id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080919.3 Rolnummer: C.07.0357.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-10-09 Raadplegingen: 285 - laatst gezien 2026-07-03 03:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechthebbenden van de eigenaar van een niet verzekerd motorvoertuig dat de schade heeft veroorzaakt, die, als gevolg van de in artikel 29bis, §1, van de W.A.M.-wet bedoelde schade van deze eigenaar, eigen schade lijden omwille van hun band met hem
(1)kunnen, zoals de eigenaar zelf, van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds geen vergoeding van hun in artikel 29bis, §1, van de W.A.M.-wet bedoelde schade verkrijgen.
(1)Zie Cass., 14 april 1981, A.C., 1980-1981, 942; zie ook Cass., 10 april 2003, AR C.01.0165.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030410.16, A.C., 2003, nr.
- Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds - Niet verzekerd motorvoertuig - Rechthebbende van de eigenaar van het motorvoertuig - Vordering van de eigen schade - Vergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 09-07-1975 - Art. 80, § 1, eerste lid Koninklijk Besluit - 16-12-1981 - Art. 17, § 1, 3° Wet - 21-11-1989 - Art. 29bis, § 1, eerste en derde lid Annotaties Publicaties: RABG - SIERENS Rudi - 2009/10 p. 661-671 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0357.N GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Liefdadigheidsstraat 33, bus 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen S. H., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 16 februari 2007 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht voor zijn wijziging bij wet van 19 januari 2001; - artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van kracht voor diens opheffing bij wet van 22 augustus 2002; - artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van kracht voor zijn opheffing bij koninklijk besluit van 11 juli
- Aangevochten beslissingen De Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout verklaart in het bestreden vonnis van 16 februari 2007 het door de eiser tegen het vonnis van de Politierechtbank te Turnhout van 13 oktober 2005 aangetekende hoger beroep ongegrond en het door de verweerster tegen dit vonnis ingestelde incidenteel beroep deels gegrond. De rechtbank van eerste aanleg bevestigt het beroepen vonnis in zoverre het de vorderingen van verweerster ontvankelijk verklaart, de vorderingen van de verweerster ingesteld in haar hoedanigheid van ouder en wettelijke beheerster over de persoon en goederen van haar minderjarige dochters gegrond verklaart en de eiser veroordeelt tot betaling van 2 x 7500,00 euro, meer interesten, aan de verweerster in laatstvermelde hoedanigheid. De rechtbank van eerste aanleg hervormt voorts het beroepen vonnis en veroordeelt de eiser tot betaling van 1900,00 euro, meer interesten, aan de verweerster in eigen naam ten titel van morele schadevergoeding. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout stoelt deze beslissing op volgende gronden: "4.
- De feiten. Huidig geschil heeft betrekking op de schadelijke gevolgen van een zwaar verkeersongeval dat plaatsvond op 14.08.1999 te Turnhout op de Steenweg op Merksplas, waarbij een personenwagen, bestuurd door de heer B.V. met de heer B.D.als passagier op de achterbank, tegen een boom reed zonder enige aanwijsbare reden. Zowel de heer D. als de heer V. kwamen hierbij om het leven. Van het ongeval werd een proces-verbaal opgesteld, dat inmiddels door het Openbaar Ministerie zonder gevolg werd gerangschikt. De heer D. is de vader van de twee minderjarige dochters C. en Ch. van (de verweerster). Zij hadden voor datum van het ongeval een tijd samengewoond, waarna verstandhouding tussen partijen verstoord raakte en aanleiding gaf tot een beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank alhier, zetelend in kortgeding, dd. 07.06.
- 4.
