← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.11 Rolnummer: C.06.0405.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 543 - laatst gezien 2026-07-03 06:05 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Het hof van beroep dat oordeelt dat de vordering van de eiser niet verjaard is, maar desondanks de slechts in ondergeschikte orde (voor het geval zou geoordeeld worden dat ze wel verjaard

  1. is)de door de eiser gevorderde gedingbeslissende eed aan de verweerder oplegt, schendt het beschikkingsbeginsel; de omstandigheid dat de eiser pas heeft laten gelden dat het hof van beroep ultra petita had beslist nadat de eed werd afgelegd, houdt niet in dat hij instemde met de eerdere beslissing van het hof; de eiser, die zich gegriefd voelde door het beleid van zijn zaak, vermocht er de voorkeur aan te geven slechts tegen de beslissingen van het hof van beroep op te komen nadat de zaak was afgehandeld. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Eed - Beslissende eed Vrije woorden: Beschikkingsbeginsel - Ondergeschikte vordering - Gedingbeslissende eed - Beleid van de rechter - Grief Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Eed - Beslissende eed Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Beschikkingsbeginsel - Ondergeschikte vordering - Gedingbeslissende eed - Beleid van de rechter - Grief Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Eed UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Eed - Beslissende eed Vrije woorden: Gedingbeslissende eed - Ondergeschikte vordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° Thesaurus CAS: EED UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Eed - Beslissende eed Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Gedingbeslissende eed - Ondergeschikte vordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° Tekst van de beslissing Nr. C.06.0405.N C.W., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest, tegen G. G., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen arresten, op 2 januari 2006 en 23 mei 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 779 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest van 23 mei 2006 verklaart de oorspronkelijke vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond. Het vermeldt de volgende samenstelling van de zetel: de heer Delvoie, voorzitter, mevrouw Gadeyne, raadsheer, mevrouw Degreef, raadsheer en mevrouw Heymans, adjunct-griffier. Grieven Het bestreden arrest van 23 mei 2006 is niet gewezen door een zetel waarvan de rechters alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond. Het arrest van 2 januari 2006 werd geveld door een zetel samengesteld als volgt: de heer Delvoie, voorzitter, mevrouw Gadeyne, raadsheer, de heer Bosmans, raadsheer, en mevrouw Heymans, adjunct-griffier. De zaak werd vastgesteld ter zitting van 9 mei 2006 om de verweerder toe te laten de eed af te leggen. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 mei 2006 van kamer 17 vermeldt de volgende samenstelling van de zetel: de heer Delvoie, voorzitter, mevrouw Gadeyne, raadsheer, mevrouw Degreef, raadsheer en mevrouw Heymans, adjunct-griffier. Ook het bestreden arrest van 23 mei 2006 werd mede gewezen door raadsheer Degreef in plaats van raadsheer Bosmans. Naar luid van artikel 779, meer bepaald het eerste lid ervan, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel dat ook in graad van beroep van toepassing is krachtens artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek) kan een vonnis of arrest enkel worden gewezen door een rechter of rechters die alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben, en dit op straffe van nietigheid. Raadsheer Degreef die mede het thans bestreden arrest velde op 23 mei 2006, maakte geen deel uit van de zetel die op 2 januari 2006 de gedingbeslissende eed opdroeg. Verder blijkt uit geen enkel element dat de zaak op 9 mei of 23 mei 2006 voor de anders samengestelde zetel "ab ovo" hernomen werd. Het bestreden arrest schendt dan ook de artikelen 779 en 1442 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel inzake de autonomie der partijen bij het burgerlijk geding, ook beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk de leiding van het proces