id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.10 Rolnummer: C.07.0272.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 895 - laatst gezien 2026-07-03 09:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Wanneer de rechter, op grond van de artikelen 1382 en 1383 B.W., rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwettelijke of wettelijke regels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de rechter, behalve onoverwinnelijke dwaling of enige andere oorzaak van vrijstelling van aansprakelijkheid, gezien het gezag van gewijsde "erga omnes" van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat de fout tot herstel aanleiding geeft als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is
(1); de omstandigheid dat de nietigverklaring betrekking heeft op een beslissing genomen door de administratieve overheid in het raam van een haar toegekende discretionaire bevoegdheid, doet hieraan niets af.
(1)Zie Cass., 21 dec. 2001, AR C.99.0528.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011221.8, A.C., 2001, nr. 719. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband Vrije woorden: Administratieve beslissing - Machtsoverschrijding - Nietigverklaring door de Raad van State Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband Vrije woorden: Nietigverklaring van een administratieve beslissing - Machtsoverschrijding - Aansprakelijkheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband Vrije woorden: Raad van State - Nietigverklaring van een administratieve beslissing - Machtsoverschrijding - Aansprakelijkheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Fiches 4 - 5 Degene die schadevergoeding vordert, moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals zij zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat; dit oorzakelijk verband vereist dat zonder de fout de schade niet zou zijn ontstaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan
(1).
(1)Cass., 12 okt. 2005, AR P.05.0262.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051012.15, A.C., 2005, nr. 507. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OORZAAK - Begrip. Beoordeling door de rechter UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband Vrije woorden: Oorzakelijk verband - Begrip - Bewijslast Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1315, 1382 en 1383 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband Vrije woorden: Bewijslast - Aansprakelijkheid buiten overeenkomst - Oorzaak - Oorzakelijk verband Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1315, 1382 en 1383 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Fiche 6 De rechter kan degene die een fout heeft begaan niet veroordelen tot vergoeding van de werkelijk geleden schade, wanneer hij beslist dat er onzekerheid bestaat over het oorzakelijk verband tussen die fout en die schade
(1).
(1)Cass., 12 okt. 2005, AR P.05.0262.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051012.15, A.C., 2005, nr.
- Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OORZAAK - Begrip. Beoordeling door de rechter UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband Vrije woorden: Oorzakelijk verband tussen fout en schade - Onzekerheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0272.N STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door het College van burgemeester en schepenen, met kantoren te 2000 Antwerpen, Stadhuis, Grote Markt 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen DE PIJL, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Statiestraat 17, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 20 februari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 14 van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 (B.S. 21 maart 1973) gecoördineerde wetten op de Raad van State; - het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde erga omnes van de arresten van de Raad van State; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 34 en 36 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep neemt aan dat de eiseres bij het nemen van de beslissingen van 21 mei 2001 en 18 juni 2001 een fout heeft begaan en overweegt in dat verband het volgende: "2.
