lid, van de wet van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken; - de artikelen 3, 5°, en 5 van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding; - artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 februari 1993 tot vaststelling van het organiek statuut van het centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart de oorspronkelijk door de verweerder ingestelde vordering tot staken ontvankelijk op grond van de volgende motieven: "Over artikel 440, alinea 2, van het Gerechtelijk Wetboek. De regels met betrekking tot de beslissing van een rechtspersoon om in rechte op te treden of een rechtsvordering in te stellen (artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek) zijn verschillend van de regels die betrekking hebben op de verschijning van een advocaat voor een rechtbank als gevolmachtigde van een rechtspersoon (artikel 440, alinea 2, van het Gerechtelijk Wetboek) (zie tevens Van Compernolle vert. De rechtsvordering van VZW's in Rapport van het XXXVIIe seminarie van de CDVA, Gent Story 1985, (477, zie eveneens A. Decroës vert. de vordering in rechte van een rechtspersoon: van de beslissing te vorderen tot de verschijning in rechte (Rev. Gen. Dr. Civ. Belge, 2003, 295 en volgende). In het geval van artikel 440, alinea 2, van het Gerechtelijk Wetboek is het wel mogelijk het tegenbewijs te leveren dat de handeling onbevoegd is gesteld en dus de rechtspersoon niet kan worden toegerekend (zie Vananroy, de bekrachtiging van eenzijdige vertegenwoordigingsbehandelingen in TRV 2004, 47). Alhoewel de Raad van State een andere mening heeft dan het Hof van Cassatie over de draagwijdte van het vermoeden van artikel 440, alinea 2, van het Gerechtelijk Wetboek, (zie Decroës op cit. blz. 297 en 298) en waar het vermoeden volgens het Hof van Cassatie slaat zowel op de interne besluitvorming als op de externe vertegenwoordiging van de rechtspersoon, is in elk geval het vermoeden van artikel 440, alinea 2, van het Gerechtelijk Wetboek weerlegbaar (Cass. 17.04.1997 rol nr. C 960051F op www. cass.
- be)en poogt (de eiseres) dit vermoeden te weerleggen. In het kader van de weerlegging van het vermoeden onderzoekt het (arbeids)hof of de beslissing van (de verweerder), om in rechte een stakingsvordering in te dienen, rechtsgeldig werd genomen. In tegenstelling tot wat de eerste rechter stelde kan in principe bij een begin van bewijs van het tegenbewijs wel de voorlegging worden bevolen van een stuk m.b.t. de beslissing van 21 februari 2006 tot instellen van een stakingsvordering en verzetten de artikelen 440 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek zich hiertegen niet, evenmin als de door de eerste rechter aangehaalde cassatierechtspraak. Over de regelmatigheid van de beslissing van (de verweerder) om een stakingsvordering in te stellen tegen (de eiseres). (De eiseres) beweert ten onrechte dat de Koning zijn bevoegdheid op onwettige wijze heeft ge(sub)delegeerd aan (de verweerder) zelf wat de werking van de Raad van Bestuur betreft. De wet van 15 februari 1993 richt een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding op en geeft het rechtspersoonlijkheid. Artikel 3 van de wet verklaart (verweerder) bevoegd om in rechte op te treden in alle rechtsgeschillen waartoe onder meer de wet van 25 februari 2003 aanleiding kan geven. Artikel 5 van bovenvermelde wet bepaalt: ‘De Koning bepaalt, bij een ministerraad overlegd besluit, het organiek statuut van (verweerder)'. Dit statuut bepaalt onder andere: (franse tekst ‘Ce statut arrêtera notamment'): 1° de structuur van (verweerder) zo dat de verschillende taken, vermeld in artikel 3 optimaal georganiseerd kunnen worden en de medewerking van de gemeenschappen en gewesten gewaarborgd wordt; 2° de aanwijzingsmodaliteiten van zijn leden; 3° het statuut van zijn medewerkers; 4° de financieringsmodaliteiten. Het Franse woord notamment wordt vertaald als ‘in het bijzonder' of nog ‘specifiek' (Van Dale Groot Woordenboek Frans-Nederlands). Op