← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4 Rolnummer: P.08.0070.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-07-01 Raadplegingen: 926 - laatst gezien 2026-07-03 13:54 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080617.4 Fiche 1 Wanneer iemand beschuldigd wordt als deelnemer aan een diefstal met een van de verzwarende omstandigheden van de artikelen 468, 474 en 475 Strafwetboek, moet het hof van assisen de jury daaromtrent een geïndividualiseerde vraag stellen

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Deelneming aan diefstal met verzwarende omstandigheden - Geïndividualiseerde vraag aan de jury Fiche 2 Krachtens artikel 442quinquies, Wetboek van Strafvordering kan de heropening van de rechtspleging enkel betrekking hebben op beslissingen waarvan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat die ten grond strijdig zijn met het E.V.R.M.
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Voorwerp - Beperking Fiche 3 Krachtens artikel 442bis Wetboek van Strafvordering kan de heropening van de rechtspleging enkel gevraagd worden wat de strafvordering betreft; daaruit volgt dat ingeval van heropening van de rechtspleging, de cassatie niet kan uitgebreid worden tot de beslissingen over de schadevergoedingen voor de burgerlijke partijen
(1).
(1)zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Beperking - Schadevergoeding voor de burgerlijke partij Fiches 4 - 6 Concl. eerste adv.-gen. De Swaef, Cass., 17 juni 2008, AR P.08.0070.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Deelneming aan diefstal met verzwarende omstandigheden - Geïndividualiseerde vraag aan de jury Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Heropening van de rechtspleging Vrije woorden: Voorwerp - Beperking Beperking - Schadevergoeding voor de burgerlijke partij Tekst van de beslissing Nr. P.08.0070.N Ü. G., aanvrager tot heropening van een rechtspleging in strafzaken, oorspronkelijke beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Dirk Martens, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De aanvraag beoogt de heropening van een rechtspleging waarbij het Hof bij arrest van 16 februari 1999 (A.R. P.98.1624.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6) het cassatieberoep verwerpt dat de aanvrager heeft ingesteld tegen de arresten van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 20 november 1998 (nummer 6238) en van 27 november 1998 (nummers 6240 en 6241). De aanvrager zet in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, de redenen van zijn aanvraag uiteen. Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. VOORWERP VAN DE AANVRAAG De aanvrager verzoekt het Hof: - de heropening van de rechtspleging te bevelen; - de arresten nummer 6238 van 20 november 1998 en nummers 6240 en 6241 van 27 november 1998 van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen te vernietigen zonder verwijzing; - de terugbetaling te bevelen door de Belgische Staat van alle geldboeten, kosten en schadevergoedingen die aan de burgerlijke partijen reeds werden betaald, vermeerderd met de wettelijke interest sedert de dag van betaling en de gerechtelijke interest vanaf de datum van het verzoekschrift, dit is 10 januari
  1. De aanvrager is samen met twee andere personen verwezen naar het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen wegens de beschuldiging: te Lochristi in de nacht van 7 op 8 december 1996, mededader te zijn geweest aan een roofmoord op X, dit is een diefstal van een geldsom, met de verzwarende omstandigheid dat, om de diefstal te vergemakkelijken of om de straffe¬loos¬heid ervan te verzekeren, het slachtoffer opzettelijk werd gedood met het oog¬merk om te doden, misdaad omschreven door de artikelen 66, 392, 393, 461, eerste lid, 468, 475 en 483 Strafwetboek. Het arrest nummer 6238 van 20 november 1998 verwierp de vraag van een medebeschuldigde om "bepaalde passages uit de akte van beschuldiging uit de debatten te weren en onleesbaar te maken vooraleer gevoegd te worden en alle dossiers bevattende gegevens verkregen via toepassing van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming uit het strafdossier te verwijderen". De aanvrager verzocht het hof van assisen de