- De fout van de stad Antwerpen. Voor de eerste rechter betwistte (de eiseres) niet een fout begaan te hebben en gedroeg ze zich wat dit aspect betreft naar de wijsheid van de rechtbank. Thans betwist ze haar fout wel, onder verwijzing naar haar beleidsbevoegdheid in deze materie en naar het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, zetelend in kort geding, van 18 maart 2002 inzake nv De Pijl tegen de Belgische Staat en de Kansspelcommissie. Het belang van voormeld arrest van het hof van beroep van 18 maart 2002 dient gerelativeerd te worden aangezien: - appellante geen partij was in deze procedure; - het een procedure in kort geding betrof. Een uitspraak in kort geding kan geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf (artikel 1039 Gerechtelijk Wetboek), hetgeen betekent dat de bodemrechter niet gebonden is door een voorafgaande uitspraak in kort geding en dat deze uitspraak geen gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de bodemrechter; - het Hof van beroep op het ogenblik van de uitspraak van het arrest nog geen kennis had van het arrest van de Raad van State van 5 maart 2002 waarbij de beslissing van appellante van 21 mei 2001 strijdig werd bevonden met artikel 34 van de wet van 7 mei 1999; - dit arrest dateert van voor de arresten van de Raad van State van 16 juli 2002 en 21 februari 2003 (lees: 15 juli 2009), waarbij de beslissing van de stad Antwerpen van 18 juni 2001 werd geschorst, respectievelijk erga omnes nietig werd verklaard. De Raad van State heeft in het arrest van 5 maart 2002 uitdrukkelijk geoordeeld dat de stad Antwerpen door de vaststelling van bindende criteria in haar beslissing van 21 mei 2001 een voorwaarde heeft toegevoegd aan de voorwaarden die artikel 36 van de wet van 7 mei 1999 heeft vastgesteld voor het verkrijgen van een vergunning klasse B en dat de stad, door tot de verwerping van een aanvraag tot het sluiten van een convenant te beslissen na een louter mechanische toepassing van de beleidsrichtlijn van 21 mei 2001, de bevoegdheid heeft miskend die artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 haar opdraagt om elke aanvraag te beoordelen op grond van een concreet onderzoek van de zaak en de haar eigen particulariteiten. De tenuitvoerlegging van het besluit van de gemeenteraad van 21 mei 2001 wordt geschorst. Bij arrest van 16 juli 2002 heeft de Raad van State de beslissing van 18 juni 2001 geschorst. De Raad van State oordeelt dat deze beslissing van de gemeenteraad om geen convenant af te sluiten fundamenteel steunde op de beslissing van 21 mei 2001, dat de tenuitvoerlegging van deze beslissing werd geschorst en dat ze bijgevolg geen deugdelijke grondslag kon opleveren voor de beslissing van 18 juni
- Bij arrest van 21 februari 2003 heeft de Raad van State deze beslissing nietig verklaard. Uit deze arresten blijkt erga omnes dat de gemeenteraad van de stad Antwerpen bij het nemen van de beslissingen van 21 mei 2001 en 18 juni 2001 een fout heeft begaan doordat ze de artikelen 34 en 36 van de wet van 7 mei 1999 heeft geschonden". (cf. p. 7 t.e.m. 9 van het arrest). Grieven Schending van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde erga omnes van de arresten van de Raad van State, van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en artikelen 34 en 36 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.
- Wanneer de gewone rechter kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering, gegrond op machtsoverschrijding van de administratie door schending van grondwettelijke of wettelijke regels die haar voorschrijven op een bepaalde wijze niets of wel iets te doen, en die machtsoverschrijding aanleiding heeft gegeven tot nietigverklaring door de Raad van State van een administratieve handeling, moet die rechter de machtsoverschrijding vaststellen. Tenzij het bewijs wordt geleverd van onoverkomelijke dwaling of enige andere oorzaak van vrijstelling van aansprakelijkheid, moet de rechter in dat geval beslissen dat de overheid van wie de handeling nietig is verklaard, een fout heeft begaan.
- De verweerster had in haar dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg aangevoerd dat uit de vernietiging door de Raad van State van de beslissing van de eiseres van 18 juni 2001 om geen convenant te sluiten, de fout van de eiseres bleek (cf. p. 2, tweede laatste en voorlaatste alinea van de dagvaarding). De eiseres betwistte in haar beroepsconclusie dat zij enige fout had begaan. Zij benadrukte dat zij bij het beoordelen van verzoeken tot het sluiten van convenanten in de zin van artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 over een discretionaire bevoegdheid beschikte en dat zij had gehandeld als een ‘normaal en vooruitziende, voorzichtige overheid' (cf. p. 20 en 21, i.h.b. nr. 1.2 van de syntheseconclusie in hoger beroep van de stad Antwerpen).
- Artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers luidt als volgt: "De kansspelinrichtingen klasse II of speelautomatenhallen zijn inrichtingen waar uitsluitend de door de Koning toegestane kansspelen worden geëxploiteerd. Er worden ten hoogste 180 kansspelinrichtingen klasse II toegestaan. De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, alsook de openings- en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse II en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt". Artikel 36 van diezelfde wet somt de voorwaarden op waaraan de aanvrager moet voldoen om van de Kansspelcommissie een vergunning klasse B te verkrijgen. Een van deze voorwaarden is de voorlegging van het convenant dat werd gesloten tussen de kansspelinrichting en de gemeente (cf. artikel 36,
- van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers).
- De Raad van State had in voorliggend geval bij arrest nr. 109.394 van 16 juli 2002 het schorsingsverzoek van verweerster ingewilligd, onder verwijzing naar een beslissing van diezelfde Raad van 5 maart 2002 (nr. 104.314) waarbij het gemeenteraadsbesluit van de eiseres van 21 mei 2001 op het eerste gezicht onwettig werd bevonden. Bij arrest nr. 121.716 van 15 juli 2003 had de Raad van State dan de beslissing van 18 juni 2001 om geen convenant te sluiten voor de inrichtingen Monte Carlo en Circus vernietigd. In het arrest nr. 104.314 van de Raad van State van 5 maart 2002 waarnaar ook het hof van beroep verwijst (cf. p. 8, tweede alinea van het arrest), had de Raad van State beslist dat de eiseres, door tot de verwerping van een aanvraag tot het sluiten van een convenant te besluiten na een louter mechanische toepassing van het gemeenteraadsbesluit van 21 mei 2001 als ‘beleidsrichtlijn', de bevoegdheid leek te hebben miskend die het artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 haar opdroeg om elke aanvraag te beoordelen op grond van een concreet onderzoek van de zaak en de haar eigen particulariteiten. Door de vaststelling van zo'n bindend voorschrift zou de eiseres volgens de Raad van State ook een voorwaarde hebben toegevoegd aan de voorwaarden die het artikel 36 van de wet van 7 mei 1999 vaststelt voor het verkrijgen van een vergunning klasse B terwijl zij daar op het eerste gezicht niet toe bevoegd was (cf. p. 9 van het arrest nr. 104.314 van de Raad van State van 5 maart 2002).
- Dat de eiseres als gemeente discretionair oordeelde over de toekenning van een convenant, zoals artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers uitdrukkelijk stelt, werd door de Raad van State niet tegengesproken. De beslissing van de eiseres om geen convenant toe te kennen aan de verweerster werd vernietigd omdat zij de gemeenteraadsbeslissing van 21 mei 2001 als ‘beleidsrichtlijn' leek te hanteren en aldus afbreuk leek te doen aan de discretionaire bevoegdheid van de gemeente bij het beoordelen van het verzoek tot toekenning van een convenant, convenant dat een voorwaarde was voor het verkrijgen van de vergunning klasse B vermeld in artikel 36 van de wet van 7 mei
- De vernietiging van de beslissing van eiseres van 18 juni 2001 om geen convenant toe te kennen aan de verweerster, steunde aldus op de miskenning van een regel die een discretionaire bevoegdheid inhield - artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 - en niet op een vermeende machtsoverschrijding door schending van grondwettelijke of wettelijke regels die eiseres als gemeente een bepaalde handelwijze oplegden of verboden. Nu de beslissing om een dergelijk convenant te sluiten een discretionaire bevoegdheid inhield (cf. artikel 34 van de wet van 7 mei 1999), volstond het in het licht van de inhoud van deze bepaling niet om bij de beoordeling van de beweerde ‘fout' die de eiseres als overheid zou hebben begaan te verwijzen naar het arresten van de Raad van State waarbij de beslissingen van 21 mei 2001 en 18 juni 2001 vernietigd werden. Daarin werd immers geen machtsoverschrijding vastgesteld wegens schending van een wettelijke regel die de eiseres als gemeente een bepaalde handelwijze oplegde of verbood. Artikel 34 de wet van 7 mei 1999 legde de eiseres als gemeente geen bepaalde handelwijze op maar hield daarentegen een discretionaire beoordelingsbevoegdheid voor diezelfde gemeente in.