- Het (beroepen) vonnis. Voor de eerste rechter vorderde (de verweerster) vanwege (de eiser) en nv Axa Belgium als voorgehouden verzekeraar van het in het ongeval betrokken voertuig in toepassing van artikel 29bis WAM-wet een schadevergoeding uit hoofde van voornoemd verkeersongeval van: - 3.800,00 euro voor eigen schade; - 7.500,00 euro voor schade geleden door haar minderjarige dochter C.D., geboren op 10 september 1997; - 7.500,00 euro voor schade geleden door haar minderjarige dochter Ch.D., geboren op 8 november 1998; alle bedragen te vermeerderen met interesten en kosten. De eerste rechter verklaarde de vorderingen ontvankelijk. Hij beoordeelde de vorderingen opzichtens nv Axa Belgium als ongegrond wegens niet geldige verzekering van het in het ongeval betrokken voertuig bij nv Axa Belgium. Voor het overige verklaarde hij de vordering van (de verweerster) in eigen naam ongegrond, en de vorderingen van (de verweerster) voor schade geleden door haar twee minderjarige dochters elk gegrond ten belope van 7.500,00 euro, telkens meer vergoedende interesten vanaf 14 augustus 1999 tot 13 oktober 2005 (datum vonnis) en vanaf dan de gerechtelijke interesten tot op de dag der algehele betaling. (De eiser) werd veroordeeld in de kosten van het geding, met uitzondering van de kosten in hoofde van nv Axa Belgium en kosten van de dagvaarding in tussenkomst, die door (de verweerster) dienden te worden gedragen. 4.
- Beoordeling. 4.3.
- Eigen recht op schadevergoeding van (de verweerster). (De eiser) stelt niet te zijn gehouden de door (de verweerster) gevorderde schadevergoedingen te voldoen op grond van artikel 29bis WAM-wet. Zij verwijst dienaangaande naar artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, dat in artikel 29bis WAM-wet op het ogenblik van het ongeval van toepassing werd verklaard en dat krachtens dit artikel 80, §1, eerste lid, 2°, elke benadeelde van het Fonds een vergoeding kon bekomen voortvloeiende uit lichamelijke letsels wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden dat de verzekeringsplicht niet werd nageleefd. Krachtens lid 2 van artikel 80, §1, werd dit recht evenwel aan voorwaarden gekoppeld door de Koning opgelegd bij koninklijk besluit van 16 december 1981, waarvan artikel 17, §1, 3°, inderdaad stelde dat het Fonds niet tot vergoeding gehouden was tegenover de personen bedoeld in 2° (zijnde de eigenaar, de verzekeringnemer, de houder of de bestuurder van het betrokken motorrijtuig dat de schade had veroorzaakt) wanneer de verzekeringsplicht niet werd nagekomen. Ten aanzien van de houder en de bestuurder was deze uitsluiting slechts van toepassing indien ze wisten dat de burgerlijke aansprakelijkheid waartoe het voertuig aanleiding kon geven, niet gedekt was overeenkomstig voornoemde wet. B.D.was eigenaar van het betrokken voertuig, waaromtrent niet meer ter discussie staat dat het niet geldig verzekerd was. Enkel in hoofde van de bestuurder of de houder is de kennis van de niet verzekering van het voertuig relevant krachtens voornoemd artikel 17; in hoofde van de eigenaar heeft dit geen enkele relevantie. Ten opzichte van de eigenaar van het voertuig, B.D., zou inderdaad (de eiser) niet tot vergoeding gehouden zijn. (De eiser) stelt evenwel ten onrechte dat deze exceptie evenzeer tegen (de verweerster) als ‘rechthebbenden' van de heer D. in de zin van artikel 29bis WAM-wet kan worden tegengeworpen. Artikel 29bis WAM-wet geeft een eigen recht op schadeloosstelling zowel aan het slachtoffer als aan de rechthebbenden. Slachtoffer van een ongeval is degene bij wie de schade onmiddellijk inslaat; rechthebbende van de vergoeding is degene die persoonlijk schade lijdt door weerkaatsing en een eigen recht heeft op vergoeding (...). Met de ‘rechthebbenden' van het slachtoffer wordt niet naar hun erfgenamen, maar wel naar de rechtssubjecten verwezen, die, als gevolg van het verkeersongeval, schade bij weerkaatsing lijden. Dit betekent dat zij, hoewel zij niet noodzakelijk fysiek bij het verkeersongeval betrokken waren, toch schade lijden ten gevolge van het overlijden of het lichamelijk letsel van een ander rechtssubject als gevolg van een verkeersongeval. Te denken is bv. aan de morele schade en/of het inkomstenverlies van nabestaanden, aan de schade die een vennootschap lijdt door het uitvallen van haar afgevaardigd bestuurder, ... Hoewel vaak het tegendeel is beweerd, is schade