id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080619.3 Rolnummer: F.07.0003.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2008-07-01 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-07-03 04:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een naar aanleiding van de overdracht van een handelszaak behaalde stopzettingsmeerwaarde is belastbaar op het ogenblik dat de schuldvordering van de overdrager zeker en vaststaande wordt; indien de betaling van de overdrachtsprijs onder opschortende voorwaarde is bedongen, wordt de behaalde meerwaarde belastbaar op het ogenblik waarop de opschortende voorwaarde wordt vervuld. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Stopzettingsvergoedingen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten Vrije woorden: Overdracht van een handelszaak - Stopzettingsmeerwaarden - Ogenblik van belastbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Artt. 20, 4° en 31, 1° Tekst van de beslissing Nr. F.07.0003.N
- V. M. A, en,
- D.E., eisers, met als raadsman mr. Johan Speecke, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 8B, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen te Gent, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6, bus 604, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 mei 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1317 t/m 1322 van het Burgerlijk Wetboek en van de bewijskracht van de akten, meer bepaald van het verslag van de algemene vergadering van 5 maart 1989 preliminair aan de stichting der vennootschappen; - de artikelen 20, 4°, en artikel 31, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), d.i. voor de coördinatie van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bij koninklijk besluit van 10 april 1992, bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, en zoals van toepassing tijdens de aanslagjaren 1990 en 1991; - artikel 93, §1, 2°, b, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), d.i. voor de coördinatie van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bij koninklijk besluit van 10 april 1992, bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, en zoals van toepassing tijdens de aanslagjaar 1990. Aangevochten beslissingen De appelrechters komen tot het besluit dat, alhoewel een stopzettingsmeerwaarde ook belastbaar is wanneer een bedrag werd vastgesteld in bv. een akte opgesteld n.a.v. de stopzetting van de werkzaamheid waarvoor die activa werden gebruikt, het verslag van 5 maart 1989 ten deze een dubbele opschortende voorwaarde bevat t.a.v. de daaruit voortvloeiende verbintenissen en dat derhalve de meerwaarde die de akte aan het licht brengt slechts belastbaar is op het ogenblik dat aan de opschortende voorwaarde(n) is voldaan, d.i. in 1990, aanslagjaar 1991, een en ander op grond van de volgende overwegingen. "Krachtens artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek, is een verbintenis voorwaardelijk wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis. De overeenkomst waarbij een verbintenis onder opschortende voorwaarde is aangegaan bestaat ook al is de verbintenis tot uitvoering opgeschort. Te dezen blijken de belangrijkste verbintenissen te zijn opgeschort zowel van de kant van de (eisers) (de inbreng) als van de kant van de overnemers (de betaling) en dit totdat de vennootschappen daadwerkelijk werden opgericht, welke stichtingsakten daarenboven nog moeten goedgekeurd worden door de maatschappijen-opdrachtgevers. Niet alleen zijn een aantal verbintenissen afhankelijk van de daadwerkelijke oprichting van de vennootschappen, doch bovendien is de oprichting van de vennootschappen afhankelijk van de goedkeuring der ontwerpen door de diverse maatschappijen-opdrachtgevers hetgeen als een dubbele opschortende voorwaarde moet worden aangemerkt. Tevergeefs zetten de (eisers) uiteen dat het een verbintenis met tijdsbepaling betreft. Een verbintenis met tijdsbepaling is die waarbij voor het begin of voor het einde van de verplichting een termijn bepaald is, waarbij de uitvoering van de verbintenis wordt uitgesteld (artikel 1185 van het Burgerlijk