grond van artikel 7 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in het wetgevingszaken dient een verschil in franse en nederlandse terminologie te worden opgelost op grond van de wil van de wetgever. De voorbereidende werken met name de Nederlandse versie van de verantwoording van het regeringsamendement dat artikel 5 van de wet is geworden gebruikt de term ‘in het bijzonder' (Parl. St. Kamer 1991-1992 nr 3392/2 p. 5). Het woord ‘onder andere' dient bijgevolg te worden uitgelegd als ‘in het bijzonder'. De wetgever heeft bijgevolg zelf aangegeven wat (in het bijzonder) behoort tot het organiek statuut van (verweerder) en wat de Koning in het bijzonder bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit diende vast te stellen. De wijze van oproepen en de wijze van stemmen werden niet vermeld door de wetgever, hetgeen een indicatie is dat deze aspecten van een ondergeschikt belang zijn. Het koninklijk besluit van 28 februari 1993, dat in ministerraad werd overlegd op grond van de door de wetgever Hem toegewezen bevoegdheid, regelt het organiek statuut van (verweerder). Het koninklijk besluit van 28 februari 1993 in ministerraad overlegd, bepaalt dat de Raad van Bestuur paritair samengesteld is uit 10 Nederlandstalige leden, 10 Franstalige leden en 1 Duitstalig lid (artikel 1). Hun wijze van benoeming wordt geregeld met ondermeer voordrachten door de gemeenschappen en gewesten (artikel 1, §2) met name door een in ministerraad overlegd besluit, de benoeming van de voorzitter en de ondervoorzitter van de Raad van Bestuur worden geregeld evenals de duur van het mandaat van deze laatste alsook van het mandaat van de leden van de Raad van Bestuur. De aanduidingsmodaliteiten worden bepaald van de plaatsvervangende leden. Artikel 1, §6, vermeldt dat elk werkend lid een plaatsvervanger heeft die hem in geval van afwezigheid vervangt. Er wordt een college ingesteld bestaande uit de directeur, adjunct-directeur en vier coördinatoren, waarbij de beide directieleden gezamenlijk belast zijn met de uitvoering van de beslissingen van de Raad van Bestuur, en met het dagelijkse bestuur en het voeren van het algemeen beleid van (de verweerder) (de artikelen 1bis en 5 van het voormeld koninklijk besluit). Artikel 4 van voormeld koninklijk besluit bepaalt dat de Raad van Bestuur beschikt over alle bevoegdheden die voor de werking en de uitvoering van de opdrachten van (de verweerder) vereist zijn (volheid van bevoegdheid voor de Raad van Bestuur), evenals het algemeen beleid (artikel 5). Daarnaast wordt eveneens de rechtspositie van het personeel door voormeld koninklijk besluit bepaald (de artikelen 6, 7 en 8) evenals de financieringsmodaliteiten (de artikelen 10 tot 13). Financieel toezicht wordt door een regeringscommissaris gedaan (artikel 9). Bijgevolg werden alle essentiële elementen van het organiek statuut, zoals door de wetgever aangegeven, en conform artikel 5 van deze wet van 15 februari 1993 bij koninklijk besluit van 28 februari 1993 in ministerraad overlegd, vastgesteld. Overdracht van bevoegdheid door de Koning is slechts toelaatbaar wanneer zij geen verordenende macht overdraagt, dit is wanneer zij geen bevoegdheid toekent om normen met een algemene draagwijdte uit te vaardigen (Mast, op cit. nr. 38, Leroy op cit. blz. 381) en wanneer zij bijkomstige en aanvullende regelen tot voorwerp heeft (Mast, Dujardin, Van Damme, Vande Lanotte, Overzicht van Belgisch Administratief recht, Kluwer 2006, nr. 34) of regels van ‘importance secondaire' zijnde regels van een minder belang (zie Leroy Contentieux Administratif, blz. 380). Een toegelaten delegatie van bevoegdheid wordt hier en daar dan een toegewezen bevoegdheid. Ook Velaers, De Grondwet en de Raad van State, afdeling wetgeving, Antwerpen, Maklu, 1999, 375 vermeldt desbetreffend: "desalniettemin nemen het Hof van Cassatie, de Raad van State afdeling administratie, en de rechtsleer aan onder bepaalde strikte voorwaarden, dat niet verboden is dat