bij weerkaatsing geen onrechtstreekse schade, maar persoonlijke en specifieke schade die rechtstreeks het vermogen of de gevoelens van een andere rechtssubject treft (...). De vordering die (de verweerster) thans als rechthebbende ten opzichte van (de eiser stelt) is derhalve een eigen vordering wegens persoonlijk geleden morele schade en is derhalve geen vordering uitgaande van de nalatenschap van wijlen de heer D.. Het eigen recht van de rechthebbenden op schadeloosstelling uitdrukkelijk in artikel 29bis WAM-wet voorzien door de wetgever naast het recht van het slachtoffer zelf, maakt dan ook dat de theorie van de schade bij weerkaatsing ingevolge de persoonlijke verantwoordelijkheid van het slachtoffer in het gemene recht op grond van artikel 1382 e. v. van het Burgerlijk Wetboek niet op deze rechthebbenden van toepassing is. Vermits de vergoeding die (de verweerster vordert) louter persoonlijk geleden morele en derhalve eigen schade betreft, is (de eiser) principieel gehouden tot vergoeding. Het (beroepen) vonnis wordt op dit punt dan ook bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond" (vonnis, pp. 3-5). Grieven 1.1 Elke benadeelde kan, overeenkomstig artikel 80, §1, eerste lid, 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van kracht voor diens opheffing bij wet van 22 augustus 2002, van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds de vergoeding bekomen van de schade voortvloeiende uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is omdat de verzekeringsplicht niet werd nageleefd. Artikel 80, §1, tweede lid, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van kracht vóór diens opheffing bij wet van 22 augustus 2002, bepaalt dat de omvang en de voorwaarden tot toekenning van dit recht op vergoeding worden bepaald door de Koning. Artikel 17, §1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van kracht voor zijn opheffing bij koninklijk besluit van 11 juli 2003, voorziet dat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds niet gehouden is tot vergoeding tegenover de eigenaar van het motorrijtuig dat de schade heeft veroorzaakt wanneer de verzekeringsverplichting niet werd nageleefd. 1.2 Naar luid van artikel 29bis, §1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht voor zijn wijziging bij wet van 19 januari 2001, wordt bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig de wet. Artikel 29bis, §1, derde lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht voor zijn wijziging bij wet van 19 januari 2001, voorziet dat artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen van toepassing is op deze schadevergoeding. De rechthebbenden zijn diegenen die schade door weerkaatsing lijden, dit is persoonlijke schade die voortvloeit uit het lichamelijk letsel of het overlijden van het "rechtstreekse" slachtoffer. Wanneer het directe slachtoffer geen recht heeft op vergoeding overeenkomstig artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, zullen zijn rechthebbenden op deze rechtsgrond evenmin aanspraak kunnen maken op vergoeding voor de schade die zij persoonlijk lijden door het letsel of het overlijden van het directe slachtoffer. 1.3 De verwijzing in artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 naar artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 leidt ertoe dat ook artikel 17, §1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, dat hiervan de uitvoering is, van toepassing wordt. 1.4 Uit al deze bepalingen volgt dat de eiser niet gehouden is tot vergoeding van de eigenaar van het motorrijtuig dat de schade heeft veroorzaakt wanneer de verzekeringsplicht niet werd nagekomen en dat de rechthebbenden van deze eigenaar, d.w.z. diegene die schade bij weerkaatsing lijden, evenmin vanwege de eiser aanspraak op schadevergoeding kunnen maken. 