← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080908.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

kele feit dat een gegeven in een vonnis niet is vermeld niet volgt dat de rechter dit niet heeft onderzocht. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN

ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT

CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Nieuw middel Vrije woorden: Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 Fiche 2 Zelfs al raakt een middel de openbare orde of is het van dwingend recht ten voordele voor de eiser in cassatie, toch is het nieuw

derhalve niet ontvankelijk wanneer uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat voor de feitenrechter

ig feit is aangevoerd dat met de als geschonden aangewezen bepaling verband houdt

uit de bestreden beslissing evenmin blijkt dat die beslissing feitelijke gegevens vaststelt die hierop betrekking hebben. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT

CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Nieuw middel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0026.N

  1. C. G.,
  2. B. G., eisers, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen ALGEMEEN ZIEKENHUIS SINT-AUGUSTINUS, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 2610 Antwerpen, Sint-Augustinuslaan 20, met keuze van woonplaats bij gerechtsdeurwaarder Kareline Slagmulder, met kantoor te 3001 Leuven-Heverlee, Kardinaal Mercierlaan 33/1, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 13 juli 2007 in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter van het zevende kanton te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 26 juni 2008 verwezen naar de derde kamer. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 15, eerste lid, in de versie van toepassing voor de wijziging ervan bij een wet van 13 december 2006,

tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen; - artikel 138, §2, tweede

derde lid, beide in de versie van toepassing voor de wijziging ervan bij een wet van 13 december 2006,

§5

, van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen; - de artikelen 1, 2°,

2, in de versie van toepassing voor de wijziging ervan bij een koninklijk besluit van 8 maart 2006, van het koninklijk besluit van 29 september 2002 tot uitvoering van artikel 138 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart de vrederechter, recht sprekend in eerste

in laatste aanleg, de vordering van de verweerster ontvankelijk

gedeeltelijk gegrond. De vrederech¬ter veroordeelt de eisers solidair tot betaling van 270,00 euro, meer de gerechtelijke interest,

tot de kosten van het geding. Het meer gevorderde wijst de vrederechter af als ongegrond. De vrederechter beslist dat op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen,

in het bijzonder op de volgende overwe¬gingen: " (...) dat (de eisers) niet kunnen ontkennen,

desbetreffend ook niet besluiten, dat op 10 november 2004

8 december 2004 (de eiseres) twee verklarin¬gen-overeenkomsten ondertekende waarbij zij zich uitdrukkelijk akkoord verklaarde tot de betaling van het ereloonsupplement voor de geplande ingreep, namelijk het supplement dat niet door de gewone ziekteverzekering wordt vergoed

dat in deze overeenkomst wordt vastgesteld op de gevraagde 270,00 euro; Dat (de eiseres) daarin ook uitdrukkelijk verklaart dat zij volledig geïnformeerd is geweest over de geplande ingreep; Dat met andere woorden, los van alle meer principiële argumenten, (de eiseres) in deze vrijelijk akkoord is gegaan met de betaling van het gevraagde ereloonsupplement, daar waar zij duidelijk de keuze had voor een andere operatieve ingreep

om de ingreep in een ander ziekenhuis te laten gebeuren, door een dokter in een ziekenhuis die eventueel niet het betreffende supplement (zou) aanrekenen; (...) dat daarenboven uit de verpleegnota blijkt dat de betreffende ophtalmo¬loog een niet geconventioneerde arts is, zodat (de verweerster) er niet diende over te waken dat door de geneesheren

kel de verbintenistarieven worden aangerekend; Dat los van alle andere beschouwingen het derhalve vrij stond aan de behandelende geneesheer een ereloonsupplement aan te rekenen, terwijl het vrij stond aan (de eise¬res) om daarmee akkoord te gaan in de door haar ondertekende overeenkomst" (blz. 4, eerste helft, van het bestreden vonnis). Grieven 1. Luidens artikel 15, eerste lid, in de versie die in deze zaak van toepassing is, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, hieronder afgekort als Wet Uitoefening Geneeskunst, hebben de beoefenaars bedoeld bij de artikelen 2, 3