Wetboek). De voorwaarde schort echter de verbintenissen op. Te dezen echter worden de verbintenissen opgeschort tot een toekomstige gebeurtenis zal plaats vinden (de oprichting van vennootschappen) op een niet te bepalen tijdstip (onzeker). Daar waar in principe de belastbaarheid van de meerwaarde ontstaat op de datum van de akte die het bestaan ervan aan het licht bracht, is de meerwaarde, wanneer de verbintenissen zijn opgeschort, slechts belastbaar in het jaar waarin aan de opschortende voorwaarde voldaan is. Dit heeft voor gevolg dat vermits de oprichtingsakte zich alle in het jaar 1990 situeren, de stopzettingsmeerwaarde slechts belastbaar is in het aanslagjaar 1991". Grieven Eerste onderdeel Om tot dit besluit te komen steunen de appelrechters op de lezing van het verslag van 5 maart 1989 (dat overigens tijdig aan de fiscus werd medegedeeld om op grond van artikel 263, §1, 4°, en §2, 4°, WIB
(1964), thans artikel 358, §1, 4°, en §2, 4°, WIB
(1992)nog te kunnen taxeren voor aanslagjaar 1990), meer bepaald (zie arrest a quo, folio 590 en 591): "Na een tussenkomst van de aanwezige accountant die de waarderingsregels bij inbreng uiteenzet en verklaart, en na een gedetailleerde bespreking van de problematiek, besluit de vergadering bij eenparigheid van stemmen aan de heer A.V.M.voor zijn diverse quasi-inbrengen volgende vergoedingen toe te kennen:
- voor de inbreng in de NV Verzekeringskantoor en agentschap NMKN: - de materiële vastliggende activa voor hun netto boekwaarde; - de verzekeringsportefeuille voor twee jaar de bruto ontvangsten aan commissieloon; - de portefeuille NMKN voor een jaar de bruto ontvangsten aan commissieloon.
- voor de inbreng in de NV Dienstenkantoor Van Meenen: - de materiële vaste activa voor hun netto boekwaarde; - de goodwill voor een tussen partijen bepaalde prijs van 4.500.000 frank. Verder wordt overeengekomen dat de betaling der overnamecontracten het onderwerp zal uitmaken van een afzonderlijke overeenkomst maar dat geen aanzuivering der schuld zal geëist worden vooraleer de diverse vennootschappen over de nodige kredieten (waarover onderhandelingen reeds gevoerd werden en waarvoor de principiële toezegging reeds verkregen werd) zullen kunnen beschikken. Een en ander kan slechts plaatsgrijpen na het verlijden der stichtingsakten (waarvoor moet gewacht worden tot de goedkeuring der ontwerpen door de diverse maatschappijen-opdrachtgevers in casu NMKN & NILK)". Artikel 31, 1°, WIB
(1964), zoals van toepassing tijdens de aanslagjaren 1990 en 1991, bepaalt dat "winsten en baten als bedoeld in artikel 20, 4°, zijn, 1°. Die welke worden behaald of vastgesteld uit hoofde of ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting, door de belastingplichtige, van zijn de exploitatie van zijn bedrijf of van de uitoefening van een vrij beroep, een ambt, post of winstgevende activiteit en die voortkomen van meerwaarden op lichamelijke of onlichamelijke activa, met inbegrip van grondstoffen, producten en koopwaren, die voor die exploitatie, dat beroep of die bezigheid werden gebruikt" en artikel 93, §1, 2°, b, WIB
(1964)bepaalt dat "(...) afzonderlijk belastbaar zijn (...) 2° tegen een aanslagvoet van 16,5 pct. : b. (...) de in artikel 31, 1°, bedoelde winsten of baten". Door bedoeld verslag wordt ontegensprekelijk een (meer)waarde gekleefd (vastgesteld) op de eenmanszaak van de eiser, met haar materiële en immateriële bestanddelen. Dit wordt ook als dusdanig door de appelrechters erkend. De appelrechters beslissen evenwel dat de meerwaarde die bestaat door de akte die het bestaan ervan aan het licht brengt, wanneer de verbintenissen zijn opgeschort, slechts belastbaar is in het jaar waarin de aan de opschortende voorwaarden is voldaan. Artikel 1101 van het Burgerlijk Wetboek definieert een contract als "een overeenkomst waarbij een of meer personen zich jegens een of meer andere verbinden iets te geven, te doen, of niet te doen". Artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "een verbintenis voorwaardelijk is, wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft". Enkel verbintenissen