← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080916.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080916.1 Rolnummer: P.07.1572.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2008-10-06 Raadplegingen: 232 - laatst gezien 2026-07-03 03:32 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 15, § 1 en 17quater, § 1, Ziekenhuiswet en 1, §§ 1 en 3 en 6, § 1 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waaraan het medisch dossier moet voldoen, volgt dat het medisch dossier aan het ziekenhuis toebehoort en niet aan een individuele arts. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Geneeskunde - Algemeen medisch dossier STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Diefstal Vrije woorden: Diefstal - Materieel element - Zaak die aan een ander toebehoort - Medisch dossier dat bewaard wordt in een ziekenhuis - Toepassing Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Geneeskunde - Algemeen medisch dossier STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Diefstal Vrije woorden: Materieel element - Diefstal - Zaak die aan een ander toebehoort - Medisch dossier dat bewaard wordt in een ziekenhuis - Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.07.1572.N L. G. P. D. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jaak Haentjens, advocaat bij de balie te Dendermonde, tegen AZ JAN PALFIJN, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 468, 469 en 483 Strafwetboek: het arrest stelt niet wettig vast dat de diefstal werd gepleegd door middel van bedreigingen.
  3. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie, omkleedt de rechter zijn beslissing dat het misdrijf bewezen is, regelmatig met redenen door te oordelen dat het misdrijf in de bewoordingen van de wet en zoals nader omschreven in de telastlegging, bewezen is.
  4. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters de omstandigheid dat hij bedreigingen heeft geuit, heeft betwist. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 461 Strafwetboek: het ziekenhuis noch de hoofdgeneesheer zijn eigenaar van het medisch dossier zodat niet alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf diefstal vervuld zijn.
  6. Artikel 461 Strafwetboek bepaalt: "Hij die een zaak die hem niet toebehoort, bedrieglijk wegneemt, is schuldig aan diefstal."
  7. Krachtens artikel 15, § 1, Ziekenhuiswet moet voor elke patiënt een medisch dossier worden aangelegd en in het ziekenhuis worden bewaard. Krachtens artikel 17quater, § 1, Ziekenhuiswet moet onder de verantwoordelijkheid van het hoofd van het verpleegkundig departement, voor elke patiënt een verpleegkundig dossier worden aangelegd, dat samen met het medisch dossier het enig patiëntendossier vormt en in het ziekenhuis wordt bewaard onder de verantwoordelijkheid van de hoofdgeneesheer. Krachtens artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waaraan het medisch dossier, bedoeld in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, moet voldoen, wordt in een ziekenhuis, zoals bedoeld in artikel 2 Ziekenhuiswet, voor elke patiënt een medisch dossier aangelegd, dat samen met het verpleegkundig dossier het patiëntendossier vormt. Krachtens artikel 1, § 3, van het voormelde koninklijk besluit dient het medisch dossier gedurende minstens dertig jaar in het ziekenhuis te worden bewaard. Krachtens artikel 6, § 1, eerste lid, van dit koninklijk besluit worden de dossiers van alle patiënten die de dienst verlaten hebben geklasseerd en bewaard in een medisch archief dat bij voorkeur centraal en elektronisch, of minstens op het niveau van de dienst wordt gegroepeerd met een enig nummer per patiënt binnen het ziekenhuis. Uit die bepalingen volgt dat het medisch dossier aan het ziekenhuis toebehoort. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 461 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser niet wettig ook schuldig aan diefstal ten nadele van de hoofdgeneesheer B. H..
  9. De beslissing dat de eiser schuldig is aan het misdrijf diefstal, wordt wettig verantwoord door de vaststelling dat het medisch dossier niet aan de eiser maar aan het ziekenhuis toebehoort. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  10. Het onderdeel voert een motiveringsgebrek aan: het is tegenstrijdig te oordelen dat het ziekenhuis eigenaar is van het medisch dossier, enerzijds, en de eiser ook schuldig te verklaren aan diefstal ten nadele van de hoofdgeneesheer B. H., anderzijds.
