← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080919.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

§3

, en 17,

§1

en §2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemings-voorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de vordering van de eiseres tot terugbetaling van boetes plus interest, het hoger beroep van de eiseres ongegrond op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder op de volgende overwegingen: "c. wat betreft de gevorderde terugbetaling van ingehouden vertragingsboetes (...) Terecht wees de eerste rechter ook dit onderdeel van de vordering van (de eiseres) af als ongegrond omdat zij niet meer het recht daartoe heeft nu volgens de artikelen 16 en 17 van het ministerieel besluit elke aanvraag tot kwijtschelding van boetes moet aangeven waarop zij gesteund is en, ingeval zij gesteund is op feiten te wijten aan het bestuur of op onvoorzienbare omstandigheden, de aanvraag moet worden voorafgegaan door een schriftelijke melding uiterlijk 30 dagen nadat de bewuste feiten zich hebben voorgedaan, aan welke formaliteiten door (de eiseres) niet is voldaan geworden". (p. 4, laatste alinea, en 5, eerste alinea, van het arrest). Grieven 1. Op grond van artikel 17, §1, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheids-opdrachten van werken, leveringen en diensten, hieronder afgekort als algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten, kan de aannemer kwijtschelding verkrijgen van boeten wegens laattijdige uitvoering

(1)geheel of gedeeltelijk indien hij bewijst dat de vertraging geheel of gedeeltelijk te wijten is, hetzij aan het bestuur, hetzij aan bij artikel 16, §2, bedoelde omstandigheden voor zover deze zich hebben voorgedaan vóór het verstrijken van de contractuele termijnen, in welke gevallen vanaf de datum waarop de betrokken betaling diende te gebeuren, op de kwijtgescholden boetes een interest moet betaald worden, en
(2)gedeeltelijk, indien het bestuur oordeelt dat er een wanverhouding is tussen de boeten en het geringe belang van de te laat uitgevoerde werken of leveringen. In het geval dat hierboven onder
(1)wordt genoemd, is artikel 16, §3, van de algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten van toepassing op de feiten en omstandigheden die worden ingeroepen bij de aanvragen tot kwijtschelding, aldus artikel 17, §2, van de algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten. Dat artikel 16, §3, luidt: "De aannemer is verplicht op straffe van verval, het bestuur ten spoedigste en schriftelijk in te lichten wanneer hij feiten of willekeurig welke omstandigheden vaststelt die de goede gang van zaken van de aanneming verstoren, die onder de toepassing van §1 en §2 vallen en waaromtrent hij bijgevolg een verlenging van de uitvoeringstermijn, de herziening en/of de verbreking van de overeenkomst of/en schadeloosstelling kan vragen; hij moet hierbij bondig de invloed doen kennen die deze feiten hebben of zouden kunnen hebben op de opdracht of de kosten van de aanneming. Zijn niet ontvankelijk, de klachten en verzoeken die steunen op feiten en omstandigheden die door de aannemer niet te gepaste tijde aan het bestuur werden kenbaar gemaakt en waarvan het bijgevolg het bestaan en de invloed op de opdracht niet heeft kunnen nagaan teneinde eventueel de door de toestand vereiste maatregelen te nemen. Bedoelde klachten en verzoeken zijn in ieder geval niet ontvankelijk indien de ingeroepen feiten en omstandigheden niet werden bekendgemaakt binnen de dertig kalenderdagen ofwel nadat ze zich hebben voorgedaan, ofwel na de datum waarop de aannemer ze normaal had moeten kennen. Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de bevelen van het bestuur, zelfs voor het geval deze slechts in het dagboek der werken werden ingeschreven zoals voorzien in de artikelen 37, §1 en 42, §
  1. In dit geval is de aannemer enkel verplicht tot bekendmaking zodra hij de invloed die de bevelen op de uitvoering van de opdracht en de prijs van het werk kent of zou moeten kennen". Luidens artikel 17, §3, van de algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten moet elke aanvraag tot kwijtschelding van boeten, op straffe van nietigheid, schriftelijk worden ingediend binnen zestig kalenderdagen te rekenen vanaf, voor wat de aannemingen van leveringen betreft, de betaling van de factuur waarop de boeten werden aangerekend.
