← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080912.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080912.4 Rolnummer: F.07.0038.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2008-10-06 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-07-03 03:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche Voor de toepassing van artikel 353 W.I.B.

(1992), dat voorziet in de gewone aanslagtermijn zonder een voorschrift in te houden in verband met de wijze waarop de belasting dient te worden gevestigd, volstaat het dat door de administratie een aanslag wordt gevestigd op de door de belastingplichtige regelmatig en tijdig aangegeven inkomsten en andere gegevens, ook al werd bij het vestigen van die aanslag een wettelijke regel miskend. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Algemeen Vrije woorden: Gewone aanslagtermijn - Belastingheffing - Vereisten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 353 en 355 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Nr. F.07.0038.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der directe belastingen te Antwerpen, tweede directie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Tabakvest 50, eiser, tegen V. R. M., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 353 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna afgekort WIB
(1992)) zoals dat van toepassing was voor het aanslagjaar 1993. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest stelt enerzijds, dat (de eiser) (de Belgische Staat) niet langer betwist dat (de verweerster) (toekomstige verweerster) en haar ex-echtgenoot sedert oktober 1991 feitelijk gescheiden leven en derhalve voor aanslagjaar 1993 afzonderlijk belast dienden te worden en, anderzijds, dat geen afzonderlijke inkohiering is gebeurd, zodat er evenmin sprake is van een geldige en tijdige inkohiering in de zin van artikel 353 WIB
(1992). Het bestreden arrest stelt nog dat er geen rekening kan worden gehouden met de aanslag gevestigd op 22 november 1993 op naam van beide echtgenoten. Grieven Overeenkomstig artikel 353 WIB
(1992)wordt de belasting met betrekking tot de inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen, gevestigd binnen de in artikel 359 gestelde termijn, die evenwel niet korter mag zijn dan zes maanden vanaf de datum waarop de aangifte bij de bevoegde aanslagdienst is toegekomen. Artikel 353 WIB
(1992)behoort tot Titel VII - Vestiging en invordering van de belasting, Hoofdstuk VI -Aanslag, Afdeling I - Aanslagtermijnen, en bevat geen voorschriften in verband met de wijze van vestigen. Door een onderscheid te maken tussen een gezamenlijke en een afzonderlijke vestiging van de aanslag voegt het bestreden arrest een voorwaarde toe aan artikel 353 WIB
(1992)en schendt het aldus artikel 353 WIB
(1992). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Overeenkomstig artikel 353 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)moet de administratie in geval de belastingplichtige een regelmatige aangifte heeft ingediend binnen de gestelde termijn, de belasting met betrekking tot de aangegeven inkomsten en de andere in die aangifte vermelde gegevens vestigen binnen de in artikel 359 gestelde termijn, dit is tot 30 juni van het jaar dat volgt op dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, zonder dat deze termijn korter mag zijn dan zes maanden vanaf de datum waarop de aangifte bij de bevoegde aanslagdienst is toegekomen.
  1. Artikel 355 van hetzelfde wetboek verplicht de administratie, wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, binnen de er in bepaalde termijn een nieuwe aanslag te vestigen ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds verlopen is.
  2. Uit deze laatste bepaling blijkt dat de fiscale wetgever er van uit is gegaan dat een aanslag die tijdig wordt gevestigd maar met miskenning van een wettelijke regel als een belastingheffing kan worden beschouwd in de zin van artikel 353 WIB
(1992). Dit artikel houdt geen voorschrift in in verband met de wijze waarop de belasting dient te worden gevestigd. 4. Uit die bepalingen gelezen in onderling verband volgt dat het voor de toepassing van artikel 353 van het WIB
(1992), dat voorziet in de gewone aanslagtermijn, volstaat dat door de administratie een aanslag wordt gevestigd op de door de belastingplichtige regelmatig en tijdig aangegeven inkomsten en andere gegevens, ook al werd bij het vestigen van die aanslag een wettelijke regel miskend. 5. De appelrechters stellen vast dat: - de eiser niet langer betwist dat de verweerster en haar ex-echtgenoot sedert oktober 1991 feitelijk gescheiden leven en derhalve voor het aanslagjaar 1993 afzonderlijk belast dienden te worden overeenkomstig artikel 128, eerste lid, 2°, en tweede lid, van het WIB
(1992); - de aanslag met kohierartikel 3720441 van 22 november 1993 voor het aanslagjaar 1993 niettemin werd gevestigd op naam van beide echtgenoten op basis van de inkomsten en andere gegevens vermeld in de beide aangiften. De appelrechters oordelen vervolgens dat aangezien geen afzonderlijke inkohiering is gebeurd, er evenmin sprake is van een geldige en tijdige inkohiering in de zin van artikel 353 van het WIB
(1992). 6. Aldus schenden de appelrechters artikel 353 van het WIB
(1992). Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in de mate het oordeelt dat in hoofde van de verweerster geen geldige en tijdige inkohiering is gebeurd voor het aanslagjaar 1993 en derhalve de ingehouden bedrijfsvoorheffing moet worden terugbetaald, te vermeerderen met de interest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Stassijns Paul Maffei en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 12 september 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080912.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.