← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080902.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080902.6 Rolnummer: P.08.0393.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-09-19 Raadplegingen: 508 - laatst gezien 2026-07-03 10:58 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het openbaar ministerie, als vervolgende partij, kan steeds, zelfs tijdens het verloop van het proces, bijkomende dagvaardingen achtereenvolgens laten betekenen tot precisering van de feiten of een uitbreiding van de incriminatieperiode op voorwaarde dat voor de rechter ten gronde de mogelijkheid wordt gegeven tegenspraak te voeren; het feit dat die bijkomende dagvaarding wordt betekend nadat reeds door de beklaagde zijn standpunt is meegedeeld omtrent de eerder uitgebrachte dagvaarding, tast het eerlijk karakter van het proces niet aan en laat het recht op verdediging onverkort, noch is de loyauteitsplicht van het openbaar ministerie zoals bepaald in artikel 28bis, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, hierdoor miskend

(1).
(1)Zie Cass., 8 juni 1994, AR P.94.0165.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940608.17, A.C., 1994, nr 294. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Bijkomende dagvaarding door het openbaar ministerie - Voorwaarden - Wettigheid Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Strafzaken - Bijkomende dagvaarding - Loyauteitsplicht Thesaurus CAS: DAGVAARDING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Strafzaken - Bijkomende dagvaarding door het openbaar ministerie - Voorwaarden - Wettigheid Tekst van de beslissing Nr. P.08.0393.N 1. M H E P, beklaagde, met als raadslieden mr. Patrick Waeterinckx en mr. Tim Van hoogenbemt, advocaten bij de balie te Antwerpen, 2. KEMPISCH ASPHALTBEDRIJF nv, met zetel te 2200 Herentals, Hannekenshoek, beklaagde, met als raadsman mr. Ciska Servais, advocaat bij de balie te Antwerpen, eisers, tegen Eddy LEYSEN, wonende te 2200 Herentals, Bovenrij 9, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 31 januari 2008. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van artikel 6.2 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf en van het vermoeden van onschuld: de appelrechters leiden onterecht eisers schuld af louter uit diens functie zonder daarbij enige persoonlijke fout aan te duiden. 2. Behoudens andersluidende aanwijzing door de wet zelf, bepaalt de rechter onaantastbaar op grond van de feitelijke gegevens van de zaak welke natuurlijke persoon persoonlijk moet instaan voor de naleving van de strafbaar gestelde verplichtingen van de rechtspersoon, en die aldus door de miskenning van deze verplichting een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid draagt. Het Hof gaat alleen na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. 3. Te dezen stellen de appelrechters vast dat de eiser als vaste vertegenwoordiger en als afgevaardigde bestuurder van de tweede eiseres, als rechtspersoon, is aangesteld, dat hij zich gedurende het verloop van het strafonderzoek steeds heeft gemanifesteerd als de persoon die ook de feitelijke leiding neemt in het bedrijf in verband met de milieuaangelegenheden, dat hij als bestuurder en afgevaardigde bestuurder ter zake nooit zijn verantwoordelijkheid heeft betwist en integendeel de verbalisanten steeds te woord stond, de nodige uitleg gaf en de documenten overhandigde die in het dossier steken. Uit die vaststellingen volgt dat voor de appelrechters de eiser de natuurlijke persoon is aan wie de naleving van de strafbare verplichting van de tweede eiseres is opgedragen en dat door zijn persoonlijk toedoen deze verplichting niet werd nageleefd. Met beantwoording van eisers verweer, oordelen de appelrechters zodoende wettig dat ook de eiser strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de feiten die aan de tweede eiseres ten laste worden gelegd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van artikel 6.2 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf en van het vermoeden van onschuld: de appelrechters leiden onterecht eisers schuld af uit de omstandigheid dat de eiser nooit zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid betwistte, feitelijke toelichting gaf en documenten overhandigde. 5. De rechter die mede op grond van de afwezigheid van verweer van de beklaagde tegen de overige tegen hem aangevoerde bewijskrachtige gegevens de schuld afleidt, miskent niet de bewijsregels in strafzaken, waaronder het vermoeden van onschuld, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde van de hem overgelegde feitelijke gegevens. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 6. Voor het overige oordeelt de strafrechter onaantastbaar de bewijswaarde van de gegevens waaruit hij die schuld afleidt. In zoverre het onderdeel opkomt tegen die beoordeling in feite, is het niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I 7. Het middel voert schending aan van artikel 6.3
  1. a)EVRM en van artikel 28bis, § 3 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de informatieplicht, van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: zonder enige concrete omschrijving van de ten laste gelegde feiten lokte het openbaar ministerie doelbewust een allesomvattend verweer uit van de eiser om aldus, met miskenning van de bewijslast in strafzaken en de hem opgelegde loyauteitsverplichting, zijn eerdere nietige dagvaarding concreet in te vullen en de eiser te laten veroordelen met pas sindsdien verrichte vaststellingen van de politie. 8. In zoverre het middel aanvoert "dat het openbaar ministerie op basis van een manifest nietige dagvaarding verdedigingsargumenten aan de [eiser] heeft ontlokt, die het daarna heeft gebruikt om de eigen nietige dagvaarding te regulariseren (...). door eiser zuiver kwalificatief te vervolgen ontsloeg het openbaar ministerie zichzelf van de aanvoering van de nochtans vereiste concrete bewijzen. Het liet op subtiele wijze de [eiser] zelf de bewijslast dragen, wat een manifeste schending van het recht van verdediging uitmaakt (...). Men (...) uit de feitelijke omstandigheden niets anders (kan) besluiten dan dat het openbaar ministerie doelbewust de regels betreffende het vermoeden van onschuld schond. Bovendien schond hij ook de loyauteitsplicht in de zin van artikel 28bis, § 3, lid 2 Sv.", verplicht dit het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. 9. Het beginsel van de tegenspraak in strafzaken wil dat de beklaagde de gelegenheid krijgt om zich te verdedigen tegen wat tegen hem wordt ingebracht. 10. Aan de vervolgde persoon moet ondubbelzinnig worden meegedeeld wat hem precies ten laste wordt gelegd. Het feit dat hem wordt verweten moet duidelijk bepaald worden. Het recht van verdediging en, meer in het bijzonder, artikel 6.3 EVRM vereisen dat de beklaagde in de kortste tijd en op een omstandige wijze, in een taal die hij verstaat, ingelicht wordt omtrent de aard en de oorzaak van de tegen hem uitgebrachte telastlegging. 11. Het openbaar ministerie, als vervolgende partij, kan steeds, zelfs tijdens het verloop van het proces, bijkomende dagvaardingen achtereenvolgens laten betekenen tot precisering van de feiten of een uitbreiding van de incriminatieperiode op voorwaarde dat voor de rechter ten gronde de mogelijkheid wordt gegeven tegenspraak te voeren. Het feit dat die bijkomende dagvaarding wordt betekend nadat reeds door de beklaagde zijn standpunt is meegedeeld omtrent de eerder uitgebrachte dagvaarding, tast het eerlijk karakter van het proces niet aan en laat het recht op verdediging onverkort, noch is de loyauteitsplicht van het openbaar ministerie zoals bepaald in artikel 28bis, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering hierdoor miskend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Middel van de eiseres II 12. Het middel heeft dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser I, en kan om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten op 122,96 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Eric Dirix, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 2 september 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080902.6 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940608.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.