id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080908.1 Rolnummer: C.06.0497.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-09-22 Raadplegingen: 634 - laatst gezien 2026-07-03 03:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 861 Ger.W. volgens hetwelk de rechter een proceshandeling alleen dan nietig kan verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt, onderstelt dat de partij die de exceptie opwerpt door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding redelijkerwijze niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Belangenschade Vrije woorden: Exceptie - Nietigverklaring van een proceshandeling - Belang - Belangenschade Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 861 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Belangenschade Vrije woorden: Exceptie - Nietigverklaring van een proceshandeling - Belang - Belangenschade Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 861 Annotaties Publicaties: RAGB - Rudy VERBEKE; De (nieuwe) begrenzing van het begrip "belangenschade" in artikel 861 Ger.W. - 2009, 319-328 TBBR/RGDC - SCHEERS Dirk - 2010/3 - p. 137-138 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0497.N DEXIA BANK BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen W.A., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 mei 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 19 juni 2008 verwezen naar de derde kamer. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Na correct te hebben vastgesteld dat de beroepsakte een oude en dus foutieve woonplaats opgeeft van de verweerder en aldus principieel nietig is overeenkomstig artikel 1057, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek in samenhang met artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek, oordelen de appelrechters met betrekking tot de toepassing van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek (belangenschade): "
- Door de verkeerde adresvermelding van (de verweerder) zijn de belangen van (de verweerder) geschaad. Het vereiste van de belangenschade moet in elk concreet geval onderzocht worden. Ook het toeval kan bepalend zijn voor de beoordeling, aangezien (uiteraard) ook het toeval nadelige gevolgen kan hebben voor de betrokkene. Daarbij is het begrip ‘belangenschade' niet eng terug te brengen naar de belangen van (de verweerder) binnen de eigenlijke procedure zelf.
- Zo is in onderhavige zaak de gerechtsbrief met beroepsakte op 14 januari 2005 niet teruggestuurd door de postdiensten naar de griffie alhier met de melding van ‘verkeerd adres' of iets dergelijks. De postdiensten hebben de gerechtsbrief ter hand gesteld aan een derde. Dit verkeerd ter hand stellen vindt haar oorzaak in de verkeerde adresvermelding in de beroepsakte, waarvoor uitsluitend (de eiseres) verantwoordelijk is. Dat de beroepsakte terecht kwam bij een verkeerde persoon waarvan voor het overige nergens voorligt dat deze enig mandaat had vanwege (de verweerder), bracht schade aan de belangen van (de verweerder). Terechtzittingen zijn in beginsel openbaar, doch dit betekent niet dat de betwistingen als dusdanig, inclusief het voorwerp ervan en de wijze van gevoerde procedure, zonder instemming van de betrokkenen aan de openbaarheid - laat staan bij gerechtsbrief aan derden - prijs mogen gegeven worden. De belangenschade ten gevolge van het terechtkomen van de beroepsakte in de handen van een derde, is belangrijk en is op zich voldoende om te weerhouden als vervulling van het vereiste van belangenschade voor de nietigheid van de beroepsakte. Mocht de gerechtsbrief zijn teruggestuurd door de postdiensten, zou de beoordeling misschien anders zijn geschied, doch die hypothese is echter niet aan de orde.
- Dat (de verweerder) door het verkeerde adres niet in staat is geweest om, in de hypothese van wél tijdige verwittiging nopens de inleidingszitting, aldaar meteen maatregelen te vorderen, zoals de uitsluiting van kantonnement, korte debatten dan wel meteen een regeling van de procedurekalender mogelijk te maken, is als dusdanig juist, doch een en ander kon, mits enige diligentie ten snelste worden aangevraagd/rechtgezet. Aldaar kan geen dergelijke belangenschade worden weerhouden die als genoeg overtuigend kan beschouwd worden om voldoende aanleiding te geven tot het weerhouden van de nietigheid van de beroepsakte" cfr. arrest, p. 10-
- Gelet op het voorgaande wordt het hoger beroep van de eiseres vervolgens onontvankelijk verklaard (cfr. arrest, p. 12). Grief Overeenkomstig artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter "een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt". Deze belangenschade duidt op schade aan de procesbelangen van de betrokken partij (schending van het recht van verdediging of van de redelijke termijn waarbinnen de zaak moet worden behandeld, ...). Te dezen geven de appèlrechters evenwel (ook) een niet-procedurele uitlegging en toepassing aan de belangenschending waarvan sprake in artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek, waar zij oordelen: "(...) Daarbij is het begrip "belangenschade" niet eng terug te brengen naar de belangen van (de verweerder) binnen de eigenlijke procedure zelf.