vragen aan de jury betreffende de verzwarende omstandigheid te individualiseren. Het arrest nummer 6240 van 27 november 1998 wees die vraag af. Als reden vermeldt het dat de diefstal het hoofdfeit uitmaakt, zodat alle reële verzwarende omstandigheden al diegenen treffen die aan de diefstal hebben deelgenomen, zelfs als hun rechtstreekse en persoonlijke deelneming aan het geweld, aan de ongewilde dood of aan de doodslag niet is bewezen en zij die niet hebben gewild. De jury verklaarde de aanvrager schuldig aan diefstal, niet met de verzwarende omstandigheid van opzettelijke doodslag, maar met de verzwarende omstandigheid van gebruik van geweld zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg. Het arrest nummer 6241 van 27 november 1998 veroordeelde de aanvrager voor deze misdaad, omschreven en strafbaar gesteld door de artikelen 66, 461, eerste lid, 468, 474 en 483 Strafwetboek, tot 30 jaar opsluiting, afzetting van titels, graden, openbare ambten, bedieningen en betrekkingen en levenslange ontzetting van de rechten aangehaald in artikel 31 Strafwetboek. De aanvrager kwam van de vermelde arresten in cassatieberoep. Een middel was gericht tegen het arrest nummer 6240 en had betrekking op de vraagstelling aan de jury betreffende de verzwarende omstandigheid, en tegen het arrest nummer 6241 dat hem veroordeelde tot onder meer 30 jaar opsluiting. Het Hof verwierp het cassatieberoep bij arrest van 16 februari 1999 (P.98.1624.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6). De aanvrager richtte zich daarop tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dit Hof oordeelde bij arrest nummer 50372/99 van 2 juni 2005 dat aanvragers klacht gegrond was en dat artikel 6.1 EVRM werd geschonden, dit op onder meer de volgende gronden: - het feit dat een rechts¬college geen oog heeft voor de argumenten die betrekking hebben op een essen¬tieel punt dat dergelijke zware gevolgen met zich meebrengt, is onverenigbaar met het recht op tegenspraak dat de kern vormt van het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6 EVRM; - dergelijk besluit is in het bijzonder in deze zaak geboden, rekening houdend met het feit dat de juryleden hun oordeel niet kunnen motiveren; - de nauwkeurigheid in de vraagstelling moet op gepaste wijze de beknopte antwoorden van de jury compenseren. Het Hof voor de Rechten van de Mens besliste ook dat de Belgische Staat de aanvrager een schadevergoeding moet betalen. Het arrest van het Hof van de Rechten van de Mens is op 2 september 2005 in kracht van gewijsde gegaan bij gebreke aan een voorziening bij de Grote Kamer van dit Hof. Het comité van ministers van de Raad van Europa heeft tijdens zijn 987ste ontmoeting op 13 en 14 februari 2007 de beslissing genomen de zaak opnieuw te beoordelen op de 997ste ontmoeting van 5 en 6 juni 2007 op grond van de te verstrekken informatie over de aanneming van een wet betreffende de heropening van de rechtspleging, in het bijzonder betreffende aanvragers vraag betreffende zijn verzoek tot invrijheidstelling op proef. Er is op vandaag evenwel geen verdere beslissing gekend. De aanvrager werd bij vonnis van de Strafuitvoeringsrechtbank te Gent van 3 mei 2007 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. III. AANVRAAG TOT HEROPENING Beoordeling
  2. In zoverre de aanvraag het arrest nr. 6238 van 20 november 1998 betreft, preciseert het geen enkele grond tot vernietiging.
  3. Artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Straf¬vor¬dering bepaalt dat wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt hetzij dat de bestreden beslissing ten gronde strijdig is met het EVRM, hetzij dat de vastgestelde schending het gevolg is van procedurefouten of -tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, het Hof van Cassatie de heropening van de rechtspleging beveelt, voor zover de veroordeelde partij of de rechthebbenden bedoeld in artikel 442ter, 2°, zeer ernstige nadelige gevolgen blijven ondervinden, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld.
  4. Te dezen bestaat er ernstige twijfel over de uitkomst van de bestreden rechtspleging indien de jury had moeten antwoorden op de voor de aanvrager geïndividualiseerde vragen over de verzwarende omstandigheden.
