id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080905.2 Rolnummer: C.06.0673.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht Invoerdatum: 2008-09-19 Raadplegingen: 480 - laatst gezien 2026-07-03 03:42 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het geschrift dat strekt tot het indienen van een schuldvordering geldt slechts als een aangifte in de zin van artikel 1675/9, § 2, Ger. W., wanneer het de elementen bevat die de schuldbemiddelaar toelaten met deze schuldvordering rekening te houden in de schuldenregeling. Thesaurus CAS: BESLAG - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Inleiding procedure GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Gemeenschappelijke bepalingen Vrije woorden: Collectieve schuldenregeling - Aangifte van schuldvordering - Bericht aan de schuldbemiddelaar Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1675/9, § 2 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0673.N 1. C.P., 2. H.M., 3. C.M., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen 1. D. R. verweerder, aan wie rechtsbijstand wordt verleend op 8 februari 2007 onder nummer G.07.0016.N, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest, 2. SMEETS Mieke, advocaat, kantoor houdende te 3800 Sint-Truiden, Naamsevest 47, bus 101, in haar hoedanigheid van schuldbemiddelaar, verweerster, 3. ATRADIUS CREDIT INSURANCE, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 5100 Jambes, Avenue Prince de Liège 74/78, 4. H.M., 5. V.C.C., 6. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, in de persoon van de Ontvanger der Registratie en Penale Boeten, met kantoren te 3500 Hasselt, Kolonel Dusartplein 36, 7. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, in de persoon van de Ontvanger der Douane & Accijnzen, met kantoor te 3000 Leuven, Vaartkom 4, 8. ACERTA SOCIAAL VERZEKERINGSFONDS, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 2610 Wilrijk, Sneeuwbeslaan 20, 9. S. H., 10. KBC VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 3000 Leuven, Waaistraat 6, 11. KBC BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Havenlaan 2, 12. B.B., 13. D.M., 14. H. N., 15. JC DECAUX BELGIUM PUBLICITE, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Groendreef 50, 16. RIJKSDIENST VOOR JAARLIJKSE VAKANTIE, met zetel te 1050 Elsene, Elyzeese Veldenstraat 12, verweerders, partijen opgeroepen in gemeen- en bindendverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 september 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1675/9, in de versie ervan voor de wijziging bij wet van 13 december 2005 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1675/10, §3, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt dienvolgens de bestreden beschikking". op grond van de motieven op p. 9 en 10: "3. Over de grond van het hoger beroep: Het hof (van beroep) dient hier enkel na te gaan of in de aanzuiveringsregeling alsnog rekening moet gehouden worden met de aangiftes van (de eisers) en desgevallend voor welk bedrag. Na onderzoek van de stukken en onder meer de stukken 26, met de briefwisseling in bijlage, en 29 blijkt dat de omstandige en oordeelkundige motivering van de eerste rechter overeind blijft; deze moet hier dan ook voor hernomen worden aangezien. Enkel ter beantwoording van de kritiek op die redengeving wordt hier nog benadrukt dat slechts op 3 juni 2003 een becijferde aangifte werd ingediend, t.t.z. nadat de schuldbemiddelaar q.q. haar ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling naar de diverse schuldeisers had verzonden. De eerdere toezending van het vonnis van 17 april 2001, dat geen volledig beeld gaf van de vorderingen van (de eisers), bij brief van 22 februari 2003 kan niet worden aangenomen als een geldige aangifte: in tegenstelling tot wat (de eisers) voorhouden kon daaruit niet worden afgeleid
- a)wat hun respectieve actuele aanspraken waren in hoofdsom, intresten en kosten, zoals vereist door artikel 1675/9, §2, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek,
- b)of er enig voorrecht werd ingeroepen,
- c)wat het lot moest zijn van de diverse posten waarvoor voorbehoud was verleend. Het hof (van beroep) moet vaststellen dat de schuldbemiddelaar (de eisers) via hun raadsman gewezen heeft op die tekortkomingen, maar dat een accuraat antwoord, met wat als een aangifte van schuldvordering in de zin van het reeds genoemde artikel 1675/9, §2, van het Gerechtelijk Wetboek kan worden aangezien, uitbleef. De morele beschouwingen, die (de eisers) nog doen gelden tegen de schuldenaar, mogen dan al terecht zijn in het licht van diens correctionele veroordeling bij vonnis van 14 november 1997 voor feiten waarvan zij het slachtoffer waren, maar doen niets af aan hun verplichting om als diligente procespartij in deze collectieve schuldenregeling tijdig hun becijferde schuldvordering in te dienen. Dit geldt des te meer nu zij zich daarbij lieten bijstaan door een raadsman". Grieven Eerste onderdeel Krachtens het aangehaald artikel 1675/9, §1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, brengt de griffier bij gerechtsbrief, uiterlijk drie dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid, deze ter kennis van de verzoeker, evenals aan zijn echtgenoot - niet