uitsluitend bij de partijen berust; - het algemeen beginsel van het recht van verdediging; - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1357, 1366 en 1367 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het tussenarrest van 2 januari 2006 waarbij de appelrechters aan de verweerder de gedingbeslissende eed opleggen en het eindarrest van 23 mei 2006 waarbij de appelrechters de oorspronkelijke vordering van de eiser ontvankelijk doch ongegrond verklaren. Zij stellen vooraf vast (eindarrest, bladzijde twee): "Gezien het tussenarrest van het (hof van beroep) van 2 januari 2006 waarbij de gedingbeslissende eed werd opgedragen aan (de verweerder) "van het feit dat hij de kalveren geleverd op 24 maart 1994, 5 mei 1994 en 26 juli 1994 voor een totaal bedrag van 4.586,03 euro (185.000 BEF) heeft betaald. De zaak werd daartoe vastgesteld op de zitting van 9 mei 2006. Op die zitting heeft (de verweerder) zich bereid verklaard de eed af te leggen en heeft hij onder eed verklaard dat hij de kalveren, geleverd op 24 maart 1994, 5 mei 1994 en 26 juli 1994 voor een totaal bedrag van 4.586,03 euro (185.000 BEF) heeft betaald"; In het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 mei 2006 werd het volgende vastgesteld: "Na het afleggen van de gedingbeslissende eed neemt (de raadsman van de eiser) het woord en roept in dat de gedingbeslissende eed ultra petita opgedragen werd. Het (hof van beroep) weert dit middel uit de debatten als ontijdig ingeroepen nà het afleggen van de eed, terwijl partijen uitdrukkelijk uitgenodigd werden om hun eventuele bemerkingen voor het afleggen ervan te doen gelden". In het bestreden tussenarrest van 2 januari 2006 werd de gedingbeslissende eed opgedragen op de volgende gronden: "(...) (De eiser) concludeert tot de bevestiging van het vonnis, ondergeschikt vraagt hij om aan (de verweerder) de gedingbeslissende eed op te leggen "van het feit dat hij de kalveren geleverd op 24 maart 1994, 5 mei 1994 en 26 juli 1994 voor een totaal bedrag van 4.586,03 euro(185.000 BEF) heeft betaald". (De eiser) laat terecht gelden dat de ingeroepen verjaringstermijn te dezen niet toepasselijk is. Als ‘koopman' in de zin van artikel 2272, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 5 van de wet van 1 mei 1913 dient te worden beschouwd degene die voedingsmiddelen of andere producten verkoopt die courant worden gebruikt (Antwerpen 4 januari 1994, R.W. 1994-95, 325). Het moet gaan om verkoop van verbruiksgoederen in detail aan particulieren (A. Van Oevelen, Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht, T.P.R. 1987, 1800, nr. 41). De verkoop van 8 mestkalveren aan een landbouwer kan bezwaarlijk worden aanzien, in hoofde van de verkoper noch, overigens, in hoofde van de koper, als een verkoop van verbruiksgoederen in detail. In de specifieke omstandigheden der zaak is er daarentegen aanleiding om de gevorderde gedingbeslissende eed aan (de verweerder) op te dragen, zoals in het dispositief bepaald. (...) verklaart het hoger beroep ontvankelijk en alvorens over de grond ervan uitspraak te doen draagt de gedingbeslissende eed (artikel 1358 e.v. van het Burgerlijk Wetboek) op aan (de verweerder) ‘van het feit dat hij de kalveren geleverd op 24 maart 1994, 5 mei 1994 en 26 juli 1994 voor een totaal bedrag van 4.586,03 euro (185.000 BEF) heeft betaald'". Grieven Eerste onderdeel De eiser voerde voor de feitenrechters in hoofdorde aan dat de verweerder ten onrechte voorhield dat de rechtsvordering verjaard zou zijn (bladzijde vier tot zes van zijn "syntheseberoepsbesluiten"); ondergeschikt voerde hij aan dat "Voor zover toch zou worden geoordeeld dat de verkoop van kalveren door een veekoopman aan een landbouwer ressorteert onder de eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, quod non, (...) alleszins (dient) te worden vastgesteld dat (de verweerder) zich in casu niet kan beroepen op deze verjaringstermijn" (bladzijde zes-acht van zijn "syntheseberoepsbesluiten") en meest ondergeschikt: "Voor zover toch zou worden aangenomen dat (de verweerder) zich kan beroepen op de verjaring van artikel 2272, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, quod certe non, dan legt (de eiser) hem de gedingbeslissende eed op. De schuldenaar