  5. De omstandigheid dat de aanvrager ondertussen bij vonnis van de Strafuitvoeringsrechtbank te Gent van 3 mei 2007 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld, doet eraan niet af dat de penitentiaire toestand van de aanvrager vandaag totaal anders zou zijn mocht hij maar veroordeeld zijn wegens gewone diefstal. De aanvrager blijft zeer ernstige nadelige gevolgen ondervinden van zijn veroordeling. Aldus zijn de voorwaarden voor de heropening van de rechtspleging met betrekking tot de arresten nummers 6240 en 6241 vervuld. IV. OORSPRONKELIJK CASSATIEBEROEP Aangevochten beslissingen Het cassatieberoep was gericht tegen de arresten van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 20 november 1998 (nummer 6238) en 27 november 1998 (nummers 6240 en 6241). Middelen De eiser voerde in een memorie twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 14 Grondwet; - de artikelen 6 en 7 EVRM, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - de artikelen 14 en 15 IVBPR, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981; - de artikelen 66, 461, 468, 474 en 475 Strafwetboek, - de artikelen 337 en 338 Wetboek van Strafvordering; - het algemeen beginsel van het persoonlijk karakter van de straf, het vermoeden van onschuld; - het algemeen beginsel van het recht van verdediging. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest (nummer 6240) van het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 verwerpt het verzoek van de eiser om voor hem individueel aan de jury van het Hof van Assisen in hoofdorde de vraag te stellen of het gebleken is dat de diefstal gepleegd werd als dader door middel van geweld of bedreiging en subsidiair of het gebleken is dat de diefstal door middel van geweld gepleegd werd zonder het oogmerk om te doden en toch de dood veroorzaakt heeft van D. D. M.. Het bestreden arrest (nr. 6241) van het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998, veroordeelt de eiser tot 30 jaar opsluiting wegens diefstal door middel van geweld of bedreiging, zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg van D. D. M.. De eiser had in zijn conclusie, regelmatig ingediend ter zitting van het hof van assisen op 27 november 1998 laten gelden dat hij gerechtigd is op een individuele beoordeling, niet alleen over de vraag naar zijn betrokkenheid aan de hem ten laste gelegde feiten maar evenzeer of hij al dan niet als mededader beschouwd dient te worden in de zin van artikel 66 Strafwetboek zowel voor het hoofdfeit als voor de verzwarende omstandigheden zoals door het openbaar ministerie gevorderd. De eiser had in dit verband laten gelden dat hij iedere betrokkenheid aan het mededaderschap voor inbreuk op de artikelen 474 en 475 Strafwetboek ontkend. Het bestreden arrest oordeelt dat de diefstal het hoofdfeit uitmaakt zodat alle reële verzwarende omstandigheden al diegenen treffen die aan de diefstal hebben deelgenomen, zelfs als hun rechtstreekse en persoonlijke deelneming aan het geweld, aan de ongewilde dood of aan de doodslag niet is bewezen en zij deze niet hebben gewild. Het hof van assisen oordeelt op deze gronden dat bij de vraagstelling aan de jury de reële verzwarende omstandigheden niet mogen geïndividualiseerd worden. Het bestreden arrest doet als volgt uitspraak over het gemotiveerde verzoek van de eiser: "Overwegende dat (eiser) bij monde van zijn raadsman bij besluiten op heden ter zitting neergelegd, verzoekt dat voormelde vragen 4, 5 en 6 individueel zouden gesteld worden, wat deze beschuldigde betreft, gecombineerd met de vragen naar de strafbare deelneming, zoals omschreven in artikel 66 van het Strafwetboek; Overwegende dat voor het bestaan van de strafbare deelneming in de zin van artikel 66 Strafwetboek niet vereist is dat de mededader kennis zou hebben van al de bijzondere uitvoeringsmodaliteiten van de misdaad waaraan hij heeft deelgenomen, zoals onder meer de verzwarende omstandigheden waarmee het plegen ervan kan gepaard gaan; Overwegende dat de verzwarende omstandigheid omschreven in artikel 468 Strafwetboek (vraag 