verzoeker, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7 van hetzelfde wetboek. Blijkens de door de appelrechters uitdrukkelijk hernomen vaststellingen van de eerste rechter (p. 4 van het vonnis a quo), werd "Door de griffie (...) de raadsman van (de eisers) overeenkomstig artikel 1675/9, §1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek hiervan in kennis gesteld en werd de tekst van artikel 1675/7 van het Gerechtelijk Wetboek mee opgezonden", hetgeen overeenstemt met de inhoud van de op 17 februari 2003 gedateerde gerechtsbrief die in het procedurebundel berust en waarvan de tekst luidt: "Overeenkomstig artikel 1675/9, §1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek zend ik u een eensluidend afschrift van de hierboven vermelde beslissing en eveneens de tekst van artikel 1675/7 van het Gerechtelijk Wetboek". Krachtens het aangehaald artikel 1675/9, §1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, brengt de griffier bij gerechtsbrief, uiterlijk drie dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid, deze daarentegen ter kennis van de schuldeisers onder toevoeging van een afschrift van het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling, van een formulier van aangifte van schuldvordering, van de tekst van §2 van voormeld artikel 1675/9 en van de tekst van artikel 1675/7 van hetzelfde wetboek. Zodoende kan de termijn voor het indienen van de aangifte door de eisers niet beginnen lopen zijn, vermits krachtens het aangehaalde artikel 1675/9, §2, van het Gerechtelijk Wetboek deze termijn van een maand slechts aanvangt na de behoorlijke toezending van de beschikking van toelaatbaarheid aan de eisers, dit is overeenkomstig artikel 1675/9, §1, 2°, van hetzelfde wetboek. Hieruit volgt dat de appelrechters, die slechts een toezending aan de raadsman van de eisers weerhouden op grond van artikel 1675/9, §1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek (schending van het aangehaald artikel 1675/9, §1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek), zonder dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat aan de eisers persoonlijk een gerechtsbrief werd toegezonden (schending van het aangehaald artikel 1675/9, §1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek) en die bovendien beantwoordt aan de vereisten van artikel 1675/9, §1, 2°, van hetzelfde wetboek (schending van het aangehaald artikel 1675/9, §1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek), niet wettig hebben kunnen beslissen dat de eisers "(...) naar behoren in kennis werden gesteld van de toelaatbaarheidsbeschikking" (schending van het aangehaald artikel 1675/9, §1, 1° en 2°, van het Gerechtelijk Wetboek) en "Er geen rekening kan worden gehouden met schuldvorderingen die laattijdig (...) (zoals hier het geval wel degelijk is), worden ingediend (...)" (schending van het aangehaald artikel 1675/9, §2, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Krachtens artikel 1675/4, §2, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, bevat het inleidend verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling de naam, de voornaam en de woonplaats van de schuldeisers van de verzoeker. In casu stellen de appelrechters onder het overnemen van de vaststellingen van de eerste rechter (p. 4 van het vonnis a quo) vast dat "(De eisers) werden vermeld in het inleidend verzoekschrift" en dit blijkens de termen van dat verzoekschrift zelf onder de rubriek "Leningen en schulden: (De eerste verweerder) heeft volgende schulden (bedragen te vermeerderen met de vervallen intresten): 1. Schuld bij de familie H.-C, via advocaat Benny Welkenhuysen, met kantoor te 3210 Lubbeek, Staatsbaan 168 (ref. 3206/97/BW/CD) voor een bedrag van 28.538,44 euro + intresten (stuk 5) (...). Betwiste schulden: geen". Krachtens artikel 1675/9, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, moet de aangifte van de schuldvordering uiterlijk een maand na toezending van de beschikking van toelaatbaarheid bij de schuldbemiddelaar worden verricht, hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht, hetzij bij aangifte op zijn kantoor met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde. Die aangifte omschrijft de aard van de schuldvordering alsmede de verantwoording ervan, het bedrag ervan in hoofdsom, intresten, en kosten, de eventuele redenen van voorrang, alsook de procedures waartoe ze aanleiding kan geven. De eisen gesteld aan die aangifte zijn niet op straffe van nietigheid ingesteld, noch als substantiële of plechtige vormvoorschriften te aanzien. Het is voldoende dat de schuldbemiddelaar in staat is aan de hand van de aangifte het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling op te stellen, waarin overigens krachtens artikel 1675/10, §3, van het Gerechtelijk Wetboek, alleen de niet betwiste schuldvorderingen of die welke bij een titel zijn vastgesteld ten belope van de aldus verantwoorde bedragen mogen worden opgenomen. In casu blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat de eerste verweerder een niet-betwiste schuld had aan de eisers ten bedrage van 28.538,44 euro te vermeerderen met de vervallen intresten ingevolge zijn veroordeling tot deze bedragen door de strafrechter, terwijl aan de tweede verweerster binnen