een orgaan van de uitvoerende macht aan een ander ondergeschikte orgaan, dat onder zijn controle staat, opdraagt om met zijn uitdrukkelijk of stilzwijgende instemming, louter bijkomstige en aanvullende detailmaatregelen te nemen. Dit is tevens de mening van P. Lewalle (Contentieux Administratif, Ed. Fac. Dr. Liège, 1997, blz. 641 ev). In deze zaak heeft het koninklijk besluit van 28 februari 1993, in ministerraad overlegd, in haar art. 2 op rechtmatige wijze de Raad van Bestuur opgedragen een huishoudelijk reglement op te stellen, dat dan ter goedkeuring aan de politieke verantwoordelijken, met name door de Koning, diende te worden voorgelegd. Het huishoudelijk reglement van (de verweerder) is in feite een reglement van inwendige orde en zij bevat slechts aanvullende of bijkomstige maatregelen met name, het minimum aantal vergaderingen per jaar voor de Raad van Bestuur, de diverse mogelijkheden om een punt op de agenda te plaatsen. Artikel 5 van het huishoudelijk reglement bepaalt dat de Raad slechts geldig kan beslissen wanneer ten minste de meerderheid van de stemgerechtigde leden de vergadering bijwonen en de beslissingen worden genomen met volstrekte meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen. Juist dit artikel 5 is de volledige en getrouwe toepassing van de meest gebruikte en essentiële wijze van besluitvorming binnen een democratie met name van artikel 53 van de Grondwet, dat juist hetzelfde quorum voorschrijft van aanwezigheid en dezelfde wijze van berekening van de meerderheid. Dit quorum en deze wijze van berekening zijn "één van de grondregels van de werking van het Parlement en dus van de democratie" (J. Velaers, op cit. blz. 286 en de Raad van State door Velaers vermeld). Dit huishoudelijk reglement van (verweerder) hanteert de meest gebruikte en essentieel democratische wijze van beslissen in collegiale organen. Er zijn er geen afwijkingen van de gewone regels inzake collegiale beslissingsorganen door bijzondere meerderheden op te leggen en/of binnen een taalpariteit op te leggen (hetgeen evenmin de wil van de wetgever was door (zijn) invulling van haar artikel 5, zie hierboven) derwijze dat mag gesteld worden dat dit huishoudelijk reglement slechts bijkomstige regels vaststelt. Zo geschiedt ook voor talrijke andere rechtspersonen, de beraadslaging van een collegiaal orgaan bij gebreke aan bepalingen in de statuten, volgens "de gewone regels van beraadslagende lichamen" (artikel 63 W. Venn.), wat meestal geïnterpreteerd wordt als een toepassing mutatis mutandis van de regels van beraadslaging die gelden in Kamer en Senaat (B. Tilleman, Bestuur van vennootschappen, Die Keure 2005, blz 503). De andere artikelen van het huishoudelijk reglement slaan op het aantal vergaderingen van de Raad, de wijze van oproepen en het plaatsen van punten op een agenda. Het huishoudelijk reglement van (de verweerder) is een huishoudelijk reglement van inwendige orde; zij heeft geen algemene draagwijdte, legt geen normen op en zij heeft enkel betrekking op het gewoon intern functioneren van de Raad van Bestuur. Ook zonder huishoudelijk reglement zouden de regels van de democratie zoals vermeld in artikel 53 van de Grondwet dienen te worden toegepast. Eens te meer benadrukt het (arbeidshof) dat dit huishoudelijk reglement door de Koning en dus door de uitvoerende macht werd goedgekeurd bij koninklijk besluit van 17 mei 2002. Het was niet vereist dat dit goedkeuringsbesluit in ministerraad diende te worden overlegd nu het huishoudelijk reglement slechts aanvullende detailregelingen, algemeen toepasselijk in een democratie bevatte. Het overleg in ministerraad dient te worden voorbehouden voor belangrijke ontwerpen (Coremans en Van Damme Beginselen van wetgevingstechniek en behoorlijke regelgeving, administratieve rechtsbibliotheek, Brugge, Die Keure, 1994, nr. 52). A contrario kan eveneens worden afgeleid uit artikel 5 van de wet van 15.02.1993 dat de gewone wijze van beraadslaging binnen een collegiaal