5) zijnde de diefstal door middel van geweld of bedreiging, het artikel 474 Strafwetboek (vraag 6) zijnde de diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder het oogmerk om te doden en toch de dood heeft veroorzaakt en het artikel 475 Strafwetboek (vraag 4) zijnde de doodslag gepleegd om de diefstal te vergemakkelijken of om de straffeloosheid ervan te verzekeren, objectieve verzwarende omstandigheden zijn toepasselijk op alle deelnemers van de diefstal, ook al hebben zij geen geweld of bedreiging gebruikt, of de dood van slachtoffer niet hebben gewild of geen rechtstreekse persoonlijke deelneming aan de doodslag hebben gehad; Overwegende dat de diefstal van ca. 60.000 frank ten nadele van D. D. M. dus het hoofdfeit uitmaakt, zodat alle voormelde reële verzwarende omstandigheden al diegenen treffen die aan de diefstal hebben deelgenomen, zelfs als hun rechtstreekse en persoonlijke deelneming aan het geweld, aan de ongewilde dood of aan de doodslag niet is bewezen en zij deze niet hebben gewild; Overwegende dat het [hof van assisen] derhalve bij de vraagstelling aan de jury niet vermag om de reële verzwarende omstandigheden, vervat in de vragen 4, 5 en 6 te individualiseren zoals gevraagd door [de eiser]" (bestreden arrest nummer 6240 van 27 november 1998, bladzijde 2 in fine en 3). Grieven Eerste onderdeel De eiser had in zijn regelmatig ter zitting van het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen ingediende conclusie laten gelden dat hij gerechtigd is op een individuele beoordeling van zijn beweerde betrokkenheid aan de hem ten laste gelegde feiten en dat zulks impliceert dat de jury in staat dient te worden gesteld individueel zowel te oordelen over het hoofdfeit als over de verzwarende omstandigheden. De aan de jury gestelde vragen nummer 4, 5 en 6 hebben respectievelijk betrekking op de doodslag (vraag 4), de aanwezigheid van het geweld of bedreiging (vraag 5) en de omstandigheid dat het geweld of de bedreiging zonder het oogmerk om te doden en toch de dood heeft veroorzaakt van het slachtoffer (vraag 6). De omstandigheid dat de vragen met betrekking tot de verzwarende omstandigheden niet individueel werden gesteld met betrekking tot elk van de drie beschuldigden heeft tot gevolg dat de jury in de volstrekte onmogelijkheid verkeerde een individueel oordeel uit te brengen met betrekking tot de betrokkenheid van de eiser aan het geweld en/of aan de doodslag. Als gevolg van de vraagstelling, zoals geformuleerd door het hof van assisen, had een positief antwoord op één van de vragen met betrekking tot de verzwarende omstandigheden automatisch tot gevolg dat deze verzwarende omstandigheid voor elk van de drie beschuldigden werd toegepast, ook indien slechts één van de beschuldigden zich schuldig zou hebben gemaakt aan het geweld of de doodslag omschreven in de vragen 4 tot en met
  6. Zodoende was het voor de jury onmogelijk te oordelen dat slechts één of twee van de drie beschuldigden zich aan het geweld, gepleegd op de persoon van D. D. M. zou hebben schuldig gemaakt. Het algemeen beginsel van het recht van verdediging vereist dat de jury in staat gesteld wordt een oordeel te geven nopens de schuld van elk van de beschuldigden aan de ten laste gelegde feiten. De omstandigheid dat de verzwarende omstandigheid bewezen wordt verklaard voor alle beschuldigden, zelfs indien zou blijken dat slechts enkele beschuldigden zich aan het plegen ervan schuldig hebben gemaakt, heeft tot gevolg dat de tegen de eiser uitgesproken straf minstens gedeeltelijk uitgesproken werd voor feiten van geweld die door een andere beschuldigde werden gepleegd. Het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen stelt in zijn tussenarrest nummer 6240 van 27 november 1998 uitdrukkelijk dat alle voormelde reële verzwarende omstandigheden al diegenen treffen die aan de diefstal hebben deelgenomen en dat deze regel dient te worden toegepast zelfs als de deelneming aan dit geweld niet is bewezen en zij deze niet hebben gewild (arrest nr. 6240, bladzijde 3). Het hof van assisen geeft