← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080919.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080919.4 Rolnummer: C.07.0458.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-10-09 Raadplegingen: 620 - laatst gezien 2026-07-03 07:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een procespartij die aan de vereisten van artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek voldoet, wordt voor de rechtspleging aangezien als een verschijnende partij en dient dienvolgens op overeenkomstige wijze van eventuele uitstellen van behandeling te worden verwittigd

(1); de rechtspleging verloopt ten aanzien van deze partij verder op tegenspraak, ook wanneer ze op de rechtsdag na tussenarrest of op meerdere navolgende rechtsdagen niet meer verschijnt, voor zover ze regelmatig verwittigd werd van deze rechtsdagen
(2).
(1)Zie Cass., 17 dec. 1998, AR C.95.0090.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981217.2, A.C., 1998, nr. 524.
(2)Zie Cass., 15 juni 1998, AR S.97.0130.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980615.8, A.C., 1998, nr. 311; zie ook Cass., 14 okt. 2002, AR C.99.0537.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021014.17, A.C., 2002, nr.
  1. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Afstand (gerechtelijk recht) - Proceshandeling GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Strafvordering Vrije woorden: Rechtspleging op tegenspraak - Verschijnende partij - Gevolg - Navolgende rechtsdag - Niet-verschijning - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 747, § 2, 748, § 2, 750, § 2, 754 en 804, tweede lid Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Afstand (gerechtelijk recht) - Proceshandeling GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Strafvordering Vrije woorden: Rechtspleging op tegenspraak - Verschijnende partij - Gevolg - Navolgende rechtsdag - Niet-verschijning - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 747, § 2, 748, § 2, 750, § 2, 754 en 804, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.07.0458.N ECLIPS, naamloze vennootschap, met zetel te 2275 Wechelderzande, L. Mercelislaan 8, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen S.A.E., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 februari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 747, §2, 748, §2, 750, 775 en 1042 van het Gerech¬telijk Wetboek zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 26 april 2007; - het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden eindarrest van 19 februari 2007 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen, beslissend op tegenspraak, ten aanzien van de eiseres in toepassing van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, verweerders' hoger beroep ten aanzien van de eiseres ontvankelijk, verklaart de verkoopovereenkomst van 1994 met betrekking tot de satellietwagen MAN 8 x 8 tussen (de verweerder) en de eiseres ontbonden ten laste van de eiseres, veroor¬deelt haar om aan Sharfeddin te betalen de tegenwaarde in euro van het bedrag van 1.154.200 US-dollar aan de hoogste koers tussen 18 augustus 1994 en de dag van de effectieve betaling te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 18 augustus 1994 tot 29 oktober 2002 en van dan af met de gerechtelijke interesten tot de datum van betaling en verleent voorbehoud aan (de verweerder) voor de terugvordering van de advocatenkosten ten aanzien van de eiseres, die tot de kosten van beide aanleggen wordt veroordeeld, zulks na onder meer te hebben vastgesteld: "
  2. Meester Vekemans die krachtens zijn brief van 14 oktober 2004, gericht aan de griffie van dit (hof van beroep) en ingediend ter griffie van dit (hof van beroep) op 18 oktober aanvankelijk bericht dat hij ‘op verzoek van de vroegere afgevaardigde bestuurder van de nv Eclips' is verschenen, verklaart dat hij zowel aan de eerste rechter als aan de raadsman van (de verweerder) bij herhaling heeft meegedeeld dat de nv Eclips niet meer bestaat ingevolge de afgesloten vereffe¬ning van de betrokken vennootschap ruim voor het instellen van de procedure en dat hij dit standpunt eveneens in hoger beroep zou verdedigen. De eerste toepassing van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek is ge¬beurd op gemeenschappelijk verzoek van de partijen, waarna (de eiseres), vertegenwoordigd door mr. Vekeman, op 14 december 2004 een conclusie indient om te bevestigen dat zij bij akte van notaris Segers van 10 december 2001 vervroegd is ontbonden, op dezelfde datum is vereffend en dat de publi¬catie van die akte is geschied in het Belgisch Staatsblad van 16 februari