- In zoverre het hof van beroep de beslissing dat de eiseres als gemeente een extracontractuele fout beging steunt op het gezag van gewijsde erga omnes van de arresten van de Raad de State in voormelde zaak, verantwoordt het dan ook niet naar recht zijn beslissing en miskent het artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde erga omnes van de arresten van de Raad van State, de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 34 en 36 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 34 en 36 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep beoordeelt ook de schade en het oorzakelijk verband met de fout van de stad Antwerpen en overweegt in dat verband het volgende: "2.2 Het oorzakelijk verband. (De eiseres) betwist het oorzakelijk verband tussen haar fout en de schade in hoofde van (de verweerster). Volgens (de eiseres) is het oorzakelijk verband tussen de fout van de stad en de schade van (de verweerster) doorbroken door de fout van de Kansspelcommissie, die nagelaten heeft de beslissing van de gemeenteraad tot weigering van het sluiten van een convenant buiten toepassing te laten op grond van artikel 159 van de Grondwet. Bovendien stelt (de eiseres) dat er geen oorzakelijk verband is tussen de fout van de stad en de schade van (de verweerster), vermits uit de beslissing van 13 oktober 2003 blijkt dat een convenant hoe dan ook zou geweigerd zijn. 2.2.
- De vermeende fout van de Kansspelcommissie. 2.2.
- De mogelijkheid tot het bekomen van een convenant. (De eiseres) stelt dat geïntimeerde er ten onrechte van uitgaat dat de stad haar met zekerheid een convenant had moeten toekennen en verwijst hiervoor naar het feit dat de gemeenteraad op 13 oktober 2003 bij een nieuwe beoordeling van de vraag tot het sluiten van een convenant op gemotiveerde wijze geoordeeld heeft dat geen convenant kon afgesloten worden. Bij de beoordeling van het oorzakelijk verband tussen de fout van (de eiseres) en de schade van (de verweerster) kan evenwel geen rekening gehouden worden met deze beslissing van 13 oktober
- Vooreerst dient vastgesteld te worden dat deze nieuwe beslissing dateert van 13 oktober 2003 en niets afdoet aan het feit dat (de verweerster) reeds in oktober 2001 haar inrichtingen diende te sluiten ingevolge de beslissing van 18 juni 2001 (die achteraf werd geschorst en vernietigd). Bovendien kan (de eiseres) een aansprakelijkheidsvordering niet ontlopen door zich te beroepen op een door haarzelf gestelde handeling van twee jaar later, hetgeen zou betekenen - wat uiteraard niet kan - dat de beoordeling van de schade en het oorzakelijk verband wordt overgelaten aan de aansprakelijk gesteld partij. In die omstandigheden kan aan (de verweerster) ook niet verweten worden dat zij tegen die beslissing van 13 oktober 2003 geen beroep heeft ingesteld bij de Raad van State. Tenslotte dient vastgesteld te worden dat in de beslissing van 13 oktober 2003 rekening werd gehouden met een aantal elementen, waarvan niet vaststaat dat deze ook reeds voorhanden waren in juni 2001, zodat het niet bewezen is dat de omstandigheden van de beoordeling in juni 2001 dezelfde waren als deze die in oktober 2003 in aanmerking werden genomen. Het afsluiten van een convenant behoort krachtens artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente. (De verweerster) toont weliswaar niet (aan) dat ze zeker een convenant zou bekomen hebben, maar bewijst wel dat ze door de fout van (de eiseres) de kans is misgelopen om een convenant te bekomen, vermits de convenant in juni 2001 enkel werd geweigerd omdat de kwestieuze inrichtingen van (de verweerster) gelegen waren buiten het vooropgestelde concentratiegebied, zonder dat melding werd gemaakt van enige andere reden. 2.2.