met deze redengeving te kennen dat de strafverzwaring ingevolge de bewezen verklaarde verzwarende omstandigheden ook op de eiser kan worden toegepast zelfs indien deze verzwarende omstandigheid wat hem betreft niet bewezen is. Het hof van assisen veroordeelt op grond van deze vraagstelling in het eindarrest nummer 6241 van 27 november 1998 de eiser tot 30 jaar opsluiting wegens diefstal met geweld of bedreiging en met de omstandigheid dat het geweld de dood heeft veroorzaakt van het slachtoffer D. D. M.. Uit de samenhang van het tussenarrest nummer 6240 en het eindarrest nummer 6241 van 27 november 1998 blijkt dat de eiser tot een straf van 30 jaar opsluiting wordt veroordeeld maar dat het hof van assisen tegelijk aanneemt dat het geweld, dat de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt door iemand anders kan gepleegd zijn. Het algemeen beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen wordt geschonden door de rechter die de beklaagde tot een straf veroordeelt, maar toch aanneemt dat het feit door iemand anders kan gepleegd zijn. Het hof van assisen derhalve, door in het arrest nummer 6240 het verzoek van de eiser tot individuele vraagstelling af te wijzen en vervolgens in het arrest nummer 6241 de eiser te veroordelen tot een straf van 30 jaar opsluiting, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van alle in het middel aangeduide bepalingen). Tweede onderdeel Het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen oordeelt dat de verzwarende omstandigheden omschreven in de vragen nummer 4, 5 en 6 objectieve verzwarende omstandigheden zijn die toepasselijk zijn op alle deelnemers van de diefstal (bestreden arrest nummer 6240, bladzijde 3). Het hof van assisen leidt uit deze vaststelling af dat het bij de vraagstelling aan de jury niet vermag om de reële verzwarende omstandigheden te individualiseren. Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen evenwel de vragen met betrekking tot de objectieve verzwarende omstandigheden afzonderlijk voor iedere beschuldigde worden gesteld wanneer een misdaad aan verscheidene beschuldigden ten laste wordt gelegd. Bovendien verbiedt geen enkele wettelijke bepaling dat vragen over de objectieve verzwarende omstandigheden zouden worden gesteld voor iedere beschuldigde. Het bestreden arrest leidt derhalve uit de loutere omstandigheid dat de verzwarende omstandigheden een objectief karakter hebben, ten onrechte af dat het niet toegestaan is om de vragen omtrent deze verzwarende omstandigheden te individualiseren zoals door de eiser gevraagd, daar geen enkele wettelijke bepaling verbiedt dat deze vragen individueel zouden worden gesteld. Daar geen enkele wettelijke bepaling een individualisering van deze vragen verbiedt, is het duidelijk dat de loutere omstandigheid van het objectieve karakter van deze verzwarende omstandigheden, omschreven in de artikelen 468, 474 en 475 Strafwetboek, niet verhindert dat de desbetreffende vragen individueel per beschuldigde zouden worden gesteld. De magistraten van het hof van assisen hebben dan ook de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen geschonden. De vernietiging van het tussenarrest nummer 6240 van 27 november 1998 strekt zich uit tot het eindarrest nummer 6241 eveneens gewezen op 27 november
  7. De magistraten van het hof van assisen derhalve door te oordelen dat het objectieve karakter van de in de artikelen 468, 474 en 475 Strafwetboek beschreven verzwarende omstandigheden een individuele vraagstelling per beschuldigde verhindert, verantwoorden hun beslissing niet naar recht verantwoorden (schending van de artikelen 14 Grondwet, de artikelen 6 en 7 EVRM, de artikelen 14 en 15 IVBPR, de artikelen 6, 461, 468, 474 en 475 Strafwetboek, de artikelen 337 en 338 Wetboek van Strafvordering, het algemeen beginsel van het persoonlijk karakter van de straf, het vermoeden van onschuld en het algemeen beginsel van het recht van verdediging). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 63 en 77 Jeugdbeschermingswet; - het algemeen beginsel van het recht van verdediging en van het vermoeden van onschuld. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest nummer 6283, gewezen door het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen op 20 november 1998, wijst het verzoek van de derde beschuldigde af om bepaalde passages uit de akte van beschuldiging uit het debat te weren en onleesbaar te maken en alle dossiers bevattende gegevens verkregen via toepassing van de Jeugdbeschermingswet uit het strafdossier te verwijderen. De derde beschuldigde had in zijn conclusie, regelmatig ingediend ter zitting van het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen op 20 november 1998, laten gelden dat in bepaalde passages uit de akte van beschuldiging feiten worden omschreven waarvan het openbaar ministerie kennis heeft kunnen nemen omwille van het feit dat het meegewerkt heeft aan de toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming. Hij had laten gelden dat door de openbaarmaking van de akte van beschuldiging door de voorlezing ervan door de griffier in de vorm zoals zij werd betekend en door de voeging ervan bij de stukken van het strafdossier een schending werd begaan van artikel 77 Jeugdbeschermingswet, alsook door de voeging van de dossiers van de jeugdrechtbank zoals gevorderd door het openbaar ministerie. Het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen wijst het verzoek van de derde beschuldigde als volgt als ongegrond af: "Gelet op de besluiten van de derde beschuldigde M. Ö. waarin gevraagd wordt bepaalde passages uit de akte van beschuldiging uit het debat te weren en onleesbaar te maken vooraleer gevoegd te worden en dat alle dossiers bevattende gegevens verkregen via toepassing van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming uit het strafdossier zouden worden verwijderd; Overwegende dat de gewraakte passages enkel betrekking hebben op feiten waaraan de toen minderjarige M. Ö. zich schuldig maakte en op de maatregel die de jeugdrechtbank daarvoor uitsprak; Overwegende dat artikel 77 van voormelde wet op de jeugdbescherming moet samen gelezen worden met artikel 63 van deze wet, krachtens dewelke de maatregelen die ingevolge artikel 36, 1°, 3° en 4°, 37 en 39 van de voormelde wet worden bevolen, aan de gerechtelijke overheden ter kennis mogen worden gebracht; Overwegende dat waar die maatregelen ter kennis mogen worden gebracht aan een gerechtelijke overheid, zij in casu aan het hof van assisen mogen medegedeeld en voorgelezen worden, daar zij door het openbaar ministerie worden ingebracht; Overwegende dat aldus ook de dossiers waarin enkel de feiten die tot die maatregel aanleiding gaven - en waaruit het ambt van de procureur-generaal zorgvuldig de stukken van de persoonlijkheidsdossiers heeft verwijderd - mogen gevoegd worden en dat in die dossiers geen medisch-psychologische en sociale expertises welke destijds eventueel door de jeugdrechtbank zou bevolen zijn, voorkomen; Overwegende dat het hof van assisen feiten uit de jeugdjaren van de beschuldigden in overweging mag nemen, mits hierover tegenspraak kan gevoerd worden door alle partijen, in zoverre deze feiten op rechtsgeldige wijze ter kennis werden gebracht van het hof van assisen, zoals in casu het geval is; Overwegende dat de vermelding van deze feiten, die voldoende geloofwaardig kunnen geacht worden, het hof van assisen de mogelijkheid biedt alle aspecten van de persoonlijkheid van de beschuldigden te onderzoeken naar waarheid zonder enige tenlastelegging in te houden noch het aan de beschuldigden toekomende vermoeden van onschuld betreffende de hen thans ten laste gelegde feiten aan te tasten, teneinde over de schuld of onschuld van de beschuldigden te oordelen" (bestreden arrest nummer 6238, bladzijde 2 en 3). Grieven Op bladzijde 16 van de akte van inbeschuldigingstelling worden nadere gegevens bekend gemaakt met betrekking tot strafbare feiten die door de eiser en de derde beschuldigde zouden zijn gepleegd op 28 november 1992 en 1 december 1992 en waarvoor de Jeugdrechtbank te Gent onder meer de eiser onder toezicht