  3. De zaak wordt in toepassing van artikel 748, §2, van het Gerechtelijk Wetboek vastgesteld ter terechtzitting van de eerste kamer van dit (hof van beroep) op 13 februari 2006 en op die terechtzitting uitgesteld naar de terechtzitting van 30 oktober 2006". Grieven Naar luid van artikel 750, §1, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt in principe de rechtsdag op gezamenlijk verzoek van partijen bepaald. Het Gerechtelijk Wetboek voorziet evenwel in een aantal bijko¬mende mechanismen die moeten toelaten dat een rechtsdag, ook zonder me¬dewerking van een partij, wordt bepaald. Deze afwijkende mechanismen voorzien in de regel in de bepaling van de rechtsdag op tegenspraak. Ingeval de rechtsdag bepaald wordt met toepassing van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek wordt het verzoekschrift dat toepassing vraagt van deze bepaling bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de andere partijen. Deze partijen doen binnen vijftien dagen hun opmerkingen aan de voorzitter toekomen. De voorzitter doet uitspraak binnen acht daaropvolgende dagen. Deze beschikking wordt vervolgens aan de partijen en advocaten ter kennis gebracht. Een zelfde procedure wordt gevolgd bij de toepassing van artikel 748, §2, van het Gerechtelijk Wetboek. Wordt de rechtsdag bepaald met toepassing van artikel 750, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, dan wordt het verzoek tot bepaling van de rechtsdag bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de andere partijen. Deze partijen doen binnen de vijftien dagen hun opmerkingen aan de rechter toeko¬men. De rechtsdag wordt vervolgens door de voorzitter bepaald. Partijen kunnen derhalve in principe hun opmerkingen doen gelden en worden steeds bij gerechtsbrief op de hoogte gebracht van het feit dat er een rechtsdag bepaald zal worden. De verwittiging bij gerechtsbrief speelt hierbij een cruciale rol, nu bij afwezigheid van een van de partijen de meest gerede partij een op tegenspraak gewezen vonnis zal kunnen vorderen. Daarop volgend worden zij ook, naar gelang van het geval, bij gewone brief of bij gerechtsbrief op de hoogte gebracht van de beschikking, waarbij de rechtsdag wordt vastgesteld. In de hierboven aangehaalde wetsbepalingen is niet voorzien in de mogelijkheid tot verdaging van de zaak met behoud van de voordelen, verbonden aan de wijze van vaststelling van de zaak bij toepassing van de arti¬kelen 747, §2, 748, §2 en 750, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, met name het bekomen van een vonnis of arrest dat op tegenspraak zal zijn gewezen ten aanzien van de partij die niet verschijnt. Wanneer de op grond van artikel 747, §2, of artikel 748, §2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde rechtsdag door de rechter wordt gewijzigd zonder dat alle partijen dit hadden gevraagd of aanvaard en wanneer een partij niet verschijnt op de gewijzigde rechtsdag, kan de rechter die de zaak op die rechtsdag behandelt dan ook geen uitspraak doen op tegenspraak met toepassing van dit artikel. Voornoemde regeling geldt evenzeer wanneer na een heropening van de debatten over een onderwerp dat de rechter bepaalt overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek de zaak niet wordt behandeld op de dag bepaald in het vonnis of arrest dat de heropening beval en dat aan de verschijnende partijen door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis werd gebracht binnen de dagvaardingstermijnen. In dat geval zal er slechts een beslissing op tegenspraak kunnen worden gewezen ten aanzien van de partijen die na de heropening niet verschenen, voor zover zij van deze nieuwe rechtsdag werden verwittigd over¬eenkomstig de bepalingen, vervat in de artikelen 747, §2, 748, §2, of 750, §2, van het Gerechtelijk Wetboek. Deze regels gelden bij toepassing van artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek evenzeer in hoger beroep. In onderhavige zaak werd de rechtsdag aanvankelijk bepaald op 27 juni 2005 op gemeenschappelijk verzoek van de partijen op de inleidende zitting, alwaar de partijen schriftelijk verschenen en conclusietermijnen over¬eenkwamen, met toepassing van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek. De eiseres legde overeenkomstig de afgesproken regeling op 14 de¬cember 2004 beroepsbesluiten neer, waarbij zij concludeerde over de ontvan¬kelijkheid van het hoger beroep en van de oorspronkelijke vordering evenals over de grond van de zaak. Voornoemde rechtsdag werd vervolgens bij beschikking van 14 juni 2005 op verzoek van medegeïntimeerde J. bij toepassing van artikel 748, §2, van het Gerechtelijk Wetboek op tegensprekelijke wijze bepaald op 13 februari
  4. De rechtsdag van 27 juni 2006 werd evenwel behouden, doch enkel en alleen met betrekking tot de exceptie van borgtocht. Op 8 november 2005 werd bij toepassing van artikel 748, §2, van het Gerechtelijk Wetboek een tweede beschikking gewezen, waarbij aan de ver¬weerder en aan de medegeïntimeerde J. nieuwe conclusietermijnen werden toegekend met behoud evenwel van de rechtsdag op 13 februari
  5. Op 26 september 2005 werd een tussenarrest gewezen waarbij het hof van beroep, beslissend op tegenspraak ten aanzien van de eiseres in toepassing van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, het hoger beroep van de verweerder met betrekking tot de borgstelling ten dele gegrond verklaarde en het bestreden vonnis bevestigde mits de herleiding van de borgstelling van 100.000,00 euro tot 15.000,00 euro en alvorens verder te oordelen over de ontvan¬kelijkheid van het hoger beroep van de verweerder ten aanzien van de eiseres en over de grond van de hogere beroepen, de zaak in voortzetting stelde op 13 februari
