← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080916.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080916.4 Rolnummer: P.08.0652.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-10-06 Raadplegingen: 183 - laatst gezien 2026-07-03 03:32 Versie(s): Vertaling FR Fiche De enkele omstandigheid dat de meerderheid van de verdachten gedurende het gerechtelijk onderzoek hun verklaring in het Frans hebben afgelegd, belet het openbaar ministerie niet om bij de regeling van de rechtspleging de zaak, wegens de noodwendigheden van de zaak, in het Nederlands voor de raadkamer aanhangig te maken, wanneer diezelfde verdachten tijdens het gerechtelijk onderzoek in hun verklaringen uitdrukkelijk gekozen hebben voor de Nederlandstalige procedure; de omstandigheid dat die verdachten, die door de onderzoeksrechter niet werden verhoord, geen aanvraag in die zin rechtstreeks aan de onderzoeksrechter hebben gericht, doet daaraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemeen (taalgebruik in gerechtzaken) Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Burgerlijke partijstelling in het Frans - Meerdere verdachten - Verklaringen tijdens het gerechtelijk onderzoek afgelegd voor de politie in het Frans - Meerderheid van verdacten die in diezelfde verklaring kiezen voor de Nederlandstalige rechtspleging - Verdachten niet verhoord door de onderzoeksrechter - Geen aanvraag tot taalwijziging gericht aan de onderzoeksrechter - Afsluiten van het gerechtelijk onderzoek - Vordering tot regeling van de rechtspleging opgesteld in het Nederlands - Regelmatigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Art. 16, §§ 1 en 2 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Nr. P.08.0652.N

  1. T. A. A., burgerlijke partij,
  2. R. A. A., burgerlijke partij,
  3. M. A. A., burgerlijke partij, eiseressen, met als raadsman mr. Sven Mary, advocaat bij de balie te Brussel, tegen
  4. Y. V., inverdenkinggestelde,
  5. J. G., inverdenkinggestelde,
  6. J. U., inverdenkinggestelde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 maart
  7. De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 12 en 16, § 1, Wet Taalgebruik in Gerechtszaken: de verweerders hebben een administratieve woonplaats in een gemeente van de Brusselse agglomeratie en hebben tijdens hun verhoor gebruik gemaakt van het Frans; het arrest kan derhalve niet rechtsgeldig oordelen dat het openbaar ministerie voor de regeling van de rechtspleging op grond van de noodwendigheden van de zaak gebruik kan maken van het Nederlands.
  9. Artikel 16, § 1, Wet Taalgebruik Gerechtszaken bepaalt: "Voor de andere politierechtbanken van het rechterlijk arrondissement Brussel dan die in het vorige artikel bedoeld en voor de Correctionele Rechtbank van Brussel rechtsprekende in eerste aanleg, wordt de rechtspleging in het Frans gevoerd indien de verdachte in een Waalse gemeente woonachtig is; in het Nederlands indien de verdachte in een Vlaamse gemeente woonachtig is; in het Frans of in het Nederlands indien de verdachte woonachtig is in een gemeente van de Brusselse agglomeratie naargelang hij zich voor zijn verklaringen in het onderzoek en, bij ontstentenis hiervan, in het vooronderzoek, van een of andere dezer talen heeft bediend. In alle andere gevallen wordt, volgens de noodwendigheden der zaak, het Frans of het Nederlands gebruikt".
  10. De enkele omstandigheid dat de meerderheid van de verdachten gedurende het gerechtelijk onderzoek hun verklaringen in het Frans hebben afgelegd, belet het openbaar ministerie niet om bij de regeling van de rechtspleging de zaak wegens de noodwendigheden van de zaak in het Nederlands voor de raadkamer aanhangig te maken, wanneer diezelfde verdachten tijdens het gerechtelijk onderzoek in hun verklaringen uitdrukkelijk gekozen hebben voor de Nederlandstalige procedure. De omstandigheid dat die verdachten, die door de onderzoeksrechter niet werden verhoord, geen aanvraag in die zin rechtstreeks aan de onderzoeksrechter hebben gericht, doet daaraan geen afbreuk. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 16, § 2, Wet Taalgebruik in Gerechtszaken: het arrest oordeelt ten onrechte dat twee van de drie verweerders gekozen hebben voor de rechtspleging in het Nederlands, daar deze aanvraag niet aan de onderzoeksrechter is gericht.
  12. Het arrest oordeelt niet dat de keuze voor de Nederlandstalige rechtspleging gedaan door twee van de verweerders een aanvraag is als bedoeld in artikel 16, § 2, Wet Taalgebruik Gerechtszaken. Het oordeelt enkel dat die verweerders keuze zouden gedaan hebben voor de Nederlandstalige rechtspleging zodat het gebruik van de Nederlandstalige rechtspleging door het openbaar ministerie wegens de noodwendigheden van de zaak verantwoord is. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseressen in de kosten. Begroot de kosten op 76,07 euro waarvan de eiseressen 46,07 euro verschuldigd zijn en 30 euro betaald hebben. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 16 september 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080916.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.