  2. Uit de stukken van het dossier waarop het Hof acht mag slaan, blijkt dat de partijen het erover eens zijn dat de in deze zaak aan de orde zijnde overheidscontracten nog vallen onder het toepassingsgebied van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten. Het hof van beroep stelt dat ook zelf vast ("het ministerieel besluit van 10 augustus 1997, terzake van toepassing" - p. 3, voorlaatste alinea van het arrest). Nog uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan, blijkt dat de eiseres de terugbetaling vroeg van de boetes (de volledige kwijtschelding ervan) op grond van artikel 17, §1, 1°, van de algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten (zie o.m. blz. 20, onder f van de "eerste beroepsbesluiten" van de eiseres, ter griffie van het hof van beroep neergelegd op 31 oktober 2005 en blz. 24, onder nr. 39 van de "synthesebesluiten" van de verweerster gedagtekend 30 maart 2006). De eiseres was aldus met toepassing van artikel 17, §2, ertoe gehouden de bepalingen van artikel 16, §3, van de algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten in acht te nemen ten aanzien van de feiten en omstandigheden die ingeroepen werden bij de aanvragen tot kwijtschelding van de boeten wegens laattijdige uitvoering. Het hof van beroep overweegt dat de eiseres niet meer het recht heeft terugbetaling te vorderen van de ingehouden vertragingsboetes aangezien volgens de artikelen 16 en 17 van de algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten elke aanvraag tot kwijtschelding van boetes moet aangeven waarop zij is gesteund en, in geval zij is gesteund op feiten te wijten aan het bestuur of op onvoorzienbare omstandigheden, de aanvraag moet worden voorafgegaan door een schriftelijke melding uiterlijk dertig dagen nadat de bewuste feiten zich hebben voorgedaan. De artikelen 16 en 17 van de algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten bepalen nergens dat de aanvraag om kwijtschelding
(1)moet aangeven waarop zij is gesteund, noch dat die aanvraag, ingeval zij gesteund is op feiten te wijten aan het bestuur of op onvoorzienbare omstandigheden,
(2)moet worden voorafgegaan door een schriftelijke melding
(3)uiterlijk dertig dagen nadat de bewuste feiten zich hebben voorgedaan. Het hof van beroep onderzoekt niet of, noch stelt het vast dat de eiseres - niet een van de redenen voor de vertraging vermeld in artikel 17, §1, 1°, van de algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten bewijst; - de verweerster niet ten spoedigste en schriftelijk heeft ingelicht van de feiten en omstandigheden die de goede gang van aanneming verstoorden en die ingeroepen worden bij de aanvraag tot kwijtschelding van de boeten wegens laattijdige uitvoering, noch dat zijn klachten en verzoeken steunen op feiten of omstandigheden die door de eiseres niet te gepasten tijde aan de verweerster werden kenbaar gemaakt, noch dat die feiten of omstandigheden niet werden bekendgemaakt binnen dertig kalenderdagen nadat ze zich hebben voorgedaan of na de datum waarop de eiser ze normaal had moeten kennen, zoals voorgeschreven door de artikelen 17, §2, en 16, §3, van de algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten; - de aanvraag tot kwijtschelding van de boeten niet schriftelijk heeft ingediend binnen de zestig kalenderdagen bedoeld in artikel 17, §3, van de algemene aannemingsvoorwaarden overheidsopdrachten. Op de enkele vaststelling dat door de eiseres niet is voldaan geworden aan de formaliteiten
(1)in de aanvraag tot kwijtschelding moeten de feiten worden aangegeven waarop zij is gesteund,
(2)de aanvraag moet worden voorafgegaan door schriftelijke melding van de feiten te wijten aan het bestuur of onvoorzienbare omstandigheden waarop zij is gesteund en
(3)moet gebeuren uiterlijk dertig dagen nadat de bewuste feiten zich hebben voorgedaan, overweegt het hof van beroep dan ook niet wettig dat de eiseres niet meer het recht heeft terugbetaling van de boeten wegens laattijdige uitvoering te vorderen. Aldus verklaart het hof van beroep niet wettig het hoger beroep van de eiseres ongegrond in de mate dat het betrekking heeft op de vordering van de eiseres tot terugbetaling van vertragingsboetes en de interest daarop (schending van de artikelen 16,