2.1 De Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout stelt in het aangevochten vonnis vast dat: - de heer B.D. om het leven kwam bij een verkeersongeval waarbij het voertuig waarvan hij eigenaar was tegen een boom reed, - de heer D. als passagier in het voertuig had plaatsgenomen (vonnis, p. 3, nr. 4.1), - het voertuig van de heer D. niet geldig was verzekerd (vonnis, p. 4, voorlaatste alinea), en beslist dat de eiser op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 niet gehouden zou zijn tot vergoeding van de heer D., eigenaar van het voertuig (vonnis, p. 4, in fine). De rechtbank beslist evenwel dat de eiser op grond van artikel 29bis van wet van 21 november 1989 wel gehouden is tot vergoeding van de verweerster (in eigen naam en als wettelijke beheerster over de persoon en de goederen van haar minderjarige dochters) als rechthebbende van de heer D., voor de schade die ze bij weerkaatsing lijdt (vonnis, pp. 4-5). Door de eiser op deze grond te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan de verweerster schendt de rechtbank de in de aanhef van middel aangehaalde bepalingen, nu daaruit volgt dat noch de eigenaar van het niet-verzekerde motorrijtuig dat de schade heeft veroorzaakt, noch zijn rechthebbenden lastens de eiser aanspraak kunnen maken op schadevergoeding overeenkomstig artikel 29bis van de wet van 21 november
- III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Krachtens het ten tijde van het ongeval van 14 augustus 1999 toepasselijke artikel 80, §1, eerste lid, 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (hierna de Controlewet), kan elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds de vergoeding verkrijgen van de schade voortvloeiende uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt, wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is omdat de verzekeringsverplichting niet werd nageleefd. Krachtens het ten tijde van het ongeval toepasselijke artikel 17, §1, 3°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van voormelde wet van 9 juli 1975, is het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds in het voormelde geval niet tot vergoeding gehouden tegenover de eigenaar van het motorvoertuig dat de schade heeft veroorzaakt.
- Krachtens het ten tijde van het ongeval toepasselijke artikel 29bis, §1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijk-heidsverzekering inzake motorrijtuigen, (hierna de WAM-wet), wordt bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet. Krachtens het derde lid van het voormelde artikel is artikel 80 van de Controlewet van toepassing op deze schadevergoeding. Deze verwijzing, in artikel 29bis, §1, derde lid, van de WAM-wet naar artikel 80 van de Controlewet, maakt ook het voormelde artikel 17, §1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, dat hiervan de uitvoering is, van toepassing op deze schadevergoeding. Voorts wil artikel 29bis, §1, eerste lid, van de WAM-wet de rechten van de rechthebbenden afstemmen op de rechten van de rechtstreekse schadelijder.
- Uit de voormelde wettelijke bepalingen volgt dat de eigenaar van het motorvoertuig dat de schade heeft veroorzaakt, ingeval geen enkele verzekerings-onderneming tot die vergoeding verplicht is omdat de verzekeringsverplichting niet werd nageleefd, van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds geen vergoeding van zijn in artikel 29bis, §1, van de WAM-wet bedoelde schade kan verkrijgen. Deze beperkte vergoedingsverplichting geldt in dezelfde mate ten aanzien van de rechthebbenden van de eigenaar van het motorvoertuig, die, als gevolg van de in artikel 29bis, §1, van de WAM-wet bedoelde schade van de eigenaar van het motorvoertuig, eigen schade lijden omwille van hun band met de eigenaar. De rechthebbenden van de eigenaar van het motorvoertuig kunnen zodoende, zoals de eigenaar zelf, van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds geen vergoeding van hun in artikel 29bis, §1, van de WAM-wet bedoelde schade verkrijgen.
- De appelrechters stellen vast dat de eigenaar van het niet-verzekerde motorvoertuig dat de schade heeft veroorzaakt, ingevolge het litigieuze verkeersongeval, om het leven is gekomen. De appelrechters oordelen verder dat de verweerster, die optreedt in eigen naam en in haar hoedanigheid van ouder en wettelijke beheerster over de persoon en de goederen van haar twee minderjarige dochters, allen rechthebbenden van de overleden eigenaar, van de eiser een vergoeding van hun in artikel 29bis, §1, van de WAM-wet bedoelde schade kan verkrijgen. De appelrechters schenden zodoende de voormelde wettelijke bepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; Houdt de kosten en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 19 september 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080919.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030410.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230908.1F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div