4, onverminderd de bepalingen van artikel 18, §2,

mits eerbiediging van de regelen van de plichtenleer, recht op honoraria of forfaitaire bezoldigingen voor de door hen geleverde prestaties. Onverminderd de toepassing van bedragen welke eventueel zijn vastgesteld door of krachtens de wet of voorzien bij statuten of overeenkomsten waartoe de beoefenaars zijn toegetreden, bepalen deze vrij het bedrag van hun honoraria, onder voorbehoud van de bevoegdheid, in geval van betwisting, van de Orde waaronder zij ressorteren of van de rechtbanken, aldus het tweede lid van die bepaling. Het recht van geneesheren vrij het bedrag van hun honorarium te bepalen, wordt onder meer beperkt door de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen, hieronder afgekort als Ziekenhuiswet. Wanneer er een akkoord is als bedoeld in artikel 50 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging

uitkeringen, kunnen de ziekenhuisgeneesheren die niet verbonden zijn door dat akkoord, op grond van artikel 138, §2, tweede lid, in de versie in deze zaak van toepassing, van de Ziekenhuiswet, onverminderd §5, (

kel) ten aanzien van de patiënten opgenomen in tweepatiëntenkamers of in gemeenschappelijke kamers tarieven aanrekenen die afwijken van de verbintenistarieven, (

dan nog alleen) voor zover ter zake in de algemene regeling, bedoeld in artikel 130 van de Ziekenhuiswet, maximumtarieven zijn vastgesteld

deze door de betrokken geneesheren worden nageleefd. Die bepaling is eveneens van toepassing op patiënten in daghospitalisatie, voor de verstrekkingen door de Koning omschreven, aldus artikel 138, §2, derde lid, in de versie in deze zaak van toepassing, van de Ziekenhuiswet. Op grond van paragraaf 5 van artikel 138 van de Ziekenhuiswet, kan de Koning de categorieën van patiënten bepalen ten aanzien van dewelke de niet-verbonden artsen geen tarieven mogen aanrekenen die afwijken van de verbintenistarieven. Op grond van artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 29 september 2002 tot uitvoering van artikel 138 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, hieronder afgekort als koninklijk besluit van 29 september 2002, is artikel 138 van de Ziekenhuiswet van toepassing op patiënten in daghospitalisatie voor de verstrekkingen opgenomen in de bijlage 3, punt 6, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling

de vereffening van het budget van de financiële middelen van de ziekenhuizen. In de bedoelde bijlage is onder meer de nomenclatuurcode 246595 vermeld. Op grond van artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 september 2002 mogen de geneesheren die niet gebonden zijn door het nationaal akkoord, met toepassing van artikel 138, §5, van de Ziekenhuiswet geen tarieven aanrekenen die afwijken van de verbintenistarieven ten aanzien van de volgende personen: 1° de rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, §§1

19, 1°, 2°, 3°

6°, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging

uitkeringen, alsmede de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 13°

15°, van voornoemde wet, die de verhoogde tegemoetkoming genieten, voorzover ze niet opgenomen zijn in het 2° van dit artikel; 2° de rechthebbenden aan wie één van de in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen voor gehandicapten bedoelde tegemoetkomingen wordt toegekend, met uitzondering van de rechthebbenden op een integratietegemoetkoming, behorend tot de categorieën 3

4, bedoeld in artikel 6, §4, eerste lid, 3°

4°, van hoger vermelde wet van 27 februari 1987, waarvoor daadwerkelijk de aftrek, bedoeld in artikel 8, §1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende

de integratietegemoetkoming, werd toegepast; 3° de rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming, bedoeld in het artikel 32, §1, 1° tot 5°

7°, van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging

uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen

de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd,

de rechthebbenden, bedoeld in het artikel 32, §1, 6°, van het vorenbedoelde koninklijke besluit van 29 december 1997, voorzover zij de verhoogde tegemoetkoming genieten, toegekend op grond van artikel 37, §19, 1° tot 3°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging

uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 4° de rechthebbenden op de verhoogde kinderbijslag overeenkomstig artikel 47, §1, van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders of overeenkomstig artikel 20 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslagen ten voordele van de zelfstandigen

van de personen die te hunnen laste zijn; 5° de rechthebbenden bedoeld in het artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 juni 1998 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor het incontinentiemateriaal, bedoeld in artikel 34, 14°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging

uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 6° de rechthebbenden opgenomen in een Sp-dienst (palliatieve zorg), alsmede de rechthebbenden, bedoeld in het artikel 7octies van het koninklijk besluit van 23 maart 1982 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden of van de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in het honorarium voor bepaalde verstrekkingen; 7° de rechthebbenden bedoeld in artikel 37, §16bis, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging

uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Artikel 138 van de Ziekenhuiswet raakt de openbare orde, minstens is die bepaling van dwingend recht ten voordele van de patiënten. De vertegenwoordigers van de geneesheren

de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen sloten op 15 december 2003 een nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen voor 2004-2005, dat werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 januari

  1. De vrederechter stelt vast dat de vordering van de verweerster betrekking heeft op het saldo van twee ziekenhuisfacturen die werden verstuurd naar aanleiding van een heelkundige ingreep ingevolge cataract bij de eiseres (blz. 2, derde laatste alinea, van het bestreden vonnis). Ook stelt de vrederechter vast dat de gehanteerde ingreep valt onder het nomenclatuurnummer 246595-246606 (blz. 3, derde lid, van het bestreden vonnis). Uit de regelmatig voor de vrederechter neergelegde conclusie voor de eisers, die niet tegengesproken werd door de verweerster, blijkt dat de eiseres op 7 december 2004

op 14 december 2004 in het chirurgisch dagziekenhuis van de verweerster verbleef (blz. 2, eerste alinea, van de conclusie voor de eisers). In het bestreden vonnis stelt de vrederechter voorts vast dat de betreffende ophtalmoloog een niet-geconventioneerde arts is (blz. 4, vierde alinea, van het bestreden vonnis), d.w.z. een geneesheer die niet verbonden is door een akkoord als bedoeld in artikel 50 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging

uitkeringen. Uit die vaststellingen volgt dat de voorwaarden die artikel 138, §2, tweede lid,

§5

, van de Ziekenhuiswet stelt opdat ziekenhuisgeneesheren die niet verbonden zijn door een akkoord, tarieven mogen aanrekenen die afwijken van de verbintenistarieven, van toepassing zijn op de heelkundige ingreep waarvoor aan de eiseres twee facturen werden gestuurd. De vrederechter verklaart de vordering van de verweerster gegrond op de gronden dat: - de eiseres op 10 november 2004

8 december 2004 twee verklaringen-overeenkomsten ondertekende waarbij zij zich uitdrukkelijk akkoord verklaarde met de betaling van een ereloonsupplement voor de geplande ingreep, nl. het supplement dat niet door de gewone ziekteverzekering wordt vergoed

dat in deze overeenkomst wordt vastgesteld op de gevorderde 270,00 (blz. 4, eerste alinea, van het bestreden vonnis), - de eiseres in die overeenkomst verklaart dat zij volledig geïnformeerd is geweest over de geplande ingreep (blz. 4, tweede alinea, van het bestreden vonnis), - de eiseres vrijelijk akkoord is gegaan met de betaling van het gevraagde ereloonsupple¬ment, daar waar zij duidelijk de keuze had voor een andere operatieve ingreep

om de ingreep in een ander ziekenhuis te laten gebeuren, of door een dokter in het ziekenhuis die eventueel niet het betreffende supplement zou aanrekenen (blz. 4, derde alinea, van het bestreden vonnis), - uit de verpleegnota blijkt dat de betreffende ophtalmoloog een niet-geconventioneerde arts is, zodat de verweerster niet erover diende te waken dat

kel de verbintenistarieven worden aangerekend (blz. 4, zesde alinea, van het bestreden vonnis), - het los van alle andere beschouwingen, vrij stond aan de behandelende geneesheer een ereloonsupplement aan te rekenen

het vrij stond aan de eiseres om daarmee akkoord te gaan in de door haar ondertekende overeenkomsten (blz. 4, vijfde alinea, van het bestre¬den vonnis). 2.1. De vrederechter gaat evenwel nergens in het bestreden vonnis na of

stelt ook niet vast dat, zoals artikel 138, §2, van de Ziekenhuiswet vereist, de eiseres opgenomen was in een andere kamer dan een tweepatiënten- of een gemeenschappelijke kamer dan wel in de algemene regeling van de verweerster, zoals bedoeld in artikel 130 van de Ziekenhuiswet, maximumtarieven zijn vastgesteld