die één van de in de artikelen 2271 en 2272 van het Burgerlijk Wetboek vermelde verjaringen inroept, stelt impliciet dat hij heeft betaald. Daarom mag de schuldeiser, aan wie deze verjaring wordt tegengeworpen, van zijn schuldenaar eisen dat hij onder eed komt bevestigen dat hij inderdaad zijn schuld heeft betaald en het vermoeden van betaling dus met de werkelijkheid overeenstemt (artikel 2275, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek)". Het behoort tot het wezen van een gedingbeslissende eed dat hij een einde maakt aan het geschil. Uit de conclusies van de eiser blijkt dat deze de eed slechts in ondergeschikte orde heeft opgedragen aan de verweerder nl. in het geval de rechters zouden oordelen dat de vordering van de eiser onderworpen was aan de verjaringstermijn van artikel 2272, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zodat nu de appelrechters vooraf oordelen dat de vordering van de eiser niet onderworpen was aan de verjaringstermijn van artikel 2272, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek de eed die de appelrechters aan de verweerder opleggen bijgevolg geen gedingbeslissende eed is en geen einde kon maken aan het geschil; het bestreden arrest van 2 januari 2006 kon derhalve niet naar recht beslissen dat de eedaflegging nog diende te worden bevolen (schending van de artikelen 1357, 1366, 1367 van het Burgerlijk Wetboek) en de beslissing in het bestreden arrest van 23 mei 2006 dat de oorspronkelijke vordering van de eiser ontvankelijk doch ongegrond is, is niet naar recht verantwoord nu de in het arrest van 2 januari 2006 ambtshalve opgelegde eed geen beslissende eed is en bijgevolg geen einde kon maken aan het geschil zodat het arrest van 23 mei 2006 dat het gevolg is van het tussenarrest van 2 januari 2006, mede dient te worden vernietigd wegens schending van dezelfde artikelen van het Burgerlijk Wetboek. Tweede onderdeel Nu het bestreden tussenarrest van 2 januari 2006 vaststelt dat de eiser terecht laat gelden dat de door de verweerder ingeroepen verjaringstermijn niet toepasselijk is, is niet voldaan aan de voorwaarde op grond waarvan de eiser in ondergeschikte orde vorderde de gedingbeslissende eed op te leggen aan de verweerder. Door de gedingbeslissende eed desalniettemin toch op te leggen, doen de appelrechters uitspraak over niet-gevorderde zaken, zonder de partijen de mogelijkheid tot tegenspraak te bieden, en werpen zij aldus ambtshalve een geschil op dat de openbare orde niet raakt en waarvan de partijen het bestaan hadden uitgesloten (schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der partijen bij het burgerlijk geschil, ook beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk de leiding van het proces uitsluitend bij de partijen berust en van het algemeen beginsel van het recht van verdediging). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1582, 1583, 1591, 1650, 1651, 1654 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 870 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In het bestreden tussenarrest van 2 januari 2006 oordelen de appelrechters dat er gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak aanleiding toe bestaat om de "gevorderde gedingbeslissende eed aan (de verweerder) op te dragen". Zij stellen vooraf vast: "Het is thans niet meer betwist dat (de eiser) in de loop van 1994 (tussen maart en juli) in totaal 8 kalveren verkocht aan (de verweerder). Meer dan drie jaar later, op 5 augustus 1997 stelde (de eiser) voor het eerst een factuur op voor de verkoop van één kalf op 24 maart, van 2 kalveren op 5 mei en van 5 kalveren op 26 juli 1994. (De verweerder) houdt (thans) voor dat hij de kalveren telkens bij in ontvangstneming heeft betaald, deels door middel van een cheque, deels bij wijze van contante betaling. De vraag naar de gevolgen van de niet regelmatig opgestelde factuur is niet relevant nu deze factuur prompt geprotesteerd werd en hoe dan ook niet als titel kan gelden. Ook de elementen van het door (de eiser) bijgebrachte strafdossier zijn niet dienstig, nu (de verweerder) niet meer betwist de kalveren gekocht te hebben maar voorhoudt ze betaald te hebben. (De verweerder) brengt een cheque (en het debetbericht) bij waarmee hij op 13 mei 1994 