§3

, en 17,

§1

en §2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling

  1. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 17, §1, 1°, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten, kan de aannemer de gehele of gedeeltelijke teruggave verkrijgen van boeten wegens laattijdige uitvoering, wanneer hij bewijst dat de vertraging geheel of gedeeltelijk te wijten is hetzij aan de aanbestedende overheid, hetzij aan bij artikel 16, §2, bedoelde omstandigheden voor zover deze zich hebben voorgedaan voor het verstrijken van de contractuele termijnen. Krachtens artikel 17, §3, van voormeld ministerieel besluit, dient, voor wat de opdrachten voor aanneming van leveringen en van diensten betreft, elke aanvraag tot teruggave van boeten op straffe van verval schriftelijk te worden ingediend, uiterlijk de zestigste kalenderdag te rekenen vanaf de betaling van de factuur waarop deze boeten werden ingehouden. Krachtens artikel 17, §2, van hetzelfde ministerieel besluit, is artikel 16, §3, van toepassing op de feiten en omstandigheden die ingeroepen worden bij de aanvragen tot teruggave van de bij §1, 1°, bedoelde boeten wegens laattijdige uitvoering. Dit artikel 16, §3, bepaalt dat de aannemer verplicht is, op straffe van verval, de aanbestedende overheid ten spoedigste en schriftelijk in te lichten over de feiten of omstandigheden die de goede gang van de opdracht verstoren en hierbij bondig de invloed te doen kennen die deze feiten hebben of zouden kunnen hebben op het verloop en de kostprijs van de opdracht. De bedoelde klachten en verzoeken zijn in elk geval niet ontvankelijk wanneer de ingeroepen feiten en omstandigheden niet schriftelijk zijn bekendgemaakt binnen de dertig kalenderdagen nadat ze zich hebben voorgedaan of na de datum waarop de aannemer ze normaal had moeten kennen.
  2. Uit deze bepalingen volgt dat een aanvraag tot teruggave van boeten wegens laattijdige uitvoering op straffe van verval moet worden ingediend binnen de termijn voorzien door artikel 17, §3, dat de feiten en omstandigheden die deze aanvraag wettigen ter kennis moeten worden gebracht van het bestuur op de wijze en binnen de termijn bepaald door artikel 16, § 3, en dat de aannemer moet bewijzen dat de vertraging geheel of gedeeltelijk te wijten is aan deze feiten en omstandigheden. De vermelding van de feiten en omstandigheden in de aanvraag tot kwijtschelding is niet op straffe van nietigheid of verval opgelegd.
  3. De appelrechters, die de vordering van de eiseres tot terugbetaling van de boeten wegens laattijdige uitvoering afwijzen op grond dat de eiseres de feiten en omstandigheden waarop deze aanvraag was gesteund niet vermeldde in de aanvraag tot kwijtschelding, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
  4. Ingevolge artikel 16, §3, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, dienen de feiten en omstandigheden, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de desbetreffende klachten en verzoeken, ter kennis te worden gebracht van het bestuur uiterlijk binnen de 30 dagen nadat ze zich hebben voorgedaan of na de datum waarop de aannemer ze normaal had moeten kennen.
  5. De appelrechters, die de vordering van de eiseres afwijzen op grond dat de feiten en omstandigheden die de aanvraag wettigen, niet werden ter kennis gebracht van het bestuur binnen de 30 dagen nadat ze zich hebben voorgedaan, zonder na te gaan of de kennisgeving niet geschiedde binnen de dertig dagen na de datum waarop de aannemer ze normaal had moeten kennen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het, bij bevestiging van het beroepen vonnis, de vordering tot terugbetaling van ingehouden vertragingsboeten afwijst en uitspraak doet over de kosten van het hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 19 september 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080919.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.