deze in de overeenkomst die de eiseres op 13 juli 2004 sloot, werden nageleefd. Zonder na te gaan of

vast te stellen dat de voorwaarden van openbare orde, minstens van dwingend recht zijn nageleefd waaronder de niet¬geconventioneerde artsen kunnen afwijken van de verbintenistarieven, verklaart de vrederechter de vordering van de verweerster op de hierboven aangehaalde gronden niet wettig gegrond (schending van de artikelen 15, eerste lid, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij een wet van 13 december 2006,

tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, 138, §2, tweede

derde lid, beide in de versie van toepassing voor de wijziging ervan bij een wet van 13 december 2006, van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen,

1, 2°, van het koninklijk besluit van 29 septem¬ber 2002 tot uitvoering van artikel 138 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987). 2.2. Evenmin gaat de vrederechter in het bestreden vonnis na of

stelt hij ook niet vast dat de eiseres niet behoort tot één van de categorieën van patiënten, door de Koning met toepassing van artikel 138, §5, van de Ziekenhuiswet in een voorschrift van openbare orde, minstens van dwingend recht bepaald, ten aanzien van wie de niet-geconventioneerde artsen geen tarieven mogen aanrekenen die afwijken van de verbintenistarieven, zodat de vrederechter de vordering van de verweerster niet wettig gegrond verklaart (schending van de artikelen 15, eerste lid, in de versie van toepassing voor de wijziging ervan bij een wet van 13 december 2006,

tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, 138, §2, tweede

derde lid, beide in de versie zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij een wet van 13 december 2006,

§5

, van de wet van 7 au¬gustus 1987 op de ziekenhuizen,

1, 2°,

2, in de versie zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij een koninklijk besluit van 8 maart 2006, van het koninklijk besluit van 29 september 2002 tot uitvoering van artikel 138 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987). 2.3. Door zonder de hierboven genoemde elementen te onderzoeken

de aan- of afwezigheid daarvan vast te stellen, schendt de vrederechter eveneens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet aangezien de feitelijke vaststellingen van het bestreden vonnis het Hof niet toelaten zijn wettigheidstoezicht op de beslissing uit te oefenen. Conclusie De vrederechter verklaart de vordering van de verweerster niet wettig gegrond op grond van het bestaan van twee overeenkomsten van 10 november 2004

8 december 2004 waarin de eiseres zich akkoord verklaarde met het gevraagde ereloonsupplement, aangezien de vrederechter niet nagaat of

vaststelt dat de voorwaarden voor het aanrekenen van de verbintenistarieven afwijkende honoraria zijn nageleefd

evenmin nagaat of

vaststelt dat de eiseres niet valt onder een uitzonderingscategorie van patiënten ten aanzien van dewelke geen afwijkende tarieven mogen worden aangerekend (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Bij gebrek aan een daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet alle gegevens te vermelden waarop hij zijn beslissing laat steunen. Uit het

kele feit dat een gegeven in een vonnis niet is vermeld volgt niet dat de rechter dit niet heeft onderzocht. 2. Zelfs al raakt een middel de openbare orde of is het van dwingend recht ten voordele voor de eiser in cassatie, toch is het nieuw

derhalve niet ontvankelijk wanneer uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat voor de feitenrechter

ig feit is aangevoerd dat met de als geschonden aangewezen bepaling verband houdt

uit de bestreden beslissing evenmin blijkt dat die beslissing feitelijke gegevens vaststelt die hierop betrekking hebben. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de partijen voor de feitenrechter

ig feit hebben aangevoerd dat met de volgens het middel te onderzoeken, maar beweerd niet onderzochte, gegevens verband houdt. Uit de bestreden beslissing blijkt evenmin dat het bestreden vonnis feitelijke gegevens vaststelt die op de als geschonden aangewezen bepaling betrekking hebben. Het middel is nieuw

derhalve niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 671,30 euro jegens de eisende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters,

de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck

Koen Mestdagh,

in openbare terechtzitting van 8 september 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080908.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141031.6 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191219.1N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250327.1F.6 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100225.11 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180129.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.