de som van 23.500 BEF zou betaald hebben aan (de eiser) en een tweede cheque (en het debetbericht) waarmede hij op 11 juli 1994 de som van 44.000 BEF zou betaald hebben aan (de eiser). Chronologisch gezien is het verweer van (de verweerder) echter niet consequent, vermits hij eerst bij hoog en bij laag volhield nooit kalveren van (de eiser) gekocht te hebben. Het enige element dat (de eiser) zijnerzijds bijbrengt om de overeenkomst en de betaalplicht in hoofde van (de verweerder) te bewijzen is de factuur die volle drie jaar later werd opgesteld. Deze factuur werd tijdig en expliciet geprotesteerd. Zij volstaat op zichzelf niet als grondslag voor de vordering. In de specifieke omstandigheden der zaak is er daarentegen aanleiding om de gevorderde gedingbeslissende eed aan (de verweerder) op te dragen, zoals in het dispositief bepaald". Grieven In het bestreden arrest van 2 januari 2006 stellen de appelrechters vast dat er een koopovereenkomst is met betrekking tot de kalveren en dat de eiser heeft voldaan aan zijn leveringsplicht. Tevens stellen zij vast dat de koper van zijn kant niet aantoont dat hij de prijs heeft betaald. De betaling van een prijs is een wezenlijk element van de koop en betreft een verplichting van de koper, op wie de bewijslast rust om aan te tonen dat hij bevrijd is van zijn betalingsverplichting. De verplichting voor de koper om de prijs te betalen vloeit voort uit het bestaan zelf van de (mondelinge) koopovereenkomst en is er een constitutief bestanddeel van. Zodra vaststaat dat er een koopovereenkomst werd gesloten, is daarin begrepen de vaststelling dat er een prijs moet worden betaald. Dit gegeven hoeft niet afzonderlijk te worden bewezen. De omstandigheid dat de naar aanleiding van de koop opgestelde factuur wordt geprotesteerd doet daaraan geen afbreuk. Door enerzijds vast te stellen dat de partijen niet betwisten dat zij een koopovereenkomst sloten met betrekking tot de door de eiser geleverde kalveren en anderzijds te oordelen dat de eiser alleen een geprotesteerde factuur bijbrengt om de betaalplicht van de verweerder te bewijzen en dat dit onvoldoende is, keert het bestreden arrest van 2 januari 2006 de bewijslast op onwettelijke wijze om, nu het immers degene is die beweert bevrijd te zijn die het bewijs daarvan dient te leveren (schending van de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek); tevens miskent het de aard van de koopovereenkomst als consensuele overeenkomst die ontstaat zodra er overeenstemming is over het voorwerp en de prijs, waarbij de levering en de betaling van de prijs geen bestaansvoorwaarden zijn van de koop, maar verbintenissen die eruit voortvloeien (schending van de artikelen 1582, 1583, 1591, 1650, 1651 en 1654 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Tweede onderdeel 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat W. C. maar in ondergeschikte orde gevorderd had de gedingbeslissende eed op te leggen aan de verweerder, met name voor het geval het hof van beroep zou oordelen dat de vordering van C. tegen G. zou verjaard zijn. 2. Het hof van beroep oordeelt dat er te dezen geen verjaring is, maar legt desondanks toch aan G. de gedingbeslissende eed op dat hij betaald had. 3. Het hof van beroep schendt zodoende het beschikkingsbeginsel. De omstandigheid dat de eiser pas heeft laten gelden dat het hof van beroep ultra petita had beslist nadat de eed werd afgelegd, houdt niet in dat de eiser instemde met de eerdere beslissing van het hof van beroep. De eiser, die zich gegriefd voelde door het beleid van zijn zaak, vermocht er de voorkeur aan te geven slechts tegen de beslissingen van het hof van beroep op te komen nadat de zaak was afgehandeld. 4. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het arrest van 2 januari 2006, behalve in zoverre het oordeelt dat het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk is; vernietigt het arrest van 23 mei 2006. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel¬telijk vernietigde arrest van 2 januari 2006 en van het vernietigde arrest van 23 mei 2006. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 26 juni 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.11 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.