- De mogelijkheid tot het bekomen van een vergunning klasse B. (De eiseres) stelt dat, zelfs indien (de verweerster) een convenant had bekomen, het nog geenszins zeker was dat ze voor haar inrichtingen Monte Carlo en Circus een vergunning klasse B zou hebben verkregen, vermits een convenant slechts één van de vijf voorwaarden is voor het bekomen van een vergunning en ook de andere voorwaarden aanleiding hadden kunnen geven tot het weigeren van een vergunning. Artikel 36 van de wet van 7 mei 1999 bepaalt inderdaad vijf cumulatief te vervullen voorwaarden om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen. In haar beslissing van 27 juni 2001 heeft de Kansspelcommissie geoordeeld dat het afsluiten van een convenant een voorafgaand en volstrekt noodzakelijk element is opdat de andere voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning klasse B worden onderzocht. De commissie heeft geoordeeld dat het onderzoek van argumenten die los staan van het bestaan van dit convenant bijgevolg voorbarig en zelfs overbodig is. In haar beslissing van 3 april 2002 tot intrekking van de beslissing tot weigering van de vergunning klasse B heeft de Kansspelcommissie uitdrukkelijk bevestigd dat de beslissing van 27 juni 2001 gesteund was op de weigering van een convenant door (de eiseres). Uit deze beslissing blijkt duidelijk dat de weigering van de vergunning klasse B door de Kansspelcommissie te wijten is aan het feit dat geen convenant kon worden voorgelegd. Het oorzakelijk verband tussen fout en schade is bewezen wanneer wordt aangetoond dat de schade zich zonder deze fout niet of niet op deze wijze zou hebben voorgedaan. (De verweerster) toont aan dat ze door de fout van (de eiseres) minstens de kans is misgelopen om een vergunning klasse B te bekomen. Wegens het ontbreken van een convenant is de Kansspelcommissie zelfs niet overgegaan tot een onderzoek van de andere voorwaarden en uit geen enkel element blijkt dat de Commissie zeker zou hebben geweigerd. 2.2.
- De eerste rechter heeft derhalve terecht geoordeeld dat (de verweerster) op afdoende wijze aantoont dat ze door de fout van de stad Antwerpen minstens een kans heeft verloren om een convenant, respectievelijk een vergunning klasse B te bekomen en dat derhalve het bewijs is geleverd dat zonder deze fout de schade zich niet op deze wijze zou hebben voorgedaan. 2.
- De schade. 2.3.
- Het bestaan van de schade. Zoals de eerste rechter terecht heeft geoordeeld staat het vast dat (de verweerster) is moeten overgaan tot sluiting van haar inrichtingen Monte Carlo en Circus vanaf 10 oktober
- Overeenkomstig artikel 19 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 diende (de verweerster) immers een einde te maken aan de uitbating van kansspelen in de kwestieuze inrichtingen binnen drie maanden vanaf ontvangst vanaf de kennisgeving van de beslissing van de Kansspelcommissie tot weigering van de vergunning. Het feit dat een schorsing werd bekomen van de beslissing van de gemeenteraad van 18 juni 2001 doet hieraan geen afbreuk, vermits het arrest dat de schorsing van de tenuitvoerlegging heeft bevolen dateert van 16 juli 2002, hetzij, van negen maanden na de sluiting. De procedure tot schorsing, die aanleiding gaf tot dit arrest, werd trouwens reeds ingeleid op 27 augustus 2001, hetzij, nog voor het verstrijken van de periode van drie maanden waarna tot sluiting diende overgegaan te worden. Aan (de verweerster) kan ook niet verweten worden dat zij geen verzoek tot schorsing van de beslissing van de Kansspelcommissie heeft ingediend bij de Raad van State. De beslissing van de Kansspelcommissie om de vergunning te weigeren was immers gesteund op het ontbreken van een convenant, een van de voorwaarden voor het bekomen van een vergunning, zodat de schorsing van de beslissing van de Kansspelcommissie zeer onwaarschijnlijk was. In tegenstelling tot hetgeen (de eiseres) voorhoudt heeft (de verweerster) haar schadebeperkingsplicht nagekomen; (de verweerster) heeft alle mogelijke maatregelen genomen om haar rechten te vrijwaren en haar schade te beperken. 2.3.
