id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080902.5 Rolnummer: P.08.1317.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2008-09-19 Raadplegingen: 598 - laatst gezien 2026-07-03 07:17 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Is ontvankelijk het onmiddellijk cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat bij toepassing van artikel 235ter, Wetboek van Strafvordering, de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie controleert
(1)Het O.M. had geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat aan de hand van het vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies en 47novies, Strafvordering, de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie die werden toegepast in het kader van het gerechtelijk onderzoek of in het daaraan voorafgaande opsporingsonderzoek, onderzoekt. Het O.M. verwees naar het arrest van het Hof van 12 augustus 2008 (AR P.08.1065.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.1, supra nr ...) waarin werd geoordeeld dat een leemte in artikel 416, tweede lid, Strafvordering, door het Grondwettelijk Hof vastgesteld bij arrest nr 111/2008 van 31 juli 2008, enkel door tussenkomst van de wetgever kan worden verholpen. Ingevolge artikel 416, eerste lid, Strafvordering, staat tegen een beslissing met toepassing van artikel 235ter, Strafvordering, (arrest van onderzoek) beroep in cassatie eerst open na het eindarrest; artikel 416, tweede lid, laat onmiddellijk cassatieberoep toe tegen de arresten met toepassing van de artikelen 135 en 235bis, Strafvordering. Nu de censuur van het Grondwettelijk Hof enkel betrekking heeft op artikel 416, tweede lid, Strafvordering, en niet op de algemeen toepasselijke regel, verwoord in artikel 416, eerste lid, blijft deze bepaling onverminderd rechtskracht behouden en dient ze onverkort te worden toegepast ook ten aanzien van het cassatieberoep tegen beslissingen genomen bij toepassing van artikel 235ter, Strafvordering. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Cassatieberoep - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.08.1317.N G K, inverdenkinggestelde, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 juli
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden arrest van 31 juli 2008 is gewezen bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. Na inzage van het strafdossier en van het vertrouwelijk dossier zoals bedoeld in artikel 47septies, § 1, tweede lid, en artikel 235ter, § 3, Wetboek van Strafvordering, oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling dat geen onregelmatigheden werden begaan bij de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode van observatie.
- Artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering bepaalde dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel openstond. Dit bracht met zich mee dat daartegen noch onmiddellijk, noch na het eindarrest of eindvonnis cassatieberoep kon worden ingesteld. Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel bij arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering vernietigd. Aldus is het gemeen recht terug toepasselijk.
- Artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort cassatieberoep eerst openstaat na het eindarrest of het eindvonnis; de vrijwillige tenuitvoerlegging van die voorbereidende arresten of vonnissen kan in geen geval als middel van niet-ontvankelijkheid worden ingeroepen. Artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het vorige lid niet van toepassing is op arresten of vonnissen inzake bevoegdheid of met toepassing van de artikelen 135 en 235bis, noch op arresten of vonnissen inzake de burgerlijke rechtsvordering die uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid, noch op arresten waarbij overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak wordt gedaan over de strafvordering en een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt bevolen, noch op verwijzingsarresten overeenkomstig artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.
- Een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering controle uitoefent over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, is enerzijds een voorbereidend arrest en is anderzijds niet begrepen onder de uitzonderingen vermeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Hieruit volgt dat tegen dit arrest maar eerst cassatieberoep openstaat na het eindarrest of eindvonnis. Bijgevolg zou het huidig cassatieberoep wegens voortijdigheid niet ontvankelijk zijn.
- Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel bij arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008 gezegd voor recht: "Artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet voorziet in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling houdende controle, op basis van het vertrouwelijk dossier, van de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie met toepassing van de artikelen 189ter of 235ter van het Wetboek van Strafvordering".
- Uit dit arrest blijkt dat het door het Grondwettelijk Hof vastgestelde onverantwoorde verschil in behandeling voortvloeit uit het feit dat artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering zelf een leemte bevat.
- De rechter mag deze bepaling in zoverre ze een leemte bevat, niet toepassen.
- Het Grondwettelijk Hof oordeelt evenwel dat "indien de leemte zich bevindt in de aan het [Grondwettelijk] Hof voorgelegde tekst, [het] de verwijzende rechter (toekomt) een einde te maken aan de door het (Grondwettelijk) Hof vastgestelde ongrondwettigheid, wanneer die vaststelling is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (...)".
- Bijgevolg is het Hof in staat die leemte zelf aan te vullen door hier eveneens een onmiddellijk cassatieberoep toe te laten. Het cassatieberoep is derhalve ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering en van artikel 6.3.b EVRM en miskenning van het recht van verdediging: artikel 235ter Wetboek van Strafvordering voorziet in een procedure waarbij aan de inverdenkinggestelde een zekere vorm van tegenspraak wordt gewaarborgd welke essentieel is ter vrijwaring van het recht van verdediging omdat voor het vonnisgerecht in beginsel niet kan worden teruggekomen op de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling inzake de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie; artikel 6.3.b EVRM schrijft voor dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, over de tijd en faciliteiten beschikt die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging; door zijn verzoek om uitstel af te wijzen, ontzegt de kamer van inbeschuldigingstelling de eiser het recht op het voeren van een daadwerkelijke tegenspraak en miskent zij zijn recht van verdediging.
- Artikel 235ter, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak doet binnen dertig dagen na ontvangst van de vordering van het openbaar ministerie, termijn die evenwel teruggebracht wordt tot acht dagen indien één van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. Artikel 5.3 EVRM schrijft voor dat eenieder die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, onmiddellijk voor een rechter moet worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen, en het recht heeft binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.
- De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt dat eisers verzoek tot uitstel niet kan worden ingewilligd om reden dat: - niet alleen de eiser maar ook meerdere andere inverdenkinggestelden die het recht hebben op een behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, zich in voorlopige hechtenis bevinden; - de termijn voor inzage van het dossier geenszins onredelijk kort is, te meer de raadsman van de eiser telkens de zaak voor het onderzoeksgerecht werd behandeld, minstens reeds sinds 19 maart 2008, toegang tot het dossier had; - de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie de stukken aanwijst in het strafdossier die betrekking hebben op de observatie en het voorwerp uitmaken van de controle. Zonder miskenning van eisers recht van verdediging verantwoordt de kamer van inbeschuldigingstelling aldus haar beslissing tot afwijzing van eisers verzoek om uitstel naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 276,57 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 2 september 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080902.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081014.1 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120305.3 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121123.3 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181121.2 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201105.1F.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230405.2F.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div