kunnen aan modaliteiten, zoals voorwaarden of tijdsbepalingen worden onderworpen. Men ziet niet in hoe de vaststelling van een meerwaarde een verbintenis kan uitmaken (die al dan niet aan een opschortende voorwaarde is onderworpen). Een vaststelling (van een stopzettingsmeerwaarde) is geen verbintenis maar een louter rechtsfeit, aangezien de loutere vaststelling van de stopzettingsmeerwaarde een afzonderlijke oorzaak van belastbaarheid uitmaakt, maar ook niets meer dan dat. Het feit dat de betaling van de prijs voor de overlating, inclusief de stopzettingsmeerwaarde ("betaling van de overnamecontracten" en "aanzuivering van de schuld"; daarom nog niet de boeking van de schuld) zou onderworpen zijn aan een of meerdere opschortende voorwaarden (oprichting/goedkeuring) dan wel aan een tijdsbepaling (afzonderlijke contracten en de nodige liquiditeiten), impliceert niet dat de in het verslag van 5 maart 1989 bepaalde of bepaalbaar gemaakte stopzettingsmeerwaarde zelf aan een opschortende voorwaarde is onderworpen (men ziet overigens niet in hoe dit zou kunnen). Hoogstens is de oprichting van de vennootschappen na goedkeuring van de ontwerpstatuten een opschortende voorwaarde of een tijdsbepaling voor de effectieve exploitatie van en door deze vennootschappen, maar dit kan evenmin teweegbrengen dat de vaststelling en derhalve de belastbaarheid van de stopzettingsmeerwaarde aan een opschortende voorwaarde zou zijn onderworpen. De stopzettingsmeerwaarde staat integendeel vast door het verslag van 5 maart 1989 opgemaakt ter gelegenheid van de nakende effectieve stopzetting gelet op de richtlijn van de toenmalige Bankcommissie en is aldus belastbaar volgens de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 31, 1°, WIB
(1964), n.l. omdat zelfs vastgesteld ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting (dit belet niet dat de meerwaarde is vastgesteld in akten, weliswaar van v66r de werkelijke stopzetting, maar die in feite naar aanleiding van die stopzetting zijn opgemaakt of die de stopzetting tot gevolg hebben gehad: COM.I.B. 1992, nr. 28/22). De appelrechters konden derhalve niet zonder schending van de artikelen 1317 t/m 1322 van het Burgerlijk Wetboek en van de bewijskracht van het verslag van 5 maart 1989 en van de artikelen 1101 en 1168 van het Burgerlijk Wetboek en de artikel 20, 4° en 31, 1°, en 93, §1, 2°, b, WIB
(1964)beslissen dat, waar in principe de belastbaarheid van de meerwaarde ontstaat op de datum van de akte die het bestaan ervan aan het licht bracht, de meerwaarde, wanneer de verbintenissen zijn opgeschort, slechts belastbaar is in het jaar waarin de opschortende voorwaarde voldaan is. Tweede onderdeel Aangenomen dat de vaststelling van een stopzettingsmeerwaarde toch aan een opschortende voorwaarde zou kunnen worden onderworpen, dan geven de appelrechters aan het verslag van 5 maart 1989 een uitleg, n.l. dat de vaststelling van de stopzettingsmeerwaarde zou zijn onderworpen aan een dubbele opschortende voorwaarde, n.l. de oprichting van de vennootschappen en de goedkeuring (van de ontwerpstatuten) door de diverse maatschappijen-opdrachtgevers, die onverenigbaar is met de bewoordingen. "Een en ander" in bedoeld verslag kan niet anders betekenen dan dat (enkel) de betaling ("betaling van de overnamekontrakten" en "aanzuivering van de schuld") van de stopzettingsmeerwaarde afhankelijk is van een of meerdere opschortende voorwaarden (oprichting goedkeuring) dan wel van een tijdsbepaling (afzonderlijke contracten en de nodige liquiditeiten). Of het nu om een opschortende voorwaarde(n) dan wel om een tijdsbepaling gaat is derhalve niet relevant, aangezien beide niet slaan op het belastbaar feit van de vaststelling van de stopzettingsmeerwaarde en artikel 31, 1°, WIB
(1964)de loutere vaststelling van de stopzettingsmeerwaarde als een afzonderlijke oorzaak van belastbaarheid aanmerkt (met dien verstande dat, wanneer het tijdstip van vaststellen en het tijdstip van behalen niet in hetzelfde belastbare tijdperk vallen, de fiscus niet vrij is om te kiezen in welke periode de meerwaarde belastbaar is : COM.I.B.