- De omvang van de schade. Met betrekking tot de concrete beoordeling van de omvang van de schade heeft de eerste rechter terecht een deskundigenonderzoek bevolen, gelet op het feit dat deze omvang niet met zekerheid blijkt uit de voorgelegde stukken en gelet op de ernstige betwisting tussen partijen." (cf. p. 9 t.e.m. 13 van het arrest). Grieven Eerste onderdeel Schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 34 en 36 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.
- Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek moet degene die schadevergoeding vordert bewijzen dat er, tussen de fout en de schade zoals ze zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit oorzakelijk verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade niet had kunnen ontstaan, zoals zij zich heeft voorgedaan. De rechter kan degene die een fout begaat niet veroordelen tot vergoeding van de werkelijk geleden schade, indien hij beslist dat er een onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade.
- De verweerster voerde in haar gedinginleidende dagvaarding voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen aan dat zij door de fout van de eiseres haar lunaparken Monte Carlo en Circus had moeten sluiten (cf. p. 3, i.h.b. vierde alinea van de dagvaarding) en vorderde op die gronden een schadevergoeding wegens gederfde omzet ten belope van 1.728.236,30 euro in hoofdsom (cf. p. 3, zesde en voorlaatste alinea van de dagvaarding). De eiseres bracht hiertegen in dat het geenszins zeker was dat de stad Antwerpen op grond van haar discretionaire bevoegdheid anders wel een convenant zou hebben aangeboden of dat de Kansspelcommissie nadien een vergunning B zou hebben toegekend. Over dit laatste merkte de eiseres op dat de voorlegging van het convenant met de gemeente slechts één van vijf voorwaarden in artikel 36 van de wet van 7 mei 1999 was voor het verkrijgen van een vergunning (cf. p. 26 t.e.m. 33 van diezelfde syntheseconclusie).
- Het hof van beroep overweegt over de mogelijkheid tot het verkrijgen van een convenant dat "(de verweerster) weliswaar niet (aantoont) dat ze zeker een convenant zou bekomen hebben, maar wel bewijst dat ze door de fout van (de eiseres) de kans is misgelopen om een convenant te bekomen" (cf. p. 11, nr. 2.2.
- in fine) en over de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergunning klasse B dat "artikel 36 van de wet van 7 mei 1999 inderdaad vijf cumulatief te vervullen voorwaarden (bepaalt) om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen" en dat "(de verweerster) (aantoont) dat ze door de fout van (de eiseres) minstens de kans is misgelopen om een vergunning klasse B te bekomen". (cf. p. 12, tweede alinea van het arrest). Het hof van beroep besluit in het hoofdstuk over het oorzakelijk verband dat "de eerste rechter derhalve terecht (heeft) geoordeeld dat (de verweerster) op afdoende wijze aantoont dat ze door de fout van de stad Antwerpen minstens een kans heeft verloren om een convenant, respectievelijk een vergunning klasse B te bekomen en dat derhalve het bewijs is geleverd dat zonder deze fout de schade zich niet op deze wijze zou hebben voorgedaan". (cf. p. 12, nr. 2.2.
- van het arrest). In het hoofdstuk van het arrest over de schade stelt het hof van beroep daarop het bestaan van schade vast en neemt het hof van beroep met de eerste rechter aan dat het "vaststaat dat (de verweerster) is moeten overgaan tot sluiting van haar inrichtingen Monte Carlo en Circus vanaf 10 oktober 2001". (cf. p. 12, nr. 2.3.1 van het arrest).
- Het hof van beroep neemt dus eerst aan dat door de fout van de eiseres voor de verweerster een kans verloren ging op het verkrijgen van een convenant respectievelijk een vergunning klasse B (cf. p. 11, eerste alinea en p. 12, tweede en derde alinea van het arrest) en stelt vervolgens vast dat de schade van de verweerster erin bestaat dat zij is moeten overgaan tot sluiting van haar inrichtingen Monte Carlo en Circus vanaf 10 oktober 2001 (cf. p. 12, nr. 2.3.