orgaan als de Raad van Bestuur niet door de Koning bij in ministerraad overlegd besluit diende te worden genomen en alleen door Ons (dit is bij gewoon koninklijk besluit) goedgekeurd. De voorbeelden waarnaar (de eiseres) verwijst, hebben betrekking op delegatie van verordenende bevoegdheid. Zo is eveneens de stelling van (de eiseres) onjuist dat door bovenvermelde juridische redenering de werking van (de verweerder) belast met een taak van algemeen belang slechts een detailregeling wordt. De structuur, de aanwijzing van de leden en plaatsvervangende leden van de Raad van Bestuur, de financiering en het statuut van de medewerkers zijn essentieel en bij wet opgericht met uitvoering ervan aan de Koning opgedragen dewelke deze op volledige wijze uitvoerde bij koninklijk besluit van 28 februari 1993. Zo preciseren de voorbereidende werken van de wet van 15 februari 1993 niet dat alle regels omtrent de werking van (de verweerder), zoals de aanvullende, bij koninklijk besluit dienden te worden vastgesteld. Het huishoudelijk reglement, in tegenstelling met wat (de eiseres) aanvoert, dient niet integraal te worden gepubliceerd. Artikel 56 van de wet van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken bepaalt: ‘Nochtans wanneer zij geen belang hebben voor de meerderheid van de burgers, mogen zij bij uittreksel bekendgemaakt worden of het voorwerp zijn van een gewone vermelding in het Belgisch Staatsblad; wanneer hun bekendmaking geen openbaar nut heeft, mag daarvan afgezien worden'. De wijze van beraadslagen, gelijk aan de meest gewone en meest voorkomende wijze van beraadslagen in organen van rechtspersonen, heeft geen belang voor de meerderheid van de burgers, gezien de beslissingen van (de verweerder) geen algemeen verbindende verordeningen zijn en (de verweerder) slechts de bevoegdheid heeft in rechte op te treden in individuele geschillen waar hij meent dat er een schending van door de wet opgesomde wetten geschiedt en waar de eindbeslissing door een rechtbank wordt genomen. Regels van huishoudelijke orde in het algemeen zijn louter bestemd voor de interne werking van het bestuur en deze regels raken niet de algemeenheid van de burgers (Vermeulen, de rechtskracht van kaderbesluiten en van reglementen van huishoudelijke orde in het algemeen TBP 1957, 15). Het enige belang waarvan de bescherming nagestreefd wordt, is het belang van een goede interne werking van de dienst. Besluiten van inwendige orde, die geen rechten en plichten formuleren in hoofde van de rechtsonderhorigen, hebben niet het karakter dat zij een algemeenheid van burgers aanbelangt (De Jonghe, De staatrechtelijke verplichting tot bekendmaking van normen, Kluwer Antwerpen 1985, 152). De regels van het huishoudelijk reglement waaronder de algemeen publiekrechtelijke regels inzake democratische besluitvorming van collegiale organen zijn, creëren geen verplichtingen naar derden doch beogen ten overvloede louter een goede en doelmatige werking van het interne bestuur, doch dit is niet de algemeenheid van de burgers. Dat de door (de verweerder) gedagvaarde personen eveneens een belang hebben bij de beslissingen van (de verweerder), doet aan het voorgaande niets af. Ook de Raad van State schijnt in haar arrest nr. 125.571 van 23 oktober 2003 te overwegen dat het huishoudelijk reglement van de consultatieve stedenbouwkundige commissie uit haar aard enkel gevolgen heeft voor de leden van het orgaan waarop het betrekking heeft. De publicatie van talrijke huishoudelijke reglementen in het Belgisch Staatsblad is op zich geen bewijs van onregelmatigheid van huishoudelijke reglementen die niet in extenso in het Belgisch Staatsblad werden gepubliceerd en dewelke toch ook nog veelvuldig zijn. Zo is ook de verwijzing naar een arrest van de Raad van State door (de eiseres) van 2 december 1971 niet relevant aangezien hierin gedragsnormen voor de leerlingen van alle Athenea golden evenals modaliteiten van sanctie, waaronder uitsluiting van de leerling en dit