id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080708.3 Rolnummer: C.08.0285.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-09-01 Raadplegingen: 539 - laatst gezien 2026-07-03 03:52 Versie(s): Vertaling FR Fiche Alle redenen tot wraking die op een bepaald ogenblik bestaan en de eiser tot wraking dan bekend zijn, moeten tezelfdertijd worden voorgedragen; de eiser is niet ontvankelijk een tweede wraking voor te dragen om feiten die hem bekend waren toen hij de eerste wraking voordroeg. Thesaurus CAS: WRAKING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Wraking (gerechtelijk recht) Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Verzoek tot wraking - Redenen - Tweede verzoek - Redenen tot wraking die de eiser tot wraking reeds bekend waren op het ogenblik van het eerste verzoek - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 833 en 842 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0285.N A.J. eiser in wraking, met als raadsman mr. Bart Siffert, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 174, in de zaak van het Arbeidshof te Antwerpen (AR 2080160) A.J., tegen FORD WERKE AG, naamloze vennootschap, met zetel te 3600 Genk, Henry Fordlaan 8, met als raadsman mr. Paul Cox, advocaat bij de balie te Tongeren, met kantoor te 3600 Genk, Europalaan 50, bus
- I. VORDERING Het verzoek tot wraking is neergelegd op de griffie van het Arbeidshof te Antwerpen op 23 juni
- Het is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven. De magistraat wiens wraking gevorderd wordt, heeft op 23 juni 2008 de bij artikel 836, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven verklaring gedaan. Hij weigert zich van de zaak te onthouden. II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd. III. BESLISSING VAN HET HOF
- Het Hof heeft bij arrest van 2 juni 2008, C.08.0215.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080602.1, een eerste door de eiser tegen de raadsheer in sociale zaken R. voorgedragen wraking wegens schijn van partijdigheid verworpen. De eiser draagt nu een nieuwe wraking tegen dezelfde raadsheer voor op grond van middelen die hij bij zijn eerste wraking niet ontvankelijk had aangevoerd en voegt daarbij stukken die deze middelen moeten staven.
- De eiser verzoekt bovendien in ondergeschikte orde het Hof het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen aangaande het artikel 81 Gerechtelijk Wetboek betreffende de samenstelling van de arbeidsrechtbank, samen met artikel 201 van dat wetboek betreffende de voordracht van raadsheren in sociale zaken door de representatieve organisaties van werkgevers, werknemers en zelfstandigen.
- Overeenkomstig artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, moet hij die een wraking wil voordragen, dit doen voor de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvorens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven. Anderzijds bepaalt artikel 842 Gerechtelijk Wetboek dat het vonnis of arrest dat een vordering tot wraking van een rechter heeft verworpen, niet belet dat een nieuwe vordering wordt ingesteld wegens feiten die zich sedert de uitspraak voorgedaan hebben.
- Uit de artikelen 833 en 842 Gerechtelijk Wetboek volgt noodzakelijk dat alle redenen tot wraking die op een bepaald ogenblik bestaan en de eiser tot wraking dan bekend zijn, tezelfdertijd moeten worden voorgedragen; hij is niet ontvankelijk een tweede wraking voor te dragen om feiten die hem bekend waren toen hij de eerste wraking voordroeg.
- Het nieuwe verzoek tot wraking houdt nog steeds verband met de hoedanigheid van raadsheer in sociale zaken van de genaamde R. De middelen die worden aangevoerd zijn niet nieuw in de zin van artikel 842 Gerechtelijk Wetboek. De wraking is niet ontvankelijk.
- Anderzijds is, overeenkomstig artikel 26, § 2, 1°, Bijzondere Wet Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie niet ertoe gehouden een prejudiciële vraag te stellen wanneer het de zaak niet kan behandelen onder meer om redenen van niet-ontvankelijkheid, tenzij, wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. Daar de wraking niet ontvankelijk is en de verzoeker omtrent die niet-ontvankelijkheid geen middel aanvoert, moest het Hof geen prejudiciële vraag stellen. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek. Wijst gerechtsdeurwaarder H.V., met kantoor te , aan om het arrest binnen achtenveertig uren aan de partijen en aan raadsheer in sociale zaken J.R. te betekenen. Veroordeelt de verzoeker in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van nul euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Sylviane Velu, Benoît Dejemeppe en Jocelyne Bodson, en op de openbare rechtszitting van 8 juli 2008 uitgesproken door raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080708.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080602.1 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.864 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.865 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110421.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div