- van het arrest).
- Het arrest biedt aldus geen uitsluitsel over het oorzakelijk verband tussen de beweerde fout van de eiseres en schade die zou bestaan uit de sluiting van de vermelde inrichtingen van de verweerster. Het hof sluit inderdaad nergens uit dat de door de verweerster aangevoerde schade bestaande uit de sluiting van de inrichtingen zich ook zonder de fout van de eiseres had kunnen voordoen zoals ze ontstaan is. Het hof (van beroep) gaf zelf aan dat de toekenning aan de verweerster van een vergunning klasse B door de Kansspelcommissie afhankelijk was van vijf cumulatieve criteria en kon aldus niet uitsluiten dat de schade bestaande uit het sluiten van de inrichtingen van de verweerster zich ook niet zonder de fout van de eiseres zou hebben voorgedaan.
- De beslissing dat de gevorderde werkelijke schade bestaand uit de sluiting van de inrichtingen Monte Carlo en Circus voor vergoeding in aanmerking komt, terwijl eerder aangenomen werd dat door de fout van de eiseres slechts een kans verloren ging voor de verweerster om een vergunning te verkrijgen en er derhalve onzekerheid bestond over het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade, is niet naar recht verantwoord. In zoverre het arrest de eiseres aansprakelijk acht voor de schade bestaand uit de sluiting van de inrichtingen van de verweerster en beslist dat het deskundigenonderzoek bevolen door de eerste rechter uitsluitsel zal moeten bieden over de exacte omvang van die schade, schendt het arrest zowel het wettelijk begrip oorzakelijk verband als het wettelijk begrip schade (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 34 en 36 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers). Tweede onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet.
- Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet moet de rechter zijn beslissing met redenen omkleden en mag zijn beslissing niet aangetast zijn door enige tegenstrijdigheid, onduidelijkheid of dubbelzinnigheid.
- Het hof van beroep overweegt in voorliggend geval dat "(de verweerster) (aantoont) dat ze door de fout van (de eiseres) minstens de kans is misgelopen om een vergunning klasse B te bekomen". (cf. p. 12, tweede alinea van het arrest) en besluit in het hoofdstuk over het oorzakelijk verband dat "de eerste rechter derhalve terecht (heeft) geoordeeld dat (de verweerster) op afdoende wijze aantoont dat ze door de fout van de stad Antwerpen minstens een kans heeft verloren om een convenant, respectievelijk een vergunning klasse B te bekomen en dat derhalve het bewijs is geleverd dat zonder deze fout de schade zich niet op deze wijze zou hebben voorgedaan." (cf. p. 12, nr. 2.2.
- van het arrest). In zoverre het arrest met het gebruik van het woord ‘minstens' aangeeft dat het oorzakelijk verband mogelijk nog een andere invulling heeft maar nalaat om te verduidelijken waaruit deze andere invulling dan concreet bestaat, laat deze beslissing geen wettigheidscontrole toe en is het arrest op dat punt niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Wanneer de rechter, op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwettelijke- of wettelijke regels volgens welke hij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de rechter, behalve onoverwinnelijke dwaling of enige andere oorzaak van vrijstelling van aansprakelijkheid, gezien het gezag van gewijsde "erga omnes" van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat de fout tot herstel aanleiding geeft als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is.
- De omstandigheid dat de nietigverklaring betrekking heeft op een beslissing genomen door de administratieve overheid in het raam van een haar toegekende discretionaire bevoegdheid, doet hieraan niets af.