  11. Het onderdeel dat is afgeleid uit het vergeefs aangevoerde tweede onderdeel, is evenmin ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 9, § 1, eerste lid, van de Wet van 22 augustus 2002 betreffende rechten van patiënten (hierna: Wet Patiëntenrechten) het arrest oordeelt onterecht dat in ziekenhuisinstellingen de hoofdgeneesheer de bewaarnemer is van het patiëntendossier.
  13. Krachtens artikel 9, § 1, eerste lid, Wet Patiëntenrechten heeft de patiënt ten opzichte van de beroepsbeoefenaar recht op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier. Het onderdeel dat niet aangeeft hoe en waardoor de reden dat in ziekenhuisinstellingen de hoofdgeneesheer de bewaarnemer is van het patiëntendossier, strijdig zou zijn met artikel 9, § 1, eerste lid, Wet Patiëntenrechten, is onduidelijk en dus niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert een motiveringsgebrek aan: het is tegenstrijdig te oordelen dat het ziekenhuis ‘bewaarnemer' is van het medisch dossier, enerzijds, en de hoofdgeneesheer als ‘bewaarnemer' te beschouwen, anderzijds.
  15. Het Hof ontwaart de aangevoerde tegenstrijdigheid niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
  16. Het middel voert schending aan van de artikelen 4, 5 en 6 Wet Patiëntenrechten: om het recht van de patiënt op vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en op kwaliteitsvolle dienstverstrekking te kunnen respecteren, diende de eiser over het medisch dossier te beschikken zodat hij onterecht werd veroordeeld wegens diefstal van medische dossiers.
  17. Het middel vraagt van het Hof een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Vijfde middel Eerste onderdeel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest verwerpt eisers verweer dat de door hem meegenomen dossiers enkel zijn persoonlijke notities bevatten en niet kunnen aangezien worden als medische dossiers in de zin van de wet, zonder dit te hebben gecontroleerd.
  19. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Hij mag hierbij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven. Wanneer hij op die grond oordeelt dat de feiten van een telastlegging bewezen zijn, miskent hij het vermoeden van onschuld niet. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  20. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op eisers verweer dat de eerste rechter de inhoud van de door hem meegenomen dossiers nooit heeft gezien.
  22. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd maar geen afzonderlijk middel vormt.
  23. Het in het onderdeel vermelde argument werd door de eiser enkel aangevoerd ter ondersteuning van zijn verweer dat de door hem meegenomen dossiers enkel zijn persoonlijke notities bevatten en niet kunnen aangezien worden als medische dossiers in de zin van de wet. Met de erin vermelde redenen beantwoordt en verwerpt het arrest dit verweer. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM en artikel 14 IVBPR en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de eiser kan niet nagaan of de feitenrechter de door hem meegenomen dossiers heeft ingezien en aldus naar recht heeft kunnen oordelen dat hij zich schuldig heeft kunnen maken aan de diefstal van medische dossiers.
  25. Het onderdeel dat geheel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde vorige onderdelen, is niet ontvankelijk. Zesde middel
  26. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt eisers verweer niet dat hij zijn medische activiteit nog tot medio mei 2005 heeft uitgeoefend en derhalve nog na 26 april 2005 over de medische dossiers diende te beschikken.
  27. Anders dan het middel aanvoert, beantwoordt het arrest met de redenen die het bevat (arrest, p. 4 en 5, randnummers 2 en 3) het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Zevende middel
  28. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest verwerpt eisers verweer dat hij nog na 26 april 2005 over de medische dossiers diende te beschikken met de reden dat hij "niet ernstig is nu hij het bewijs niet levert dat hij al diezelfde 21 patiënten noodzakelijkerwijze en dit ingevolge hun ‘vrije keuze' nog verder diende te behandelen", terwijl die patiënten nooit werden verhoord.
  29. De rechter die met opgave van redenen het verweer van de beklaagde als ongeloofwaardig verwerpt, miskent daardoor het vermoeden van onschuld niet. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  30. Voor het overige vraagt het middel van het Hof een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 66,53 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 16 september 2008 uitgesproken door raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080916.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.