  6. Deze beslissing werd vervolgens bij toepassing van artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek ter kennis gebracht van de partijen. Ten slotte wordt in het bestreden eindarrest van 19 februari 2007 uitdrukkelijk vastgesteld dat de zaak in toepassing van artikel 748, §2, van het Gerechtelijk Wetboek werd vastgesteld ter terechtzitting van de eerste kamer op 13 februari 2006 en op die terechtzitting uitgesteld naar de terechtzitting van 30 oktober 2006, waarop de eiseres niet aanwezig was noch vertegenwoor¬digd (pagina 2 van het bestreden arrest). Uit het geheel van die vaststellingen volgt dat, zo de zaak aanvankelijk voor behandeling was gesteld op de zitting van 13 februari 2006 bij toepassing van de regels, bepaald bij de artikelen 747, §2, 748, §2, en 775 van het Gerechtelijk Wetboek, de zaak op de zitting van 13 februari 2006 in afwezigheid van de eiseres werd uitgesteld op een latere zitting, met name op 30 oktober 2006, zonder dat de eiseres hierom had verzocht of zich met dit uitstel akkoord had verklaard en zonder dat ter bepaling van deze nieuwe rechtsdag de procedure, bepaald bij de artikelen 747, §2, 748, §2, en 750, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, in acht werd genomen en bijgevolg zonder dat zij in de gelegenheid werd gesteld om op die zitting van 30 oktober 2006 haar recht van verdediging uit te oefenen. In de gegeven omstandigheden kon er te hare opzichte dan ook geen uitspraak worden gedaan op tegenspraak met toepassing van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vermeld in het beschikkend ge¬deelte van het bestreden arrest. Besluit Uit het voorgaande volgt dat door de debatten op 30 oktober 2006 te sluiten en de zaak in beraad te nemen en door te beslissen dat het eindarrest met toepassing van artikel 747, §2, van het Gerechtelijk Wetboek op te¬genspraak is gewezen ten aanzien van de eiseres het hof van beroep uitspraak heeft gedaan in miskenning van de artikelen 747, §2, 748, §2, 750, 775 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 26 april 2007, evenals van het algemeen rechtsbeginsel dat de eer¬biediging van het recht van verdediging voorschrijft (schending van voornoem¬de wetsbepalingen en het algemeen rechtsbeginsel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  7. Krachtens artikel 804, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan, indien een van de partijen niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, tegen haar vonnis bij verstek worden gevorderd. Krachtens het tweede lid van dit artikel is de rechtspleging evenwel op tegenspraak ten aanzien van de partij die is verschenen overeen¬komstig artikel 728 of 729 en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd.
  8. Hieruit volgt dat de partij die aan de vereisten van het voormelde artikel 804, tweede lid, voldoet, voor de rechtspleging wordt aangezien als een verschijnende partij, en dienvolgens op overeen¬komstige wijze dient te worden verwittigd van eventuele uitstellen van behandeling. Hieruit volgt tevens dat de rechtspleging ten aanzien van de partij die aan de voorwaarden van het tweede lid van voormeld artikel voldoet, verder op tegenspraak verloopt ook wanneer deze partij op de rechtsdag na tussenarrest of op meerdere navolgende rechtsdagen niet meer verschijnt, voor zover deze partij regelmatig verwittigd werd van deze rechtsdagen.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat in de appelprocedure: - de eiseres een schriftelijke verschijning ter griffie van het hof van beroep heeft neergelegd op 18 oktober 2004 alsook een conclusie op 14 december 2004; - nadat het hof van beroep op 26 september 2005 een tussenarrest had gewezen op tegenspraak ten aanzien van de eiseres, en de zaak in voortzetting had gesteld op de zitting van 13 februari 2006, de eiseres, bij toepassing van artikel 754 van het Gerechtelijk Wetboek, door de griffier verwittigd werd dat de zaak op de zitting van 13 februari 2006 verdaagd werd naar de zitting van 30 oktober
  10. Het middel voert niet aan dat de eiseres niet werd verwittigd dat de zaak was verdaagd naar de zitting van 30 oktober 2006 maar betwist in wezen dat het bestreden arrest op tegenspraak werd uitgesproken ten aanzien van de eiseres, terwijl de zaak op de zitting van 13 februari 2006 in haar afwezigheid werd uitgesteld naar de zitting van 30 oktober 2006, zonder dat zij hierom had verzocht of zich met dit uitstel akkoord had verklaard en zonder dat ter bepaling van deze nieuwe rechtsdag de procedure, voorzien in de artikelen 747, §2, 748, §2, en 750, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, in acht werd genomen.
  11. Op grond van de in het randnummer 3 vermelde vaststellingen vermochten de appelrechters met toepassing van artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek beslissen dat het arrest op tegenspraak was uitgesproken ten aanzien van de eiseres, zonder het recht van verdediging te miskennen. Op grond van deze in de plaats gestelde reden blijft de beslissing naar recht verantwoord. Ook al zou het middel gegrond zijn, kan het niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 634,03 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 19 september 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080919.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20120110.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980615.8 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981217.2 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021014.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.