- Zo is in onderhavige zaak de gerechtsbrief met beroepsakte op 14 januari 2005 niet teruggestuurd door de postdiensten naar de griffie alhier met de melding van ‘verkeerd adres' of iets dergelijks. De postdiensten hebben de gerechtsbrief ter hand gesteld aan een derde. Dit verkeerd ter hand stellen vindt haar oorzaak in de verkeerde adresvermelding in de beroepsakte, waarvoor uitsluitend (de eiseres) verantwoordelijk is. Dat de beroepsakte terecht kwam bij een verkeerde persoon waarvan voor het overige nergens voorligt dat deze enig mandaat had vanwege (de verweerder), bracht schade aan de belangen van (de verweerder). Terechtzittingen zijn in beginsel openbaar, doch dit betekent niet dat de betwistingen als dusdanig, inclusief het voorwerp ervan en de wijze van gevoerde procedure, zonder instemming van de betrokkenen aan de openbaarheid - laat staan bij gerechtsbrief aan derden - prijs mogen gegeven worden. De belangenschade ten gevolge van het terechtkomen van de beroepsakte in de handen van een derde, is belangrijk en is op zich voldoende om te weerhouden als vervulling van het vereiste van belangenschade voor de nietigheid van de beroepsakte. Mocht de gerechtsbrief zijn teruggestuurd door de postdiensten, zou de beoordeling misschien anders zijn geschied, doch die hypothese is echter niet aan de orde". cfr. arrest, p. 10-
- In dat verband stellen de appelrechters evenzeer expliciet dat van een procedurele belangenschending te dezen geen sprake is: "
- Dat (de verweerder) door het verkeerde adres niet in staat is geweest om, in de hypothese van wél tijdige verwittiging nopens de inleidingszitting, aldaar meteen maatregelen te vorderen, zoals de uitsluiting van kantonnement, korte debatten dan wel meteen een regeling van de procedurekalender mogelijk te maken, is als dusdanig juist, doch een en ander kon, mits enige diligentie ten snelste worden aangevraagd/rechtgezet. Aldaar kan geen dergelijke belangenschade worden weerhouden die als genoeg overtuigend kan beschouwd worden om voldoende aanleiding te geven tot het weerhouden van de nietigheid van de beroepsakte" cfr. arrest, p.
- Door zich bij de beslissing dat belangenschade in de zin van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek bij de verweerder voorligt, uitsluitend te laten leiden door een niet-procedurele invulling van het begrip belangenschade (nu de appelrechters immers oordelen dat geen procedurele belangenschade aanwezig is), en dienvolgens de beroepsakte van de eiseres op grond van deze beslissing nietig te verklaren, schenden de appèlrechters aldus de in het middel aangegeven wetsbepalingen en faalt hun beslissing naar recht (schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 867 en 1057, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing De appelrechters overwegen met betrekking tot de "waarde" van de betekening van de beroepsakte aan de raadsman van de verweerder (cfr. arrest, p. 12): "Tevergeefs verwijst (de eiseres) naar de betekening van de beroepsakte die door de griffie is verricht aan de raadsman van (de verweerder) op 13 januari
- De raadsman van (de verweerder) is niet (de verweerder) zelf. Er is ook geen woonstkeuze gedaan door (de verweerder) bij zijn raadsman. Daarenboven en essentieel zij er weerhouden wat volgt. De raadsman van (de verweerder) aan wie wordt betekend, is in de regel de advocaat die de raadsman is geweest van de geïntimeerde voor de eerste rechter. Er is een totale keuzevrijheid van raadsman. In casu is de raadsman van (de verweerder) dezelfde gebleven in beide aanleggen. Die laatste vaststelling leidt evenwel niet eenduidig tot de conclusie dat er tussen (de verweerder) en diens raadsman een naadloze overgang van mandaatverlening is geweest van de eerste aanleg naar het hoger beroep toe. Overigens het is aan niemand, noch aan (de eiseres), noch aan (de verweerder), noch aan de zetel om enige uitspraak te doen in een aangelegenheid die uitsluitend de zaak is van (de verweerder) en diens raadsman. Evenmin ligt als noodzakelijk voor dat de raadsman van (de verweerder) vooraf - d.w.z. voorafgaand aan de inleiding van het hoger beroep - (de verweerder) in kennis heeft gesteld van de volledige inhoud van de beroepsakte. Zelfs indien de raadsman van (de verweerder) contact opgenomen heeft met (de verweerder) naar aanleiding van de ontvangst door hem van de beroepsakte, dan leidt dit geenszins tot de noodzakelijke conclusie dat (de verweerder/ wist of moest weten dat er een hoger beroep was dat werd ingeleid op 10 februari 2005, noch wist of moest weten welke de beroepsgrieven waren. Er dient dan ook niet verder te worden ingegaan op de voor het hof onaangename controverse tussen de raadslieden m.b.t. brieven die tussen hen zijn gewisseld, controverse waarin ook de Stafhouder is tussengekomen". Grief Deze argumentatie, door de appelrechters ontwikkeld met betrekking tot de "waarde" van de gerechtsbrief met beroepsakte, tijdig besteld aan de raadsman van cliënte, is rechtens niet verantwoord. Nochtans leidt deze argumentatie ertoe dat de eerder door de appelrechters vastgestelde nietigheid van de beroepsakte - en de