belangt natuurlijk wel de meerderheid van de burgers aan. Omwille van bovenstaande redenen wordt door de niet integrale publicatie in het Belgisch Staatsblad van het huishoudelijk reglement in deze zaak geen afbreuk gedaan aan artikel 190 van de Grondwet. De regelmatigheid van de beslissing van (de verweerder) van 21 februari 2006 (De eiseres) beweert ten onrechte dat de beslissing van de Raad van Bestuur van 21 februari 2006 niet geldig werd genomen. Door het proces-verbaal van de vergadering van de Raad van Bestuur van 21 februari 2006, niet betwist noch ontkend door de leden van de Raad van Bestuur noch door de Raad van Bestuur zelf, wordt bewezen dat de Raad van Bestuur conform de regels van het huishoudelijk reglement heeft beslist (bij geheime stemming conform artikel 5, §2, van het Huish. Regl.) een vordering tot staken in te stellen. De omstandigheid dat de Directeur een risico nam door op voorbarige wijze zelf de pers te contacteren, of de omstandigheid dat de Raad van Beheer nopens dit optreden enige kritiek formuleerde, doet aan de rechtsgeldigheid van de beslissing van de Raad van Beheer niets af nu de Raad van Beheer, op 21 februari 2006 samengekomen, met het vereiste quorum aanwezigheid en met de vereiste volstrekte meerderheid der stemmen zelf heeft beslist de stakingsvordering in te stellen. Op deze wijze heeft zij zeker de eventuele beslissing van haar directeur tijdig bekrachtigd waardoor ab initio de handeling wordt toegerekend aan de bevoegde opdrachtgever (Cass. 07.03.1969, Pas. 1969, 1602). Het huishoudelijk reglement van (de verweerder) bepaalt de wijze van bijeenroepen, zijnde per gewone brief en zonder termijn in spoedeisende gevallen (art. 22 Huish. Regl.). Wanneer (de eiseres) in Terzake eind april 2005 verklaringen aflegt en (de verweerder) nadien vaststelt dat minnelijke engagementen niet worden nagekomen dan is de appreciatie van (de verweerder) dat er hoogdringendheid is niet kennelijk onredelijk en wordt deze beaamd door het (arbeids)hof. Daarenboven kan de Raad, op grond van het huishoudelijk reglement, op vraag van tweederden van de aanwezigen beslissen een punt, dat niet op de agenda voorkomt, aan de agenda toe te voegen. Ook deze regels zijn aanvullende regels en de toepassing van wat meest gebruikelijk is. Bijgevolg is er terzake, behoudens suggestieve en subjectieve verdenkingen door (de eiseres), geen enkel begin van bewijs van tegenbewijs en dienen de uitnodigingen, met de lijst van personen die ze hebben ontvangen en met vermelding van de agendapunten niet te worden overlegd. Er wordt door (de eiseres) niet het tegenbewijs geleverd van een ongeldige beslissing van de Raad van Beheer van 21 februari 2006. Er is tevens geen sprake van machtsmisbruik en bevoegdheidsoverschrijding aangezien de stakingsvordering niet gericht is tegen het niet verderzetten van het instapdiversiteitsplan of het melden van vacatures bij de VDAB op zich, doch tegen een beweerde inbreuk op de antidiscriminatiewet van 25 februari 2003. Het niet verderzetten van het instapdiversiteitsplan en niet melden van vacatures van de VDAB vonden plaats in het kader van minnelijk overleg en bemiddeling, zonder rechterlijke tussenkomst, tussen partijen en zijn nog steeds de beste stappen om gelijkheid van kansen te creëren en discriminatie te bestrijden, gezien zij gebaseerd zijn op vrijwilligheid of eigen inzicht. De vordering van (de verweerder) is ontvankelijk en het incidenteel beroep niet gegrond". Grieven Luidens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid heeft om ze in te dienen. Rechtspersonen treden in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen (artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek). Artikel 33 van de Grondwet bepaalt dat alle machten uitgaan van de natie. Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald. Luidens artikel 37 van de Grondwet berust de federale uitvoerende macht, zoals zij door de Grondwet is geregeld, bij de Koning. Artikel 105 van de Grondwet bepaalt dat de Koning geen andere macht heeft dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, hem uitdrukkelijk toekennen. De Koning maakt de verordeningen en neemt de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen (artikel 108 van de Grondwet). Uit deze bepalingen vloeit voort dat de Koning enkel uitvoerende handelingen kan stellen. De oprichting van een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid dient derhalve door de wetgever te gebeuren. Ook de essentiële bestanddelen van de op die persoon toepasselijke regelgeving moeten door de formele wetgever worden uitgevaardigd. Dit betekent dat de vaststelling van de samenstelling, de bevoegdheid, de werking en het toezicht op de openbare instelling door de wetgever moet worden geregeld. Uit voormelde grondwettelijke bepalingen vloeit voort dat de wetgever zijn bevoegdheid tot toekennen van rechtspersoonlijkheid en tot het vaststellen van de essentiële elementen van de volgens publiekrechtelijk weg opgerichte rechtspersoon niet kan delegeren aan de uitvoerende macht of enige andere overheidsinstantie. Niettemin kan het uitvaardigen van detailregelingen wel worden gedelegeerd aan de uitvoerende macht. Meer bepaald kan de wetgever aan de Koning opdragen in te staan voor de uitvoering en detaillering van de in de wet uitgewerkte beginselen. Voormelde grondwetsbepalingen verhinderen echter dat de Koning zelf deze bevoegdheden overdraagt aan enige overheid of openbare instelling. Artikel 1 van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding bepaalt dat bij de eerste minister een centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding wordt opgericht, hierna het centrum genoemd. Het centrum heeft rechtspersoonlijkheid. Artikel 3, tweede lid, 5°, van voormelde wet bepaalt dat het centrum bevoegd is om in rechte op te treden in alle rechtsgeschillen waartoe onder meer de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding aanleiding kan geven. Artikel 5 van deze wet bepaalt nog dat de Koning, bij een ministerraad overlegd besluit, het organiek statuut van het centrum bepaalt. Dit statuut bepaalt onder andere: 1. de structuur van het centrum zodat de verschillende taken, vermeld in artikel 3, optimaal georganiseerd kunnen worden en de medewerking van de gemeenschappen en gewesten gewaarborgd wordt; 2. de aanwijzingsmodaliteiten van zijn leden; 3. het statuut van zijn medewerkers; 4. de financieringsmodaliteiten. In uitvoering van deze bepaling heeft de Koning op 28 februari 1993 een besluit genomen tot vaststelling van het organiek statuut van het centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, waarin de samenstelling en aanwijzing van de leden van de raad, evenals de bevoegdheid van de raad wordt geregeld. Met betrekking tot de werking zelf van het centrum wordt niets bepaald. Artikel 2 van voormeld koninklijk besluit van 28 februari 1993 bepaalt dat het huishoudelijk reglement van de raad van bestuur door deze raad wordt vastgesteld en door Ons wordt goedgekeurd. De appelrechters stellen vast dat de verweerder in toepassing van deze bepaling een huishoudelijk reglement heeft opgesteld, waarin ondermeer de werkingsregels zijn opgenomen. Aldus werd door de Koning aan de raad van bestuur van het centrum de opdracht gegeven om zelf de regels van de interne werking van het centrum vast te stellen en werden deze regels van de interne werking van het centrum ook effectief door het centrum zelf vastgesteld. Gezien de regels inzake de interne werking van het centrum essentiële regels zijn, dienen zij door de wetgever, minstens door de Koning, te worden vastgesteld. De Koning kon de opdracht en deze regels inzake de werking van het centrum vast te stellen, niet overdragen aan de raad van bestuur van het centrum. Door te beslissen dat het huishoudelijk reglement slechts bijkomstige regels vaststelt, hoewel dit reglement tevens de vaststelling inhoudt van de regels inzake de werking van het centrum, en door op