plaatste (akte van beschuldiging, bladzijde 16 in fine). Dezelfde akte van beschuldiging op de bladzijden 17 en 18 eveneens melding maakt van nadere details omtrent strafbare feiten die door de derde beschuldigde alleen zouden zijn gepleegd en eveneens opnieuw met betrekking tot de feiten van 28 november en 1 december 1992 die samen met de eiser zouden zijn gepleegd (akte van beschuldiging, bladzijde 17, in fine). Het Hof van Assisen van de Provincie Oost-Vlaanderen oordeelt dat artikel 77 Jeugdbeschermingswet moet worden samen gelezen met artikel 63 van die wet, krachtens dewelke de maatregelen die ingevolge de artikelen 36, 1°, 3° en 4°, 37 en 39 van voormelde wet worden bevolen, aan de gerechtelijke overheden ter kennis mogen worden gebracht. Het hof van assisen besluit hieruit dat, waar die maatregelen ter kennis mogen worden gebracht aan een gerechtelijke overheid, zij in casu ook aan het hof van assisen mogen worden medegedeeld. Het hof van assisen hieruit evenwel besluit dat ook de dossiers waarin enkel de feiten die tot die maatregel aanleiding gaven mogen gevoegd worden en dat het hof van assisen feiten uit de jeugdjaren van de beschuldigden in overweging mag nemen, mits hierover tegenspraak kan gevoerd worden door alle partijen. Artikel 77 Jeugdbeschermingswet legt elke persoon die zijn medewerking verleent aan de toepassing van deze wet, een geheimhoudingsplicht op van de feiten die hem in de uitoefening van zijn opdracht worden toevertrouwd en die hiermede verband houden. Artikel 63 van voormelde wet enkel voorschrijft dat de ontzetting van het ouderlijk gezag en de door de jeugdrechtbank bevolen maatregelen in het strafregister van de betrokkenen worden vermeld en dat deze maatregelen aan de gerechtelijke overheden ter kennis mogen worden gebracht. Artikel 63 Jeugdbeschermingswet derhalve een uitzondering inhoudt op het algemeen verbod van bekendmaking, zoals omschreven in artikel 77 van diezelfde wet en dan ook beperkend dient te worden geïnterpreteerd. De mededeling van dergelijke maatregelen aan de gerechtelijke overheden overeenkomstig artikel 63, derde lid Jeugdbeschermingswet laat niet toe dat het openbaar ministerie in de akte van beschuldiging details omtrent dergelijke dossiers mag bekend maken of dat dergelijke dossiers bij de stukken van de rechtspleging mogen worden gevoegd. De bekendmaking van de feitelijke omstandigheden van deze dossiers en a fortiori de voeging van deze dossiers bij de stukken van de rechtspleging kunnen immers niet meer worden beschouwd als het ter kennis brengen van de door de jeugdrechtbank getroffen maatregelen aan de gerechtelijke overheden. Het hof van assisen, door op grond van artikel 63 Jeugdbeschermingswet te oordelen dat de betrokken dossiers, inhoudende de feiten die tot de maatregel aanleiding hebben gegeven, mogen gevoegd worden en dat deze feiten mogen vermeld worden in de akte van beschuldiging, geeft dan ook van artikel 63 Jeugdbeschermingswet een interpretatie die niet strookt met de beperkende draagwijdte van dit artikel. De vernietiging van het tussenarrest nummer 6238 heeft eveneens de vernietiging tot gevolg van het eindarrest nummer 6241, gewezen op 27 november
  8. De magistraten van het hof van assisen verantwoorden derhalve hun beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 63 en 77 Jeugdbeschermingswet en miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld). Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  9. De artikelen 468, 474 en 475 Strafwetboek bepalen omstandigheden bij diefstal, die aanleiding geven tot strafverzwaring. Deze omstandigheden werden vroeger door de rechtspraak beschouwd als objectieve verzwarende omstandigheden, zodat de persoonlijke betrokkenheid bij deze omstandigheden van de mededader of medeplichtige onverschillig was.
  10. Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6 EVRM en 14 IVBPR maakt dergelijke uitlegging van de wet ontoelaatbaar. Ze vereisen integendeel de beoordeling van deze omstandigheden in hoofde van elke mededader of medeplichtige afzonderlijk.