(1992), nr. 28/36). De appelrechters konden derhalve niet zonder schending van de artikelen 1317 t/m 1322 van het Burgerlijk Wetboek en van bewijskracht van het verslag van 5 maart 1989 en van de artikelen 1101 en 1168 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 31, 1°, en 20, 4°, en 93, §1, 2, b, WIB
(1964)beslissen dat, waar in principe de belastbaarheid van de meerwaarde ontstaat op de datum van de akte die het bestaan ervan aan het licht bracht, de meerwaarde, wanneer de verbintenissen zijn opgeschort, slechts belastbaar is in het jaar waarin de opschortende voorwaarde voldaan is. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 20, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zijn als bedrijfsinkomsten aan te merken de winsten en baten die betrekking hebben op een zelfstandige beroepswerkzaamheid die voorheen werd uitge¬oefend door de genieter of door de persoon waarvan hij de rechtverkrijgende is. Krachtens artikel 31, 1°, van dit wetboek, zijn winsten en baten die betrekking hebben op een zelfstandige beroepswerkzaamheid die voorheen werd uitgeoefend door de genieter of door de persoon waarvan hij de rechtverkrijgende is, die welke worden behaald of vastgesteld uit hoofde of ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting, door de belastingplichtige, van de exploitatie van zijn bedrijf of van de uitoefening van een vrij beroep, een ambt, post of winstgevende bezigheid en die voortkomen van meerwaarden op lichamelijke of onlichamelijke activa, met inbegrip van grondstoffen, producten en koopwaren, die voor die exploitatie, dat beroep of die bezigheid werden gebruikt.
- Een behaalde stopzettingsmeerwaarde is belastbaar op het ogenblik dat de schuldvordering van de overdrager zeker en vaststaande wordt. Indien de betaling van de overdrachtsprijs onder opschortende voorwaarde is bedongen, wordt de behaalde meerwaarde belastbaar op het ogenblik waarop de opschortende voorwaarde wordt vervuld.
- De appelrechters stellen vast dat: - de belangrijkste verbintenissen zowel van de kant van de eisers (de inbreng) als van de kant van de overnemers (de betaling) blijken te zijn opgeschort totdat de vennootschappen werkelijk werden opgericht, welke stichtingsakten daarenboven nog moeten worden goedgekeurd door de maatschappijen-opdrachtgevers; - niet alleen een aantal verbintenissen afhankelijk zijn van de daadwerkelijke oprichting van de vennootschappen, maar bovendien de oprichting van de vennootschappen af¬hankelijk is van de goedkeuring der ontwerpen door de diverse maatschappijen-opdrachtgevers hetgeen als een dubbele opschortende voorwaarde moet worden aan¬gemerkt.
- Door op grond van die vaststellingen te beslissen dat, wanneer de verbintenissen zijn opgeschort, de meerwaarde slechts belastbaar is in het jaar waarin aan de opschortende voorwaarden is voldaan, maken de appelrechters een correcte toepassing van de in het middel als geschonden aangewezen fiscale bepalingen. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- De aangevoerde schending van de artikelen 1101 en 1168 van het Burgerlijk Wetboek is volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde stelling dat ingeval de verbintenissen van de partijen zijn opgeschort tot de vervulling van een voorwaarde, de stopzettingsmeer¬waarden niettemin belastbaar zijn op het ogenblik dat de overeenkomst onder opschortende voorwaarde is tot stand gekomen. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Het onderdeel geeft niet aan hoe en waardoor het bestreden arrest de bewijskracht van het verslag van 5 maart 1989 heeft geschonden. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters het verslag van 5 maart 1989 uitleggen in de zin dat de vaststelling van de stopzettingsmeerwaarde aan een dubbele opschortende voorwaarde is onderworpen. Vermits het arrest die beslissing niet inhoudt, gaat het onderdeel uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 83,29 euro jegens de eisende partijen en op de som van 117,80 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 19 juni 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080619.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171221.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div