daaruit afgeleide onontvankelijkheid van het hoger beroep van de eiseres - overeind blijft. Artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling met inbegrip van de niet-naleving van de op straffe van nietigheid voorgeschreven termijnen of van de vermelding van een vorm kan niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt ofwel dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, ofwel dat die niet-vermelde vorm werkelijk in acht is genomen". De appelrechters hadden dienen vast te stellen dat het normdoel waarvan sprake in artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek wel degelijk bereikt was met de tijdige bestelling van de gerechtsbrief met beroepsakte aan de raadsman van de verweerder. Immers, door deze gerechtsbrief had de verweerder kennis van, minstens was de verweerder daardoor in de mogelijkheid kennis te nemen van, het hoger beroep van de eiseres en haar motieven; evenzo was de verweerder bij machte te verschijnen ter inleidende zitting van 10 februari
- Dit klemt des te meer rekening houdend met de door de appelrechters gedane, doch zonder gevolg gelaten, vaststellingen dat: de zaak ter inleidende zitting naar de rol werd verzonden (cfr. arrest, p. 4) een tweede beroepsakte aan de verweerder correct werd betekend per gerechtsbrief van 24 februari 2005 (cfr. arrest, p. 4-5), en niet in het minst dat het debat vooralsnog beperkt werd tot de problematiek van de ontvankelijkheid van het hoger beroep (cfr. arrest, p. 2). In zoverre de appelrechters, niettegenstaande hun vaststelling dat de beroepsakte tijdig en correct per gerechtsbrief aan de raadsman van de verweerder werd overgemaakt, weigeren daaruit af te leiden dat "de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt" zoals bedoeld in artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek, schenden zij deze wetsbepaling alsook artikel 1057, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en is hun beslissing niet naar recht verantwoord. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Grond van niet-ontvankelijkheid
- De verweerder werpt op dat het middel niet ontvankelijk is, omdat de eiseres nalaat artikel 1057, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek als geschonden aan te wijzen.
- Het middel verwijt de appelrechter niet artikel 1057, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek toe te passen, maar bestrijdt enkel diens beoordeling van de belangenschade in de zin van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Middel
- Krachtens artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.
- Deze bepaling onderstelt dat de partij die de exceptie opwerpt, door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding redelijkerwijze niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang.
- De appelrechter stelt vast dat: - de eiseres in haar verzoekschrift tot hoger beroep een oude en verkeerde woonplaats van de verweerder als gedaagde opgeeft; - het verzoekschrift via de griffie bij gerechtsbrief op deze verkeerde woonplaats is betekend en aldaar door een derde voor ontvangst is gehandtekend; - op de inleidingszitting in hoger beroep niemand verschijnt en de zaak naar de bijzondere rol wordt verwezen; - het verzoekschrift vervolgens, op verzoek van de raadsman van de eiseres, bij gerechtsbrief op de juiste woonplaats is betekend en aldaar door de verweerder voor ontvangst is gehandtekend. De appelrechter oordeelt vervolgens dat: - de opgave in de akte van hoger beroep van de woonplaats of, bij gebrek aan woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep, krachtens artikel 1057, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid is voorgeschreven; - het voormelde vormverzuim in het verzoekschrift tot hoger beroep van de eiseres de belangen van de verweerder heeft geschaad aangezien het verzoekschrift aldus bij een verkeerde persoon is terechtgekomen en niet aan de griffie is teruggestuurd; - het verzoekschrift en het geding als dusdanig op die manier aan de openbaarheid is prijsgegeven; - deze belangenschade op zich voldoende is als vervulling van het vereiste van belangenschade voor de nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep. De appelrechter sluit tenslotte in randnummer 3 van het arrest uit dat de verweerder binnen de eigenlijke procedure schade heeft geleden of heeft kunnen lijden.
- De appelrechter die zodoende de belangenschade in de zin van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek niet beperkt tot het belang van de partij die de exceptie opwerpt binnen de eigenlijke procedure, schendt deze wetsbepaling. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grief
- De overige grief kan niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de vrijwillige tussenkomst van de verweerder niet ontvankelijk verklaart en uitspraak doet over de kosten van deze vrijwillige tussenkomst. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 8 september 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080908.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140606.4 ECLI:BE:HBGNT:2011:ARR.20110228.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div