de maand na de toezending van de gerechtsbrief op 17 februari 2003 per 22 februari 2003 de titel van de eisers werd overgemaakt als verantwoording voor de op te nemen bedragen in het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling. Hieruit volgt dat het bestreden arrest de beslissing, dat de toezending door de eisers bij brief van 22 februari 2003 van het veroordelend vonnis van 17 april 2001, - op grond waarvan de eerste verweerder ingevolge eisers' destijds overgemaakte afrekening erkent een niet betwiste schuld te hebben van 28.538,44 euro te vermeerderen met de vervallen intresten -, niet kan aangenomen worden als een aangifte van hun schuldvordering in de zin van artikel 1675/9, §2, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek waarmee de schuldbemiddelaar rekening diende te houden, niet naar recht verantwoordt vermits deze bepaling geen gevolgen verbindt aan het feit dat de aangifte bij gewone post verricht wordt (schending van artikel 1675/9, §2, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek), noch verlangt dat een becijferde opgave van de actuele aanspraken wordt ingediend, eens het een niet-betwiste schuldvordering betreft (schending van artikel 1675/9, §2, lid 2, en 1675/10, §3, van het Gerechtelijk Wetboek) die in een titel, zoals een veroordelend vonnis, is vastgelegd (schending van artikel 1675/9, §2, lid 2, en 1675/10, §3, van het Gerechtelijk Wetboek), terwijl een niet voorhanden zijnde reden van voorrang niet kan worden omschreven en een definitieve veroordeling ook geen aanleiding meer kan geven tot procedures die dan ook niet behoeven te worden gepreciseerd (schending van artikel 1675/9, §2, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de beschikking van toelaatbaarbeid van de vordering tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling, overeenkomstig het artikel 1675/9, §1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, bij gerechtsbrief werd ter kennis gebracht aan de eerste twee eisers in persoon, die bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Leuven van 17 april 2001 als schuldeisers werden erkend en in hun hoedanigheid van deelgenoten in de tussen hen bestaande huwgemeenschap en in hun hoedanigheid van ouders en wettelijke beheerders over de persoon en de goederen van hun toentertijd nog minderjarige dochter, de derde eiseres. 2. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de kennisgeving van de beschikking van toelaatbaarheid onregelmatig was doordat ze enkel aan de raadsman van de eisers en niet aan "de eisers" persoonlijk werd ter kennis gebracht, mist het feitelijke grondslag. 3. Het onderdeel voert verder aan dat bedoelde gerechtsbrief moet voldoen aan de vereisten bepaald in artikel 1675/9, §1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, maar geeft niet aan hoe en waardoor daaraan niet is voldaan. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 4. Krachtens artikel 1675/9, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, dient de aangifte van schuldvordering de aard en de verantwoording van de schuldvordering te omschrijven, evenals het bedrag ervan in hoofdsom, interest en kosten, de eventuele redenen van voorrang, alsook de procedures waartoe ze aanleiding kan geven. 5. Het geschrift dat strekt tot het indienen van een schuldvordering geldt slechts als een aangifte in de zin van artikel 1675/9, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer het de elementen bevat die de schuldbemiddelaar toelaten met deze schuldvordering rekening te houden in de schuldenregeling. 6. De appelrechter oordeelt dat: - uit de door de eisers gedane mededeling van het vonnis van veroordeling niet kon worden afgeleid wat de respectieve actuele aanspraken van de eisers waren in hoofdsom, interest en kosten, noch of enig voorrecht werd ingeroepen en evenmin wat het lot moest zijn van de diverse posten waarvoor voorbehoud was verleend; - de schuldbemiddelaar vergeefs op de afwezigheid van dienstige inlichtingen had gewezen. 7. Door aldus te oordelen geeft de appelrechter te kennen dat de door de eisers gedane mededeling de schuldbemiddelaar niet toeliet zijn taak verder te zetten en beslist hij dan ook, zonder schending van de in het onderdeel aangehaalde wetsbepalingen, dat die mededeling niet kan worden aangezien als een aangifte van schuldvordering in de zin van het artikel 1675/9, §2, van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. 8. De redenen vermeld in randnummer 6 schragen de beslissing van de appelrechter dat de door de eisers gedane mededeling niet kan worden aangezien als een aangifte van schuldvordering. 9. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechter gevolgen verbindt aan de omstandigheid dat de bedoelde mededeling bij gewone post werd verricht, is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 1649,53 euro jegens de eisende partij en op de som van 114,00 euro in debet jegens de verwerende partij sub 1. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 5 september 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080905.2 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240624.3F.2 ECLI:BE:TTLIE:2009:JUG.20091116.10 ECLI:BE:TTLIE:2010:JUG.20100111.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div