- De gemeenteraad van Antwerpen heeft, blijkens het arrest, op 18 juni 2001 beslist geen convenant te sluiten voor de vestigingen Monte Carlo en Circus. Bij arrest nr. 109.394 van 16 juli 2002 heeft de Raad van State de schorsing bevolen van de tenuitvoerlegging van de gemeenteraadsbeslissing van 18 juni 2001 van de eiseres om geen convenant te sluiten met de verweerster onder verwijzing naar het arrest van dezelfde Raad van 5 maart 2002, nr. 104.314, waarbij zij de gemeenteraadsbeslissing van de eiseres van 21 mei 2001, waarop het bestreden besluit van 18 juni 2001 stoelt, op het eerste gezicht onwettig heeft bevonden. In het arrest van 5 maart 2002 heeft de Raad van State geoordeeld, enerzijds, dat de gemeenteraadsbeslissing van 21 mei 2001, waarbij in het algemeen is beslist dat alleen convenanten worden gesloten met betrekking tot lunaparken op de assen Breydelstraat-Statiestraat, met uitsluiting van de hoekpanden, een bindend voorschrift inhoudt en aldus een voorwaarde lijkt te hebben toegevoegd aan de voorwaarden die artikel 36 van de wet van 7 mei 1999 vaststelt voor het verkrijgen van een vergunning klasse B, waartoe de eiseres op het eerste gezicht niet bevoegd is, en anderzijds, dat de eiseres, door tot de verwerping van verzoeksters aanvraag tot het sluiten van een convenant te beslissen na een louter mechanische toepassing van de beleidsrichtlijn van 21 mei 2001, de bevoegdheid lijkt te hebben miskend die artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 haar opdraagt om elke aanvraag te beoordelen op grond van een concreet onderzoek van de zaak en de haar eigen particulariteiten. Bij arrest nr. 121.716 van 15 juli 2003 heeft de Raad van State geoordeeld dat er reden is om de gemeenteraadsbeslissing van 18 juni 2001 om geen convenant te sluiten met de verweerster, waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging is bevolen, nietig te verklaren.
- Het bestreden arrest beslist wettig dat uit deze arresten van de Raad van State blijkt dat de gemeenteraad van de eiseres "bij het nemen van de beslissingen van 21 mei 2001 en 18 juni 2001 een fout heeft begaan doordat ze de artikelen 34 en 36 van de wet van 7 mei 1999 heeft geschonden". Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals zij zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit oorzakelijk verband vereist dat zonder de fout de schade niet zou zijn ontstaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan. De rechter kan degene die een fout heeft begaan niet veroordelen tot vergoeding van de werkelijk geleden schade, wanneer hij beslist dat er onzekerheid bestaat over het oorzakelijk verband en die schade.
- Te dezen strekt de vordering tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit de sluiting vanaf 10 oktober 2001 van twee speelautomatenhallen van de verweerster, waarbij de eiseres wordt verweten deze te hebben veroorzaakt door op foutieve wijze te hebben geweigerd voor deze inrichtingen convenanten af te sluiten met de verweerster.
- De appelrechters oordelen dat niet zeker is dat de verweerster een convenant zou hebben verkregen, maar dat wel is aangetoond dat ze door de fout van de eiseres minstens een kans heeft verloren om een convenant, respectievelijk een vergunning klasse B te bekomen en dat derhalve het bewijs is geleverd dat zonder deze fout de schade zich niet op deze wijze zou hebben voorgedaan.
- Na aldus te hebben geoordeeld dat er alleen zekerheid is over het oorzakelijk verband tussen de fout van de eiseres en het verlies van de kans om een convenant, respectievelijk een vergunning te bekomen, hebben de appelrechters niet wettig kunnen beslissen dat de aan de verweerster berokkende schade bestaat uit de sluiting van haar inrichtingen vanaf 10 oktober
- Het onderdeel is gegrond. Overige grieven De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het beslist dat de gemeenteraad van de eiseres bij het nemen van de beslissing van 21 mei 2001 en 18 juni 2001 een fout heeft begaan. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten, houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 518,78 euro jegens de eisende partij en op de som van 163,10 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 26 juni 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2016:ARR.20160129.1 ECLI:BE:CAMON:2016:ARR.20160129.5 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130425.6 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140124.5 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151214.4 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171214.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221114.3F.5 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250220.1F.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011221.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051012.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.10 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091217.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div