grond daarvan te beslissen dat er geen ontoelaatbare overdracht van bevoegdheid door de Koning heeft plaatsgevonden en dat derhalve de beslissing van het centrum om de rechtsvordering in te stellen rechtsgeldig werd genomen, zodat de vordering ontvankelijk is, schenden de appelrechters de artikelen 33, 37, 105 en 108 van de Grondwet, 17 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek, 3, 5°, en 5 van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en 2 van het koninklijk besluit van 28 februari 1993 tot vaststelling van het organiek statuut van het centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding . Tweede onderdeel Artikel 190 van de Grondwet bepaalt dat geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur verbindend is dan na te zijn bekend gemaakt in de vorm bij de wet bepaald. Uit deze grondwetsbepaling vloeit voort dat reglementaire besluiten pas verbindend zijn na de bekendmaking ervan. Reglementaire besluiten zijn besluiten die een rechtsregel formuleren en dus een algemene draagwijdte hebben doordat ze voor een onbepaald aantal gevallen gelden. Artikel 56, §1, vierde lid, van de wet van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken bepaalt dat de tweetalige koninklijke en ministeriële besluiten integraal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt, de Nederlandse tekst tegenover de Franse, binnen één maand van hun dagtekening. Nochtans wanneer zij geen belang hebben voor de meerderheid van de burgers, mogen zij bij uittreksel bekendgemaakt worden of het voorwerp zijn van een gewone vermelding in het Belgisch Staatsblad; wanneer hun bekendmaking geen openbaar nut heeft, mag daarvan afgezien worden. Terzake stellen de appelrechters vast dat er door het centrum een huishoudelijk reglement werd opgesteld waarin onder meer de werkingsregels zijn opgenomen. Met name bevat het huishoudelijk reglement regels met betrekking tot het minimum aantal vergaderingen per jaar voor de raad van bestuur, de diverse mogelijkheden om een punt op de agenda te plaatsen, de regel dat de raad slechts geldig kan beslissen wanneer ten minste de meerderheid van de stemgerechtigde leden de vergadering bijwonen en de regel dat de beslissingen worden genomen met volstrekte meerderheid van stemmen, en dat bij staking van stemmen het voorstel verworpen is. De appelrechters stellen nog vast dat dit huishoudelijk reglement niet integraal werd gepubliceerd. De appelrechters stellen vast dat de regels van huishoudelijke orde louter bestemd zijn voor de interne werking van het centrum en dat deze regels niet de algemeenheid van de burgers raakt, zodat deze regels niet integraal in het Belgisch Staatsblad dienden te worden bekendgemaakt. Gezien echter het huishoudelijk reglement van het centrum terzake een aantal regels bepaalde met betrekking tot de werking van het centrum en de wijze waarop binnen dit centrum beslissingen worden genomen, en bijgevolg een reglementair karakter heeft, en gezien dit huishoudelijk reglement belang heeft voor de meerderheid van de burgers omdat deze er belang bij hebben te weten dat een beslissing die hen desgevallend nadeel kan berokkenen, zoals een beslissing om in rechte op te treden, rechtsgeldig wordt genomen, konden de appelrechters niet zonder schending van de in dit onderdeel genoemde bepalingen beslissen dat het huishoudelijk reglement niet integraal gepubliceerd diende te worden, daar het enkel regels bevatte voor de interne werking van de raad van bestuur en derhalve niet de algemeenheid van burgers aanbelangt en dat de beslissing van de raad van bestuur van 21 februari 2006 om in rechte op te treden tegen eiser rechtsgeldig werd genomen (schending van de artikelen 190 van de Grondwet en 56, §1, vierde lid, van de wet van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Het arrest oordeelt dat er geen ontoelaatbare overdracht van bevoegdheid door de Koning heeft plaatsgevonden. Het laat dit oordeel niet enkel steunen op de in het onderdeel aangevochten reden dat het te dezen toepasselijk huishoudelijk reglement slechts bijkomstige regels vaststelt, maar ook op de reden dat het reglement door de Koning werd goedgekeurd bij besluit van 17 mei 2002. 2. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest, en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 3. Artikel 1 van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, bepaalt dat bij de eerste minister een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, hierna: Centrum, wordt opgericht, dat rechtspersoonlijkheid heeft. Krachtens artikel 5 van de wet van 15 februari 1993, bepaalt de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, het organiek statuut van het Centrum. Dit statuut bepaalt onder andere: 1° de structuur van het Centrum zodat de verschillende taken, vermeld in artikel 3, optimaal georganiseerd kunnen worden en de medewerking van de Gemeenschappen en Gewesten gewaarborgd wordt; 2° de aanwijzingsmodaliteiten van zijn leden; 3° het statuut van zijn medewerkers; 4° de financieringsmodaliteiten. In uitvoering van vermeld artikel 5, nam de Koning op 28 februari 1993 een besluit tot vaststelling van het organiek statuut van het Centrum, waarin de samenstelling en aanwijzing van de leden van de raad, evenals de bevoegdheid van de raad wordt geregeld. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 februari 1993 bepaalt dat het huishoudelijk reglement van de raad van bestuur van het Centrum door deze raad wordt vastgesteld en door de Koning wordt goedgekeurd. Op 5 juli 2002 verscheen in het Belgisch Staatsblad de mededeling dat bij koninklijk besluit van 17 mei 2002 het te dezen toepasselijk huishoudelijk reglement van de raad van bestuur van het Centrum is goedgekeurd. 4. Krachtens artikel 56, §1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 betreffende de coördinatie van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, worden de tweetalige koninklijke en ministeriële besluiten integraal in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Wanneer zij nochtans geen belang hebben voor de meerderheid van de burgers, mogen zij bij uittreksel bekendgemaakt worden of het voorwerp zijn van een gewone vermelding in het Belgisch Staatsblad. Wanneer hun bekendmaking geen openbaar nut heeft, mag daarvan afgezien worden. 5. Onder "besluit dat belang heeft voor de meerderheid van de burgers", in de zin van vermeld artikel 56, §1, vierde lid, moet worden verstaan, een besluit dat een hele categorie van in dezelfde feitelijke omstandigheden verkerende burgers betreft. Een besluit van inwendige orde dat geen rechten of plichten formuleert in hoofde van de rechtsonderhorigen, is in beginsel geen besluit dat de meerderheid van de burgers aanbelangt. 6. De appelrechters stellen vast dat het huishoudelijk reglement van het Centrum, zoals goedgekeurd bij koninklijk besluit van 17 mei 2002, maatregelen bevat met betrekking tot het minimum aantal vergaderingen per jaar voor de raad van bestuur, de diverse mogelijkheden om een punt op de agenda te plaatsen en de wijze van oproepen en van besluitvorming van de raad van bestuur. 7. Op grond van deze vaststellingen vermochten de appelrechters naar recht te oordelen dat de regels van het huishoudelijk reglement van het Centrum, zoals goedgekeurd bij koninklijk besluit van 17 mei 2002, niet de algemeenheid van de burgers raken aangezien zij geen verplichtingen voor derden creëren doch ten overvloede louter een goede en doelmatige werking van het interne bestuur beogen en dat derhalve het huishoudelijk reglement niet integraal gepubliceerd diende te worden in het Belgisch Staatsblad. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 161,69 euro jegens de eisende partij en op de som van 140,79 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 16 juni 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080616.3 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970417.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div