  11. Hieruit volgt dat wanneer iemand beschuldigd wordt van een diefstal met een van de verzwarende omstandigheden van de artikelen 468, 474 en 475 Strafwetboek, het hof van assisen de jury daaromtrent een geïndividualiseerde vraag moet stellen. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  12. Het tweede onderdeel dat niet tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing kan leiden, behoeft geen antwoord. Tweede middel
  13. Het middel is gericht tegen het arrest van 20 november 1998 (num¬mer 6238) dat het verzoek van de eiser afwijst waarbij hij verzocht bepaalde passages te schrappen uit de akte van beschuldiging.
  14. Krachtens artikel 442quinquies Wetboek van Strafvordering kan de heropening van de rechtspleging enkel betrekking hebben op beslissingen waarvan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat die ten gronde strijdig zijn met het EVRM.
  15. Daar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet was gevat over de in het middel bestreden beslissing en daar dus ook geen uitspraak over doet, behoeft dit middel thans geen antwoord meer. Gevolgen van de cassatie
  16. De aanvrager verzoekt thans tot een cassatie zonder verwijzing.
  17. Anders dan de aanvrager aanvoert, vereist een individuele berechting niet dat alle beschuldigden samen voor de rechter verschijnen. De afweging van ieders aandeel kan ook geschieden buiten de aanwezigheid van medebeschuldigden.
  18. Of de redelijke termijn al dan niet is overschreden is een feitelijk gegeven waarvan de beoordeling toekomt aan de rechter op verwijzing. Omvang van de cassatie
  19. De vernietiging omvat enkel de vraagstelling aan de jury betreffende de schuld van de eiser aan de verzwarende omstandigheden en de hem opgelegde straftoemeting.
  20. Omdat de herziening de eiser geen nadeel mag toebrengen, mogen aan de jury slechts vragen gesteld worden over de verzwarende omstandigheid omschreven in artikel 468 Strafwetboek van diefstal door middel van geweld of bedreiging en betreffende de verzwarende omstandigheid omschreven in artikel 474 Strafwetboek van diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood heeft veroorzaakt.
  21. Krachtens artikel 442bis Wetboek van Strafvordering kan de heropening van de rechtspleging enkel gevraagd worden wat de strafvordering betreft. Daaruit volgt dat ingeval van heropening van de rechtspleging, de cassatie niet kan uitgebreid worden tot de beslissingen over de schadevergoedingen voor de burgerlijke partijen. Dictum Het Hof, Verklaart de aanvraag tot heropening van de rechtspleging betreffende het arrest nr. 6238 van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 20 november 1998 niet ontvankelijk. Beveelt voor het overige de heropening van de rechtspleging die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof van 16 februari
  22. Trekt het arrest van 16 februari 1999 (P.98.1624.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6) in, in zoverre dit het cassatieberoep van de eiser tegen de arresten van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 (nummers 6240 en 6241) verwerpt. Doet hierover opnieuw recht. Vernietigt het arrest van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 (nummer 6240) in zoverre dit het verzoek van de eiser afwijst, waarbij hij verzocht de vragen 4, 5 en 6 individueel te stellen, wat hem betreft, gecombineerd met de vragen naar de strafbare deelneming, zoals omschreven in artikel 66 Strafwetboek. Vernietigt het arrest van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 november 1998 (nummer 6241) in zoverre dit de eiser veroordeelt tot straf, bijdrage en kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Assisen van de provincie West-Vlaanderen. Zegt dat dit hof van assisen uitspraak zal doen over: - de schuld van de eiser aan de verzwarende omstandigheden van diefstal door middel van geweld of bedreiging, omschreven in artikel 468 Strafwetboek, en van diefstal met geweld of bedreiging gepleegd zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood heeft veroorzaakt, omschreven in artikel 474 Strafwetboek; - de straftoemeting tegen de eiser; - de bijdrage en de kosten; - de eventuele veroordeling van de Belgische Staat overeenkomstig artikel 442septies, § 2, Wetboek van Strafvordering. Laat de kosten ten laste van de Staat. Begroot de kosten op 180,64 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, de raadsheren Jean-Pierre Frère, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 17 juni 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080617.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090211.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.5 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100413.5 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201020.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221026.2F.13 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221130.2F.19 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.25 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090211.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221109.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.